De Koran, geen boek om te begrijpen

Kader Abdolah beschreef het leven van de profeet Mohammaden vertaalde het heilige boek der moslims.Door Gert J. Peelen..

Is het een biografie of, zoals de ondertitel suggereert, een product ontsproten aan de verbeelding van de schrijver? Is het wellicht een mix van beide? Het laatste, zo blijkt uit de prudent geformuleerde mededeling van de auteur voorin De boodschapper – Een vertelling. Hoewel het boek gebaseerd is op de historische feiten, mogen ‘vele namen en vertellingen’ worden gelezen ‘volgens de wetten van de literatuur’.

Een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn wanneer hij met zekere literaire vrijheid en creativiteit het levensverhaal wil vertellen van een van de meest omstreden figuren uit de geschiedenis van de wereldgodsdiensten. Zoiets luistert nauw. Kader Abdolah is er echter in geslaagd een evenwichtig portret te schetsen van de profeet Mohammed, die in de zevende eeuw tegen de verdrukking in een nieuwe wereldgodsdienst wist te construeren op basis van elementen uit met name de joodse en christelijke religie, vermengd met invloeden uit de Arabische cultuur.

Pluspunt van Abdolahs historisch verantwoorde en tegelijk semi-fictieve aanpak is, dat Mohammad (dat is de schrijfwijze van de naam van de profeet, die in de islamitische wereld gangbaar is) daarin als een mens van vlees en bloed naar voren komt, wiens ontwikkeling van succesvol jong zakenman en een zachtaardige roepende in de woestijn tot nietsontziend despoot en deels zelfverklaarde heilige als een bijkans onafwendbaar proces gepresenteerd wordt.

Hoewel De boodschapper alle aandacht verdient, vormt het in feite de inleiding tot het eigenlijke werk in deze tweedelige cassette. En dat is Abdolahs eigen hertaling van de Koran. Een vertaling, luidt de bescheiden ondertitel. Met dat onbepaalde lidwoord wil de schrijver maar zeggen dat er al vijf vertalingen in het Nederlands zijn. Maar de zijne heeft nadrukkelijk tot doel de Koran toegankelijk te maken voor alle Nederlanders, die na alles wat ze horen over dat gruwelijke geschrift, dat zou aanzetten tot haat en bloedvergieten, nieuwsgierig zijn naar wat er nu werkelijk in staat. Juist door de combinatie van vertelling en vertaling is Kader Abdolah in die opzet wonderwel geslaagd.

Om dat te bereiken heeft hij zich evenwel een aantal vrijheden veroorloofd. Zoals het opnieuw in hun historische volgorde zetten van de soera’s (hoofdstukken) die in de loop der eeuwen door de samenstellers van de Koran tot ‘een goddelijke chaos’ dooreen werden gemengd. Want zo is de ontwikkelingsgang van Mohammad en zijn Koran beter te volgen en te begrijpen. Om diezelfde reden heeft Abdolah ook flink geknipt in het aantal herhalingen. Die zijn weliswaar kenmerkend voor het karakter van het boek, dat voorgelezen aan ongeletterden, op die manier beter in het geheugen bleef hangen, maar vormen een hindernis voor de gehaaste mens van deze tijd, die snel tot de kern van de boodschap wil doordringen.

Juist op dat punt heeft Abdolah een waarschuwing voor de hedendaagse lezer. De Koran, schrijft hij, ‘is geen boek voor hen die het met haast willen lezen, het is geen boek voor hen die het uit haat willen lezen, het is geen boek voor hen die hun gelijk willen halen.’ Vooral het laatste lijkt essentieel. De consequentie ervan is, dat de Koran niet als wet- of natuurkundeboek mag worden beschouwd en geen waarheden bevat van het type waarmee men tegenstanders om de oren slaat. Een uitkomst om ter harte te nemen, niet alleen door moslimfundamentalisten, maar evenzeer door verklaarde moslimhaters die met de Koran in de hand de islam als een abjecte godsdienst denken te kunnen wegzetten. Door de Koran letterlijk te nemen doen zij precies hetzelfde als hun directe tegenstanders.

