De kleine wereld van de visser

Vissers zeggen vaak dat vangstbeperking onnodig is, omdat er zat vis zit in zee. Dat zien ze immers zelf. Maar daarbij gaan ze voorbij aan de lange termijn, stelt een Twentse promovendus....

VOLGENDE WEEK treffen de Europese ministers van Visserij elkaar in Brussel om afspraken te maken over verdere vangstbeperkingen voor kabeljauw, tong, stokvis, schelvis en langoustines. De hoeveelheden daarvan zijn alarmerend laag. Vandaar.

Als het besluit op 18 december is genomen, zullen de vissers ongetwijfeld gefrustreerd reageren. Zij zien in vangstbeperkingen een bedreiging van hun broodwinning. De ministers echter, die de visstanden moeten beschermen, staan met hun rug tegen de muur.

'Die twee werelden staan ver van elkaar af', oordeelt bioloog dr. Wim van Densen. Hij promoveerde afgelopen woensdag aan de Universiteit Twente op een onderzoek naar trends in de veranderingen van de hoeveelheden vis.

Wereldwijd kampt de visserij met overbevissing. Toch slaagt de overheid er onvoldoende in vissers te overtuigen dat er maatregelen genomen moeten worden. Vissers en overheden hebben dan ook verschillende percepties van de ontwikkelingen. De overheid let op de lange-termijnontwikkeling, die drastisch kan afwijken van wat individuele vissers ervaren. Vissers kijken naar hun eigen vangst en leiden daaruit af of er voldoende vis is.

'Een visser weet één ding zeker: de hoeveelheid tong die hij in een uur vangt in de Noordzee. Als die groter is dan een jaar geleden, zegt deze visser dat het tongbestand is toegenomen en dat de quota weer omhoog kunnen', zegt Van Densen.

'Een typisch voorbeeld is de snoekbaars in het IJsselmeer', memoreert hij. 'De variatie in het aantal recruten - jonge aanwas - is heel groot, omdat de snoekbaars erg gevoelig is voor zomertemperatuur. Een hoge temperatuur betekent veel jonge snoekbaars.'

Omdat de temperatuurverschillen groot zijn, zijn er hoge fluctuaties in de vangsten van jaar op jaar. 'Die schommeling is kolossaal. Voor schol in de Noordzee is de variatiecoëfficiënt veel lager.'

Door die grote schommelingen wordt een neergaande trend pas na tien jaar zichtbaar in de afname van het visbestand en dus ook van de vangst, berekende Van Densen. De overheid zal geneigd zijn al eerder vangstbeperkingen in te voeren om de trend om te buigen.

Moet daarvoor een lichte of een zware maatregel worden genomen? Een draconische maatregel zoals een vangstverbod heeft als voordeel dat die direct effect sorteert. Maar die wordt doorgaans niet geslikt door de vissers. Zet de overheid kleine stapjes, dan laten die nooit een pregnant resultaat zien en zijn de vissers ook ontevreden.

Een lichte maatregel kan zijn dat de maaswijdte van de netten moet worden vergroot, zodat meer jonge vis blijft leven. Maar zo'n ingreep krijgt pas na drie jaar effect en dat ontgaat de vissers doorgaans. Ongeduldig omdat resultaat uitblijft, verwijten zij de overheid dat de ingreep geen soelaas biedt.

De overheid beschikt over een groter aantal waarnemingen over een langere periode dan de vissers. De individuele visser is gemiddeld vijftien tot twintig jaar op zee actief en dat bepaalt de tijdspanne waarop hij zijn oordeel baseert.

In zo'n kort tijdsbestek ontgaat de visser de lange-termijnontwikkeling. Het is bijvoorbeeld moeilijker het zicht te houden op de jaarlijkse variaties. Maar ook het naijlen van de effecten van het vergroten van de maaswijdte calculeert een visser niet zo snel in.

De Nederlandse vissers zijn bang dat Europa volgende week een zeer laag quotum voorschrijft, denkt Van Densen. 'Als het quotum maar hoger is dan vorig jaar, is het enige dat voor hen telt. Dat kan kortzichtig klinken, maar de vissers worden ook niet úitgenodigd om in grote lijnen te denken.'

Van Densen toont dit aan met het dit jaar verschenen Visserij Groenboek van de Europese Commissie. 'Daarin staan één pagina tekst en veertig pagina's grafieken. Vissers zijn niet dom, maar ze hebben geen kijk op statistieken. Ze hebben daar de opleiding niet voor gehad en ze hebben evenmin de tijd om zichzelf daarin te verdiepen.'

Toch zal de Europese Commissie de vissers moeten assisteren bij het lezen en interpreteren van grafieken, als het haar menens is om de vissers te betrekken bij het beheer van de Noordzeevisserij. Dan gaat het om essentiële informatie over de vangst, de vangstmethode, de omvang van het paaibestand en de vissterfte.

Van Densen, werkzaam bij het Rijksinstituut voor de Visserij in IJmuiden, neemt het voor de vissers op. 'Ik ben niet hun verdediger, maar er leven wel vooroordelen. Het grote publiek denkt dat de vissers allemaal heel goed weten hoe het zit. Dat is niet waar.

'De overheid zou veel meer aan co-management moeten doen. Ambtenaren moeten bijvoorbeeld de tijd nemen om eens samen met vissers te kijken naar hun vangstgegevens en dan uitleggen waarom de overheid er anders tegenaan kijkt. Misschien leren vissers dan ook anders te kijken naar quota.'

Van Densen vindt dat ook de vissers blaam treft, omdat zij de vangsten hebben opgevoerd met steeds grotere schepen. 'De Nederlandse vloot is de modernste van de wereld. Daarin ligt een groot deel van het probleem met de overbevissing. Zodra een visser verdient - ongeacht of hij in het noorden dan wel in het zuidelijk deel van de wereld woont - investeert hij in een groter net of een grotere boot. De zee oefent een mateloos grote aantrekkingskracht op hem uit en daar heeft hij veel voor over.'

De Europese Commissie wil dat alle betrokken partijen beter nadenken over de Noordzeevisserij. Zelf denkt de commissie na over een meerjarenbenadering. Van Densen juicht dit toe. 'Met afspraken voor vangsthoeveelheden voor drie tot vijf jaar kan ook beter worden ingespeeld op de trends, inclusief de variaties en onzekerheden, en op de risico's die men neemt met hoge en lage quota.'

Overbevissing doet zich in alle wateren voor, stelt Van Densen. Jarenlang onderzoek in het IJsselmeer, Sri Lanka en Indonesië leidde tot dat inzicht. 'Ook arme mensen kopen de goedkope, maar zeer efficiënte nylon kieuwnetten en kunnen daarmee de wateren overbevissen. De aanleg van een stuwmeer in Kameroen leidde ertoe dat veel mensen uit alle windrichtingen op dat meer afstormden.

'In het begin was er veel vis, omdat het meer - zoals ieder pas gebouwd stuwmeer - voedselrijk is, maar na een paar jaar kelderden de vangsten. Daarna nam de visserijdruk nog meer toe. Omdat iedere visser een minimale hoeveelheid vis per dag wilde blijven vangen, werden nog meer netten gekocht.'

Ook voor landen in het zuidelijk deel van de wereld is uit te rekenen met welke visvangst een redelijke visbestand overblijft. 'Als het om een kleiner water gaat, waar slechts enkele vissers van leven, dan valt er heel goed een afspraak te maken. Dan houdt men elkaar in de gaten en zo ontstaat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.'

Het probleem begint als het een grote, gemeenschappelijke visgrond betreft. 'We noemen dit ook wel de tragedy of the commons. Omdat zo'n water vrij toegankelijk is, voelt iedereen zich vrij er gebruik van te maken. Een boer die met rijstbouw stopt omdat zijn grond is uitgeput, koopt voor 25 gulden een net en gaat ook vissen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden