De kleur van fris water

Hij wordt zelfs bezongen in de 'Dreigroschenoper' van Bertolt Brecht, de oerwet voor elke theatervoorstelling: 'En men ziet die in het licht, die in het donker ziet men niet.' Maar tussen licht en donker zit een scala van mogelijkheden waarmee de onzichtbare hand van de belichter het oog van de...

Peter Struycken (62), ontwerper van theaterlicht, lichtsculpturen en licht in architectuur.

'Ik heb maar een keer of zes theaterbelichting ontworpen en weet weinig van de technische aspecten van lampen. Als ik een bepaalde lichtopbrengst wil, of een effect, moet ik aan een technicus vragen welke lamp ik dan het beste kan nemen, want dat is een vak apart. Maar ik ben buitengewoon nauwkeurig en heb daardoor bij de technische staf van de Toneelschuur voor nogal wat hilariteit en ongeloof gezorgd, omdat ik met een luxmeter ging vaststellen of het licht wel goed was. Zo'n luxmeter meet de lichtintensiteit.

Gebruikelijk is om met je hand als een ziener vooruit gestoken over de bühne te lopen, om te kijken of het licht wel ongeveer goed is. Terwijl ik zei; hier wil ik honderd lux.

Want ik wou graag een nauwkeurige afweging van de wisselwerking tussen de oppervlakte-kleur van het decor en de lichtkleur waarmee dat werd aangelicht. De veranderingen aan kleur van kleding en van het decor zijn, als je die afweging niet maakt, zo verschrikkelijk groot. Maar blijkbaar is in dat opzicht het toneel weinig kritisch. Als er een rood vlak moet zijn dan wordt zo'n kleurstaal wel even in het licht gehouden, maar dat een verlichting daar op wordt afgestemd, zodat dat rood precies op die manier verschijnt als je het hebben wilt, daar is meestal geen tijd en geen interesse voor. Dat is net een graad van verfijning te ver.

Naast het theater heb ik nog het meest in architectuur met licht gewerkt. De lichtkunstwerken in de nieuwbouw van het ministerie van Verkeer en Waterstaat; de procesmatig veranderende plafondverlichting van het Muziektheater in Amsterdam; de arcade voor het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam - dat waren grote projecten.

Toen ik nog eens door die galerij heen en weer liep, merkte ik iets op dat ik aanvankelijk niet begreep. Die arcade bestaat uit een doorlopende reeks portalen en ieder portaal wordt éénkleurig aangelicht. Er zijn met de eenvoudige schakeltechniek die daar is gebruikt, zeven kleuren mogelijk. Als ik in een portaal stond dat op een gegeven moment blauw was, dan waren alle kleuren die sterk van blauw verschilden, dus geel en rood, ongelooflijk sterk gekleurd. Binnen tien seconden was de indruk van de intensiteit van dat blauw enorm teruggelopen, maar afwijkende kleuren die ik in de verte zag, die namen enorm toe. En stapte ik uit dat blauwe portaal in een volgend portaal wat bijvoorbeeld groen was, dan paste mijn oog zich weer aan die kleur aan en vervolgens zag ik alle kleuren die daar van afweken weer ongelooflijk sterk.

Later ontdekte ik dat dat komt omdat je hoofd, van de kleur waarin je je bevindt, daglicht probeert te maken. Blijkbaar willen we licht graag zoveel mogelijk interpreteren als daglicht. Dat soort waarnemingen zijn voor mij altijd een aanleiding om er een volgende keer gebruik van te maken.

Om licht daadwerkelijk als materiaal te gaan gebruiken, kwam als een logische stap uit mijn vroege film- en tekeningenreeksen voort. Maar mijn echte werk met licht is pas gekomen toen ik het ook daadwerkelijk kon maken op een kleurenmonitor halverwege de jaren zeventig. Toen heeft zich dat bliksemsnel ontwikkeld.