De Koran volgens Kader Abdolah is een boek, geschreven door en voor mensen, dat niet los kan worden geweekt uit de tijd, de omstandigheden en de historische context waarin het tot stand kwam. Dat maakt het werk zowel intrigerend, mysterieus en historisch en esthetisch waardevol als onbegrijpelijk. De vele onduidelijkheden en uitspraken die voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, horen bij de tekst, aldus Abdolah: ‘Je moet de Koran eigenlijk niet kunnen begrijpen.’ Het lezen ervan kan nog het best worden beschouwd als het maken van een mooie wandeling, aldus de auteur.

Menigeen zal daarbij de routebeschrijving die Abdolah in zijn toelichtingen op de soera’s biedt, echter hard nodig hebben. Want het zicht op de poëtische schoonheid van de tekst wordt, zelfs in de bloemrijke vertaling van Abdolah, aan het zicht onttrokken door zwarte rookwolken, die opstijgen van het verkolend vlees der ongelovigen. Daarmee is de Koran nog niet meteen gewelddadiger van toon dan de Bijbel. Het Oude Testament bevat passages die even gruwelijk of zelfs nog gruwelijker zijn dan de latere soera’s. Maar een verschil is wel dat de Bijbel dankzij zijn verhalende karakter spannender leesvoer oplevert.

Er is een duidelijk onderscheid tussen de tweeëntachtig soera’s die in Mekka aan Mohammad werden geopenbaard en de daarop volgende tweeëndertig die de profeet in Medina gewerden. De eerste zijn geschreven in de tijd waarin de profeet aanzien noch aanhang had en zich een tegenstander van geweld betoonde. Zij zijn nog betrekkelijk mild van toon, lyrisch, en onderzoekend van aard. In de latere soera’s, uit de tijd dat hij macht kreeg en het zwaard opnam, verandert zijn taal radicaal. De toon wordt hard en de inhoud overwegend bloeddorstig en onverzoenlijk.

De scheidslijn tussen mild en hard ligt niet toevallig op het moment dat Mohammad, met zijn voornamelijk uit vrouwen, slaven en andere verdrukten bestaande kudde volgelingen Mekka ontvlucht en op weg gaat naar Yasreb (Jathrib), het latere Medina, dat de uitvalsbasis zal worden voor zijn uiteindelijk geslaagde greep naar de macht en de verovering van Mekka. Mohammad zal bij die vlucht ongetwijfeld het beeld voor ogen hebben gehad van Mozes, die de tot slavernij gedwongen Israëlieten uit Egypte leidde op weg naar het beloofde land.

Die Mozes, profeet en leidsman der Joden, is Mohammads grote voorbeeld. Maar juist de Joden, die aanvankelijk nog de macht hadden in Medina, en die niet geheel ten onrechte vonden dat de profeet in zijn soera’s wel erg royaal uit hun Thora citeerde, zijn een voornaam mikpunt van de haat en hoon in de latere teksten. Na de vaste aanhef – ‘In de naam van Allah / Hij is lief / Hij geeft / Hij vergeeft’ – is het hel en verdoemenis wat de klok slaat. Het is niet voor niets dat radicale moslims en andere ‘letterlijke lezers’ zich in doen en denken steevast op deze Medinese soera’s beroepen.

De orthodoxe hang naar het letterlijk nemen van de Koran als heilige, want van Allah gegeven Schrift is niet exclusief islamitisch. De joodse Thora en de christelijke Bijbel waren eenzelfde lot beschoren. Het geschreven woord staat hoe dan ook centraal in deze godsdiensten. En daarom, vond de boodschapper in spe, moest een boek de basis zijn voor de nieuwe, door hem te stichten godsdienst.

Het idee daarvoor doet hij op tijdens de verre reizen die hij in zijn jonge jaren maakt als begeleider van karavanen. Via ontmoetingen met handelaren uit omringende landen komt hij ’s avonds in de karavanserais in aanraking met de welvarende en ontwikkelde wereld van Byzantijnen, Egyptenaren, Ethiopiërs en Perzen. In vergelijking daarmee vindt hij zijn eigen land maar een achterlijk oord, een zandbak zonder enige beschaving.

Hij maakt kennis met de gedachtewereld van Zarathoestra, profeet der Perzen, met Jezus, de messias van de christenen en met Mozes, leidsman van de Joden. Al hun leringen en kennis, vermaningen en leefregels zijn vastgelegd in boeken. Zo’n boek zou er ook moeten komen voor zijn eigen land, waar slaven nog als vee en vrouwen als bezit worden beschouwd en waar nog goden van steen worden vereerd.

Ook in dit laatste ziet Mohammad een wereld van verschil, die bij hem gevoelens van minderwaardigheid en afgunst oproept. Die beschaafde volkeren beschikken niet alleen over één boek, maar ook over één God. Daarom is Mohammad vastbesloten om, weer terug in Mekka, grote opruiming te houden onder alle afgoden die in de Kaabé in Mekka worden aanbeden, om deze tempel te wijden aan die ene God, die Mohammad Allah noemt: Hij die Eén is.

En zo wordt de ‘stille jongen met het lange, zwarte haar en diepbruine ogen’ een profeet die, aanvankelijk met gering succes, zijn geloof in die ene God eerst wat timide maar al snel luidkeels verkondigt tijdens de vrijdagmarkt op het plein voor de Kaabé, waar de inwoners van Mekka wekelijks hun afgoden offers komen brengen.

De lange, en op den duur ook gewelddadige weg naar het uiteindelijke succes – de Koran als basis voor een nieuwe wereldreligie en een machtige islamitische staat, met de Kaabé, de granieten kubus in Mekka als ‘huis van Allah’ en het middelpunt der aarde – staat beschreven in De boodschapper. Als verteller voert Kader Abdolah Zeeëd op (zijn naam wordt doorgaans als ‘Zaid’ geschreven), een jonge slaaf, die door Mohammad als zoon wordt aangenomen. Hij groeit uit tot trouwe rechterhand en vertrouweling van de profeet, en zal hem tot aan zijn dood als een schaduw blijven begeleiden.

Zeeëd is de secretaris die de soera’s – de door Allah als openbaringen aan Mohammad doorgegeven boodschappen – voor de nauwelijks geletterde profeet op schrift stelt, en ze bundelt na diens dood tot wat we nu kennen als de Koran. In De boodschapper is Zeeëd echter vooral de verteller, degene die het leven van Mohammad beschrijft. Hij doet dat in de ik-vorm, zij het niet naar eigen inzichten. Aan de hand van verhalen van ooggetuigen reconstrueert hij het leven van ‘de boodschapper’ tot een caleidoscopische beeld, waarin plaats is voor de sterk uiteenlopende visies van Mohammads familie, zijn vrouwen, vrienden en volgelingen, maar ook voor die van zijn vijanden en tegenstrevers.

Het opmerkelijke is, dat Zeeëd, die de profeet toch het meest van nabij heeft meegemaakt, zichzelf van commentaar onthoudt. Het oordelen laat hij over aan zijn gesprekspartners. Is deze terughoudendheid ingegeven door toewijding en bescheidenheid? Of is het feit dat Kader Abdolah zozeer in de huid van de Mohammads kroniekschrijver is gekropen dat hij diens spreekbuis is geworden, de oorzaak? De echte Zeeëd heeft immers geen geromantiseerde biografie van de profeet geschreven. Dat deed Abdolah.

Met zijn vertelling en vertaling heeft hij een magnum opus geschapen. Een meesterwerk dat, dankzij de verbeeldingskracht die eraan ten grondslag ligt, de luchtige toets die in de vertellingen wordt aangeslagen, de bedwelmende taal ervan en de onmiskenbaar Oosterse sfeer die het oproept, een regelrechte verrijking is voor de Nederlandse literatuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.