'De koekoek kijkt je aan alsof je hem hebt betrapt'

Best leep: je eieren door anderen laten uitbroeden, je jongen door anderen laten verzorgen. En toch heeft de koekoek het moeilijk, ziet onderzoeker Raymond Klaassen. Hij is misschien wel te star.

`Hoe overleeft de koekoek, als alles genetisch is vastgelegd? Of kunnen ze zich toch aanpassen?'Beeld Sijmen Hendriks

'Je hoort hem wel, maar je ziet hem zelden. De koekoek is een heimelijk beest, en hij is maar kort hier. Vanaf begin mei komen ze aan, de meeste volwassen vogels zijn half juni alweer weg. Het is een broedparasiet, de enige broedparasiet onder vogels in Nederland. Ze paren hier, het vrouwtje legt haar eieren en dan is het klaar. De broedzorg laat ze aan de waardvogels over, graspiepers en karekieten vooral, maar ook heggenmussen en roodstaarten. Hij legt zijn eieren vooral bij insecteneters met open nestkommen. De allerkleinste vogelsoorten laat hij met rust.

'Ze zijn gespecialiseerd in het zoeken van die nesten, de vrouwtjes volgen vanuit dode bomen en struiken de bewegingen van de potentiële waardvogels. Als er zes eieren in het nest van een heggenmus liggen, eten ze er één op, en leggen er een eigen ei bij, het totaal blijft zo zes. Zo doen ze dat bij heel veel nesten. Het vrouwtje is in staat om wel dertig eieren leggen. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom het een interessante tactiek is: je kunt als individu heel veel nakomelingen krijgen.

De koekoek

(Cuculus canorus)

Algemeen
Familie: koekoeken. Broedparasiet. Heet naar de territoriumroep van het mannetje.

Afmetingen
Zo groot als een houtduif. Wordt in de vlucht wel verward met een sperwer.

Leefgebied
Vooral in relatief open gebieden met uitkijkposten.

Status
Staat als 'kwetsbaar' op de Nederlandse rode lijst. Loopt terug in aantallen in heel West- en Centraal Europa. Vermoedelijke oorzaken: klimaatverandering, achteruitgang van waardvogels en minder voedsel.

Voeding
Insecteneter, gespecialiseerd op grote rupsen.

Race

'Hun eieren zijn aangepast aan de eieren van de waardvogel die ze parasiteren. Is de waardvogel een graspieper, dan lijkt het ei op dat van een graspieper. Dat gaat niet altijd goed. Die graspieper maakt steeds beter het onderscheid tussen haar eigen eieren en die van de koekoek. Is de imitatie niet goed, dan gooit ze het koekoeksei er uit. Er is in feite sprake van een race.

'De koekoekseieren komen snel uit, tegelijkertijd of net voor die van de heggenmus of de graspieper. Het jonge koekoekje komt er uit en flikkert dan direct de andere eieren uit het nest. Als er al kleine jongen in het nest zitten dan gooit hij die ook overboord. Hij heeft zijn ogen dan nog dicht, maar hij heeft een gevoelige plek op zijn rug, als hij daarmee iets voelt gaat hij rollen totdat er niets meer tegen dat plekje aankomt.

'De koekoek blijft dus alleen over. Hij gaat dan flink roepen om die ouders tot voederen te bewegen, dat klinkt een beetje meerstemmig, alsof het hele nest vol zit met jongen. Hij heeft een opvallend grote bek. Als die opengaat is dat een enorme oranje vlakte, zo groot als een heel nest met jongen. De waardvogels voederen in ieder geval flink door en het koekoeksjong groeit snel. En dan krijg je uiteindelijk de rare situatie dat zo'n groot koekoeksjong gevoerd wordt door kleine heggenmusjes.

'De koekoek is voor ons interessant omdat hij door vreemde ouders wordt opgevoed. Als hij dan toch naar Afrika trekt, anders dan bijvoorbeeld de heggenmus, dan weet je eigenlijk al dat het gedrag in de genen zit. Zo'n jonge koekoek vliegt in zijn eentje helemaal naar Afrika, en dan komt hij hier terug en vindt hij het geluid van een vrouwtjeskoekoek razend interessant. Hij weet waarop hij af moet gaan.

'Ik werkte in 2010 aan de universiteit van Lund, in Zweden. We volgden daar roofvogels met zenders, maar we wilden ook graag meer weten over zangvogels. Dat werd mogelijk toen er een zender was ontwikkeld die nog maar vijf gram woog. We dachten direct aan de koekoek, als grote zangvogel. We leerden mannetjes vangen door ze te lokken met het geluid van vrouwtjes. Zo lukt het ons om ze te zenderen.

Inwendige tomtom

'De Deense en Zweedse koekoeken bleken een complexe route te volgen naar Afrika, via Oost-Europa, door naar het zuiden van Europa, dan naar de Sahel, dan door naar het regenwoud, en dan via een even complexe route weer terug. Dat vonden wij al opvallend. Nog opvallender was dat al die individuen die 's nachts alleen vlogen enorm dichtbij elkaar bleven. Bij veel roofvogels zie je dat ze uitwaaieren, of hun route aanpassen, door weersinvloeden bijvoorbeeld. Dat gebeurde bij de koekoeken niet. Ik vond het eng om te zien dat de route van het ene individu precies leek op de route van het andere individu. Dat sterkte ons in de gedachte dat ze een inwendige tomtom hebben, dat de coördinaten van de route zijn vastgelegd in de genen. Uit Engels onderzoek bleek later ook dat koekoeken hardnekkig dezelfde route blijven volgen, ook al is de habitat onderweg niet meer geschikt. We hebben nu een manier gevonden om ook jonge koekoeken, die nooit iets geleerd kunnen hebben, te zenderen. Zij gaan ons vertellen hoe het werkelijk zit.

'Uiteindelijk komen we zo ook uit bij de vrouwtjes, die bijna niet te vangen zijn. Zij zijn gespecialiseerd op een waardvogel. De een legt heggenmuseieren, de ander graspiepereieren. Het zijn eigenlijk verschillende rassen koekoeken. Alleen: de mannetjes paren met alle soorten koekoeken. Zij houden de koekoek als soort bij elkaar.

Beeld ANP

'Je zou zeggen: als ze dertig eieren legt, en geen energie kwijt is aan broedzorg, dan zouden we nu moeten omkomen in de koekoeken. Maar het tegendeel is waar. De overleving van jongen is slecht. Ik denk dat het gebrek aan flexibiliteit, vanwege die genetische component, ook een oorzaak is. Als koekoek ben je afhankelijk van je waardvogel. Als heggenmussen eerder gaan broeden vanwege de klimaatverandering, dan kun je als koekoek zomaar te laat zijn. Als het slecht gaat met de waardvogels zit je ook met een probleem. Hoe overleeft de koekoek, als alles genetisch is vastgelegd? Of kunnen ze zich toch aanpassen?

'Het is eigenlijk jammer dat je ze zelden ziet. Het valt me elke keer weer op, als ik er een in mijn hand heb: het zijn supermooie beesten. Al zien ze er niet heel sympathiek uit. Geniepig is een groot woord, maar ze kijken je wel aan alsof je ze hebt betrapt.'

Raymond Klaassen (37) is trekvogelonderzoeker. Hij werkt bij de Werkgroep Grauwe Kiekendief en is verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden