De klompendans voorbij

Lange tijd heeft rond de volkskunde een troebele sfeer gehangen. De eenvoud van het boerenleven, de betekenis van sprookjes, de zuiverheid van de volksziel - dat waren de onderwerpen....

VOLKSKUNDE staat in een slechte reuk. Volgens sommigen stinkt ze zelfs.

In Nederland hebben ten minste drie factoren aan die bedenkelijke situatie bijgedragen. Allereerst is er het wurgende imago van een hoge graad van onbenulligheid. Eigenlijk zou volkskunde niet meer zijn dan een soort 'boerenkunde', zonder enige interesse voor hart en ziel van het landvolk: het gaat alleen maar om klederdracht, klompendans en klisteerspuit.

Verder is die aandoenlijke onschuld in de vakbeoefening slechts gevaarlijke schijn. De volkskunde wordt immers beheerst door het geloof in een zuivere volksziel, nog te ontwaren in woord en gebaar van simpele plattelanders. Die doen weliswaar onbeschaafd aan, maar hun warsheid van stadse fratsen plaatst hen ten slotte op een moreel hoger plan.

De verbinding van zo'n specifieke volkscultuur met de staat heeft vervolgens tot veel bloed-en-bodemellende geleid, die nog voorttiert op de Balkan. Daar trouwen politieke leiders in klederdracht om zo een volkseigen te propageren dat per definitie superioriteitsgevoelens genereert. Uitgerekend de internationaal vermaarde volkskundige Jan de Vries heeft zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig gecompromitteerd, hetgeen nadien tot een langdurig schrijfverbod leidde.

Ten slotte is het hele vak nog eens dodelijk geridiculiseerd in de succesvolle romanreeks Het Bureau van J.J. Voskuil, een van de meest vooraanstaande volkskundigen uit de naoorlogse jaren.

Deze bijna kansloze uitgangspositie blijkt een kolfje naar de hand van een nieuwe generatie volkskundigen. Met een aanstekelijk elan hebben ze de laatste jaren de volkskunde een fundamenteel nieuw gezicht gegeven. In een vernieuwd P.J. Meertens Instituut (Voskuils 'Bureau') is een aantal originele onderzoeksprojecten opgezet .

Een eerste samenvattende blijk daarvan wordt gegeven in de handleiding Volkscultuur, geredigeerd en voor een belangrijk deel geschreven door nieuwe vooraanstaande onderzoekers in wat nu (Nederlandse) etnologie moet heten: Ton Dekker, Herman Roodenburg en Gerard Rooijakkers. Na een korte inleiding volgen zeven substantiële stukken, waaraan ook enkele andere auteurs meewerkten.

Terecht gaat er in twee hoofdstukken brede aandacht uit naar de vakgeschiedenis, vernieuwingen, methodologie en theorie; dat alles zorgvuldig in internationaal verband. De vijf overige bijdragen hebben een thematische opzet en geven demonstraties van het nieuwe onderzoek naar materiële cultuur, feesten en rituelen, religieuze volkscultuur, vertelcultuur en zangcultuur.

De meer abstracte stukken van Dekker en Roodenburg over de vakideologie in heden, verleden en toekomst zijn helder, overtuigend en uitstekend gedocumenteerd. Nergens aarzelen zij om korte metten te maken met de ouderwetse volkskunde, zij het voortdurend met begrip en respect voor de tijdgebonden opvattingen van weleer.

Lange tijd is de volkskunde beheerst door de gedachte dat in allerijl de laatste sporen van een zuivere volkscultuur op het platteland bijeengesprokkeld moesten worden, teneinde op het nippertje nog te kunnen vaststellen hoe en wat 'wij' ooit in voorchristelijke tijden werkelijk geweest waren: een noest volk van sober levende boeren en vissers. Vandaar de jacht op veronderstelde relicten als merklap en sprookje, vendelzwaaien en skûtsjesilen - allemaal bouwstenen voor het reconstrueren van deze superieure oervorm van de nationale samenleving.

Dergelijke premissen over zuiverheid, eenvoud en volksziel vertroebelden vervolgens de observaties. Men zocht en vond bijgevolg uitsluitend bevestigingen daarvan.