Iedere kleur op een beeldscherm ontstaat altijd weer door rode pixels, groene pixels en blauwe pixels met elkaar te mengen. Er is niks anders. Voor mij was het heel vanzelfsprekend, ook omdat ik veel ervaring heb met het mengen van verf, dat ik lichtkleuren ging maken door die basislichtkleuren te mengen. In het theater is dat veel minder normaal omdat bij gewone lampen de lichtopbrengst van een dergelijke toepassing erg gering is.

Overigens maakten de Griekse filosofen überhaupt geen onderscheid tussen verfkleur en lichtkleur. Maar goed.

In 1992 gebruikte ik bijvoorbeeld bij de dansvoorstelling Set Go van Karin Post, een speciaal ontwikkelde lichtbalk met rode, groene en blauwe lampen die via een computerprogramma van kleur veranderden. Door die lampen in wisselwerking met elkaar te dimmen ontstond een heel breed spectrum aan kleuren.

Bij mijn overzichtstentoonstelling in het Groninger museum in '99 heb ik die balk ook opgesteld maar dan als autonoom werk. Wat ik in theater natuurlijk bovenin had hangen en naar beneden liet schijnen, had ik hier op de grond gelegd en liet ik naar boven schijnen.

Ik maak bij mijn lichtontwerpen vaak gebruik van het verschijnsel dat je geleidelijke lichtveranderingen niet kunt zien. Dat had ik in het dagelijks leven opgemerkt. Wanneer de avond valt, kun je, hoe goed je ook oplet, het veranderen van het licht niet zien. Je ziet alleen dat er wat veranderd is. Eerst is de dakgoot nog lichter dan de lucht en plotseling is ie donkerder en weer een moment later is er nog een ander contrast wat ineens optreedt. Maar de overgangen zelf kun je niet zien.

Waarschijnlijk heeft dat met onze overleving te maken. Want als we werkelijk alle kleurveranderingen die er voortdurend zijn ook zouden zien, dan zouden we stapelgek worden.

We hebben ook, en dat is iets wat daarbij hoort, een heel slecht geheugen voor kleur. In een proces waarin kleuren veranderen kun je absoluut niet onthouden hoe een situatie eerst was. Zo goed als je muziek kunt onthouden, een melodie, of een verandering in klank, zo slecht kun je dat bij kleurveranderingen.

Dat intrigeert me heel erg aan kleur. Dat het niet grijpbaar is. Kleur is in beginsel en naar haar wezen volstrekt instabiel. Het verandert voortdurend onder invloed van het veranderende licht. In feite onttrekt het zich iedere keer weer aan iedere beheersing.

Ik heb nu eindelijk dat mysterie rond de kleurmengsels van de Grieken ontraadseld. Wat blijkt, is dat bij de Griekse filosofen bijvoorbeeld zonnewarmte als kleur wordt geïnterpreteerd. In de tekst Over de kleuren van Aristoteles staat namelijk dat als je de aarde om de wortels van een plant weghaalt de zon zorgt dat de wortels groen worden. Toen dacht ik: dat is het! Die wortels zijn wit als ze niet door de zon beschenen worden. En de verbinding van rood en de zon is een heel gebruikelijke in de teksten van de oude filosofen.

Als Democritus dan zegt; rood levert, met wit gemengd, bijna zuiver geelgroen, wordt dat mengsel ineens duidelijk. Want als de filosofen rood schrijven dan moet je dat dus lezen als warmte. En als zij over groen schrijven in bepaalde kleurmengsels, moet je dat lezen als water. Chlooros, het woord voor geelgroen, betekent soms fris water.

Sommige kleurnamen moeten dus worden geïnterpreteerd als natuurverschijnselen en niet letterlijk als kleuren. Het is heel leuk dat de denkbeelden van Democritus en Plato over kleur nu toegankelijk zijn geworden en dat hun kleurraadsels, die voor absoluut onoplosbaar golden, tot op de dag van vandaag, nu zijn opgelost. En dat zal, hoop ik, nog wel enige commotie geven.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.