Rooijakkers geeft een fraai voorbeeld van deze romantiserende volkskunde aan de hand van de alom heersende zekerheid, dat boeren vroeger (altijd 'vroeger') uitsluitend eikenhouten meubilair zouden hebben, tegenover de minderwaardige massafabricaten in de stad. Maar het plattelandsmeubilair bestond in hoge mate uit zachthouten, zeer vergankelijke en snel wormstekige rommel. Die is snel verdwenen, werd niet bewaard en beantwoordde allerminst aan wat de elite als overblijfselen van een oeroude volkscultuur wenste te zien. Daarvoor kwam alleen het zeldzame en esthetisch hooggewaardeerde hardhout in aanmerking, zodat we nu vastzitten aan een eikenhouten image van simpele boeren.

Zo ging het ook met de optekeningen van sprookjes en volksliederen vanaf de achttiende eeuw. De zegslieden en zangers, later ook op de band, gedroegen zich zelden normaal, maar modelleerden hun optreden naar de veronderstelde wensen van de geleerde heren. Daarbij moesten ze ook nog de natuurlijke stimulansen uit de interactie met hun vertrouwde publiek missen, waardoor de verhalen en liederen per optreden andere wendingen en accenten konden krijgen.

Vonden de geleerden het materiaal nog te rauw en te ruw, dan ontwierpen ze een eigen literaire volkstoon. Zo ging Wilhelm Grimm te werk, overigens met de beste bedoelingen. Hij bracht in al die warrige teksten de gewenste zuiverheid terug die het volk bedoeld moest hebben en die tevens het meest beantwoordde aan de eisen tot lering en vermaak zoals die onder zijn elitaire publiek leefden.

Volkscultuur is dus een creatieve constructie met wetenschappelijke pretenties, soms vertederend, maar beter te karakteriseren als een slecht beheerd kruitvat dat voortdurend aanleiding heeft gegeven (en geeft) tot rampzalige explosies. In dat verband vestigt de bundel herhaaldelijk de aandacht op het folkloriseren, in de zin van het uitvinden en exploreren van zogenaamd eeuwenoude volkstradities.

Het beruchtste voorbeeld is de assemblage in de eerste helft van de twintigste eeuw van een Germaanse volksaard, terug te voeren naar voorchristelijke tijden op gezag van niemand minder dan Tacitus. Die sprak immers over een woudvolk, dat zijn eigen aard strikt bewaard had door zich niet te (laten) vermengen met andere volkeren. Bewijs daarvoor zouden de nog steeds blauwe ogen en blonde haren zijn. Maar deze in permanente strijd bewaarde zuiverheid had allereerst een onvervalste dapperheid voortgebracht en een hoogstaande moraal. En daarvan zouden tal van relicten in de moderne tijd nog direct getuigen.

Dergelijk folkloriseren vindt nog steeds en zelfs in toenemende mate plaats in de moderne samenleving, nu op instigatie van commercie, plaatselijke VVV's en gemeentebesturen. Daarbij wordt ingehaakt op de sterk groeiende behoefte aan (feestelijke) rituelen, identiteit en zingeving in een sterk ont ideologiserende samenleving.

Dit verschijnsel werd nog door een vorige generatie volkskundigen met de grootste afschuw bejegend: het ging hun immers alleen om de échte volkscultuur. Voskuil toonde zich een fervent aanhanger daarvan, toen hij woedend bezwaar aantekende tegen de verzonnen oeroude traditie van het midwinterhoornblazen in het oosten van het land. Terecht stelde hij vast dat hier sprake was van louter pseudo-folklore, gecreëerd gedurende het interbellum uit enkele dubieuze relicten.

Voskuil rekende het bovendien tot zijn taak deze blazende oplichters te ontmaskeren en hun verwijzingen naar Germaanse oerriten te demythologiseren. Dat laatste behoort beslist niet meer tot de opgaven van de nieuwe volkskunde. Zulke folkloriseringen horen juist ook onderwerp van onderzoek te zijn. Daarvan geeft Rooijakkers een mooie demonstratie in de bierreclame. Die wordt beheerst door suggesties van ambachtelijkheid en regionalisme, gedrapeerd met archaïserende woorden en beelden van aandoenlijk ouderwetse paarden. Maar hiermee probeert men bier te slijten dat volgens de modernste methoden in industriële massaproductie vervaardigd is.

De moderne volkskunde krijgt in de bundel een aantrekkelijk, zelfs uitdagend nieuw gezicht. Er wordt niet meer gewroet naar onafgebroken tradities, oervormen of uitingen van de volksziel. De vakbeoefening is fundamenteel gehistoriseerd en gesociologiseerd, waarbij niet langer het voorwerp centraal staat, maar de handelende mens. Dorsvlegel en staartklok hebben het afgelegd tegen feesten en rituelen van het dagelijkse leven.

Gewone mensen, van platteland en stad, consumeren niet klakkeloos wat hun wordt aangereikt, maar eigenen zich alles toe onder het aanbrengen van noodzakelijk geachte wijzigingen en adequate zingevingen. Op die manier ontwikkelen ze een eigen habitus. Van passieve consumptie door de massa kan geen sprake meer zijn.

In samenhang daarmee is ook het onderzoeksterrein aanzienlijk uitgebreid. Modetrends (inclusief confectie) verschijnen naast de klederdracht, de stad voegt zich nadrukkelijk naast het platteland. De musicoloog Louis Grijp wijst een dergelijke objectverbreding aan in de nieuwe aandacht voor arbeidsvitaminen in de fabriekshal, muzak in de supermarkt, schlagers, tophits en zelfs bepaalde klassieke muziek die ook de massa gevonden heeft, zoals Verdi's Slavenkoor.

Naast het sprookje zijn moppen en stadssagen verschenen. Het onderzoek naar de laatste, ook wel bekend als 'broodje-aap-verhalen', biedt - naar Theo Meder en Eric Venbrux aanvoeren - sterke voorbeelden van de rol van orale cultuur in de moderne samenleving.

Er wordt vorm gegeven aan eigentijdse frustraties, angsten en vooroordelen, die vervolgens worden bezworen en afgereageerd in zeer stellig gebrachte feiten, zogenaamd verzwegen door de autoriteiten. Philips heeft allang de eeuwige gloeilamp uitgevonden, maar houdt dat om begrijpelijke redenen geheim. Massief eikenhouten meubelen van Oisterwijk bestaan in feite uit beton met een laagje fineer. Coca-Cola kan roest doen oplossen of het reliëf van een stuiver uitwissen.

Kenmerkend voor deze even angstaanjagende als vermakelijke doorvertelcultuur zijn de niet te achterhalen oorsprong en de voortdurende variaties: over die stuiver in de cola staat niets in het boek, maar die variant heb ik zelf horen vertellen.

De tegenkant van deze verruimingen in object en methode bestaat uit een navenante vervaging van het vak als zodanig. Eigenlijk wil men nu alles onderzoeken wat zich in het dagelijkse leven en de massacultuur afspeelt. Maar dat doen sociologie, geschiedenis, literatuurwetenschap en de geesteswetenschappen in het algemeen ook, zeker sinds de jaren zeventig met alle aandacht voor triviaalliteratuur, popmuziek en volkstoneel. Over een zinvolle afbakening van wat nu het specifieke terrein van de Nederlandse etnologie moet heten, valt nog heel wat te bediscussiëren, zeker als daarbij ook de noodzaak van zo'n ruime discipline in het geding komt.

Zeker niet de minste verdienste van de bundel is het voortdurend uitlokken van tegenwerpingen, want alleen zo kan men verder komen. Of maakt Rooijakkers alleen maar een onbeheerste schuiver als hij zomaar uitbundige Brabantse begrafenismalen verbindt met overeenkomstige gebruiken onder indianen? Steeds is ons voorgehouden dat de moderne volkskunde demythologiseert en allerminst uit is op geheimzinnige oerverbanden van mythische aard op jungiaanse basis. Wat moeten die Brabanders dan ineens met die indianen?

Zou het niet veel nuttiger zijn deze hang naar status door royaal uit te delen te plaatsen in Europese tradities? En al behoren veel 'tradities' tot het nostalgische maakgoed van de moderne tijd, er zijn er toch ook wel degelijk aan te wijzen met een langere adem. Middeleeuwse adel putte zich uit in kwistig uitdelen en banketteren, tot aan de armoedegrens toe, om zo respect af te dwingen en status te creëren. Zulke vrijwel verplichte vrijgevigheid in de hoogste kringen is in later eeuwen overgenomen door het stedelijke patriciaat en valt nu nog te herkennen in de gulle vieringen van zilveren en gouden bruiloften, zoals Rooijakkers zelf weer aanvoert: de sociale druk van familie en buurt om breed uit te pakken is niet zelden hevig.

Meer gevoel voor die zo gewantrouwde traditie lijkt ook op zijn plaats bij het bespreken van de gretigheid waarmee de moderne kerk poogt wereldse manifestaties op bijna slinkse wijze te ritualiseren binnen het eigen domein. Daardoor kan de kerk zich weer opwerpen als bindmiddel voor een gemeenschapsgevoel dat verloren is gegaan in de traditionele vieringen.

Een mooi voorbeeld is de carnavalsmis, waarbij de parochianen verkleed ter kerke gaan en de blaaskapellen niet ontbreken. Nog maar een generatie eerder werd juist tijdens het carnaval in diezelfde kerk het zogeheten veertig-urengebed gehouden, als rituele compensatie voor de op dat moment begane zonden.

Een dergelijk verschijnsel is echter zeker niet gebonden aan kerkelijke strategieën van deze tijd. Eigenlijk staat de hele kerkgeschiedenis in het teken van kersteningsoffensieven die geen enkel profaan middel lijken te schuwen. Zo is men in de Middeleeuwen toneel gaan spelen op het altaar, niet als eigen vondst maar als annexatie van een niet te onderdrukken volksvermaak, dat vervolgens ook allerlei voordelen bleek te hebben voor een verlevendiging van de liturgie en bovendien de belofte inhield dat de massa nu met haar eigen middelen beter bereikt kon worden. En wat te denken van de 'beatmis' uit de jaren zestig om jongeren vast te houden of zelfs weer binnen te lokken?

Hierbij gaat het niet om hetzelfde, maar om veelzeggende verwantschappen langs lange lijnen van culturele tradities in Europa. Het verkennen van zulke tradities wordt door de moderne volkskunde toch niet verward met het vroeger verafschuwde scheppen daarvan?

Verheugend is de sterke hang naar feiten, bewijsbaarheid, historische documentatie en contextualisering. Maar uiteindelijk gaat het om de verklaringen. Daarvoor toont de bundel een gezonde huiver, die echter als bezwaar heeft dat intrigerende verschijnselen wel erg in de lucht blijven hangen.

Zo is de fundamentele twijfel aan de alom aangenomen hoge ouderdom van sprookjes verfrissend. Verreweg de meeste gaan niet verder terug dan de zeventiende eeuw, met incidentele reminiscenties in de klassieke mythologie en de middeleeuwse verhaalkunst. Maar is daarmee de kous af? Wat doet de etnologie dan met een fundamenteel essay als 'Sporen' van de cultuurhistoricus Carlo Ginzburg? Die typeert sprookjes als gestolde emoties uit een vroege plattelandscultuur, gegoten in een simpel over te dragen verhaalvorm en bedoeld ter lering en waarschuwing van het nageslacht. Zo moest men overleven in een orale cultuur. Zijn zulke verklaringen voor deze stereotiepe vertelstof onbruikbare onzin voor de moderne volkskunde? Maar wat moeten we dan met al die nieuwe en interessante observaties?

Het werk wil geen handboek zijn en ook geen naslagwerk, maar eerder een handleiding voor een nieuwe plaatsbepaling van het vak. Ondanks wat herhalingen, hier en daar nodeloze geleerddoenerij en soms vermoeiende opsommingen van (te) veel namen en titels is men daarin uitstekend geslaagd. Bewonderenswaardig in deze even overtuigende als uitdagende introductie in de nieuwe volkskunde is bovendien dat er toch een duidelijke continuïteit in de vakbeoefening gepresenteerd wordt, hoezeer veel van het oude om besliste afbraak vroeg.

Misschien komt dat nog het duidelijkst naarvoren in de aarzelingen bij het hanteren van de nieuwe vaknaam: etnologie. Daarmee kan elke negatieve associatie met de term 'volkskunde' worden uitgewist. Maar voortdurend blijft men - al dan niet bewust - teruggrijpen op vertrouwde termen als volkskunde en volkscultuur. Ook dat siert deze moderne etnologen, die zo nadrukkelijk historisering in hun vaandel hebben geplaatst.

Even treffend is het respect voor de befaamde volkskundigen van weleer. Misschien realiseerden de auteurs zich dat noodzakelijke vernieuwingen van een discipline het meest gebaat zijn bij een Voskuil. En die verdient dan een bijzondere behandeling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden