De kindermishandeling behandeld

Kinderarts Aarsen en maatschappelijk werker Janse presenteerden vorige week het rapport Kindermishandeling, een probleem voor het ziekenhuis. De nota geeft de ervaringen weer die zij opdeden in een uniek project van het Rotterdamse Sophia Kinderziekenhuis....

CORINE DE VRIES

'Ik moest van de huisarts naar u toe om te vragen waarom mijn zoontje zo vaak zijn botjes breekt.' Roland Aarsen, kinderarts met als aandachtsgebied kindermishandeling, kreeg een vrouw met haar kind op zijn spreekuur die hem deze vraag stelde. De huisarts wist niet wat hij aan moest met het jonge kind dat al diverse keren voor een fractuur was behandeld. Daarom stuurde hij de vrouw door naar het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam.

'Zo'n situatie is heel lastig: je kunt niet zomaar conclusies trekken', legt Aarsen uit. 'Het jochie blijkt heel druk te zijn. Ik vermoed dat de moeder dat niet aankan. Als ze daarbij wat hulp krijgt, zijn kind en moeder wellicht al een heel eind geholpen.'

Het Sophia Kinderziekenhuis heeft sinds drie jaar een speciaal project kindermishandelingen. Samen met maatschappelijk werker Charlotte Janse heeft Aarsen formatie-uren gekregen om zich te verdiepen in kindermishandeling en een centraal meldpunt te creëren in het ziekenhuis. Janse: 'Iedereen kan ons consulteren bij vermoedens van kindermishandeling. Artsen, verpleegkundigen, maar ook huisartsen of schoolartsen.'

Over hun bevindingen hebben Aarsen en Janse een rapport geschreven: Kindermishandeling, een probleem voor het ziekenhuis. Dat is vorige week aangeboden aan de Inspectie voor de Volksgezondheid en aan het ziekenhuisbestuur. De voortzetting van het project is voor volgend jaar gegarandeerd. Voor de periode daarna moet het ziekenhuis opnieuw prioriteiten afwegen, meldde de directie tijdens de presentatie van het rapport.

Het project is uniek in Nederland. In een aantal andere ziekenhuizen overwegen artsen om met een protocol kindermishandeling te gaan werken, maar nergens anders werkt een team van ziekenhuismedewerkers dat is gespecialiseerd in het onderwerp. In het Medisch Spectrum Twente is een werkgroep onder leiding van kinderarts A. Bosschaart bezig, aan de hand van de ervaringen in Rotterdam, een vergelijkbaar project kindermishandeling op te zetten.

Het project in het Sophia Kinderziekenhuis is ook opgezet om artsen alerter te maken op mishandeling, vertelt Aarsen. 'Het signaleren is heel moeilijk voor artsen. Ze willen de ouders niet ten onrechte beschuldigen. Vaak hebben artsen het gevoel dat ze eerst met bewijzen moeten komen. Dat is natuurlijk niet zo. In de meeste gevallen is het helemaal niet te bewijzen.

Aan het omgaan met kindermishandeling wordt in de opleiding van artsen veel te weinig aandacht besteed, zegt Aarsen. 'Zelfs in dit kinderziekenhuis wordt van een vijfjarige opleiding slechts twee uur besteed aan het onderwerp. Dat is absurd. Hoe ga je om met de ouders, maar ook met je eigen reactie, daar richt ons project zich eveneens op. Want je wordt er zelf ook boos om.'

Als er een gesprek wordt gevoerd met de ouders, is Janse of Aarsen er altijd bij aanwezig. Niet iedereen kan zo'n gesprek voeren. Janse: 'Het zijn natuurlijk erg moeilijke gesprekken. Durf je tegen de ouders je zorgen uit te spreken? En kun je het zonder ze te beschuldigen?' Wanneer het vermoeden lichamelijke mishandeling betreft, neemt Van Aarsen meestal het woord. 'Ik zeg dan: ''We hebben uw kindje heel zorgvuldig onderzocht. Er is met zijn lichaam niets mis, de verwonding moet dus zijn veroorzaakt door iets van buitenaf.'' De reactie van ouders op zo'n gesprek is ontzettend verschillend. Er zijn ouders die het ontkennen, anderen worden boos. Het komt ook voor dat ze de schuld bijvoorbeeld bij een buurvrouw zoeken, of ze reageren heel opgelucht omdat ze zich realiseren dat ze hulp nodig hebben.'

Janse: 'Een heel belangrijk uitgangspunt is - ook bij deze gesprekken met de ouders - dat wij er niet op uit zijn om uit te zoeken wie het gedaan heeft. Wij zijn geen politie. Ons doel is te begrijpen wat er is gebeurd, en erachter te komen of we het kind met een gerust hart weg kunnen laten gaan. In eerste instantie is onze zorg de veiligheid van het kind, en niet wie het gedaan heeft. Je moet er ook erg voor oppassen dat je geen verhoren afneemt.'

Dit soort scherp confronterende gesprekken voeren Janse en Aarsen niet wekelijks. Sinds het project kindermishandeling is opgezet, zijn er 204 meldingen binnengekomen. 'Daarvan was 10 tot 15 procent heel ernstig', schat Aarsen. 'In 28 gevallen maakten we ons echt zorgen over de veiligheid van het kind en hebben we de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld, 16 kinderen zijn vervolgens uit huis geplaatst.'

Hij vervolgt: 'De meeste gesprekken dienen om de gezinssituatie te analyseren. Je kijkt naar wat er misgaat in het gezin. Waar de last groter is dan de draagkracht. Op die manier probeer je een ingang te vinden om hulpverlening op gang te brengen, opdat het kind gespaard wordt. Soms vragen we de huisarts of de school om een oogje in het zeil te houden.'

Als de melding een vermoeden van emotionele verwaarlozing van een kind betreft, wordt meestal Janse ingeschakeld. Ze noemt als voorbeeld een driejarig jongetje dat verdwaasd over de afdeling liep. 'Hij keek mensen niet aan en kroop voortdurend onder de tafel. Zijn moeder schreeuwde tegen hem, ook als daar geen reden voor was.'

De verpleging regelde een gesprek tussen de moeder en Janse. 'Ze was heel achterdochtig, maar wilde uiteindelijk wel praten. Ze bleek flink in de problemen te zitten, had vaak ruzie met haar ex-man, waar het kind altijd bij was. Die moeder snakte naar ondersteuning van een maatschappelijk werker. Ook hebben we, in overleg met haar, besloten het kind in een medisch kinderdagverblijf te plaatsen. Want het jongetje zat door de stress onder het eczeem.'

Niet ieder kind dat wordt mishandeld, komt in een ziekenhuis terecht. Nederland beschikt over drie instanties waar vermoedens van kindermishandeling gemeld kunnen worden: de Buro's Vertrouwensartsen, de Raden voor de Kinderbescherming en de politie. Elke instelling heeft zijn eigen doel en werkwijze.

In 1991 uitte de Tweede Kamer de vrees dat door deze verzuiling sommige bedreigde kinderen geen goede hulp krijgen. Daarom werd het kabinet gevraagd voorstellen te doen voor één herkenbaar meldpunt kindermishandeling.

Sinds februari van dit jaar wordt hiermee geëxperimenteerd in drie regio's (Friesland, Drenthe en Amsterdam). Aan de hand van de ervaringen met deze modelprojecten zal de werkgroep Meldpunt Kindermishandeling in 1997 advies uitbrengen aan de Tweede Kamer. Het voornemen is om uiteindelijk per provincie één Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in te stellen.

Pedagoog Ien Jansen coördineert het meldpunt nieuwe stijl in Amsterdam. 'Het eerste doel is scheppen van duidelijkheid voor potentiële melders. En het meldpunt moet de effectiviteit en slagvaardigheid vergroten.'

Een belangrijk kenmerk van het Advies & Meldpunt is dat intensief wordt samengewerkt met de Raad voor de Kinderbescherming. 'Dat betekent absoluut niet dat bij elke melding justitiële actie wordt ondernomen. De verantwoordelijkheid van het meldpunt staat volstrekt los van die van de raad', zegt Jansen.

De openheid is groter. 'We proberen, met behoud van vertrouwelijkheid, in alle openheid onderzoek te doen', zegt Jansen. Ouders over wie gemeld is, worden ook sneller op de hoogte gesteld.

Dat wil niet zeggen dat melders niet langer anoniem kunnen blijven. Huisartsen, leraren en familieleden kunnen, als ze dat willen, nog steeds anoniem blijven, onderstreept Jansen. 'Alleen voor professionele hulpverleners zoals de Riagg en jeugdhulpverleners geldt dat hun identiteit meestal bekend wordt gemaakt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. Bijvoorbeeld de verwachting dat een kind nog ernstiger bedreigd wordt als je in de openbaarheid treedt. Dat moeten wij dan allemaal netjes motiveren in dossiers. Onze ervaring is dat deze nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. In 1995 hadden we in totaal 1350 meldingen. Het aantal meldingen is dit jaar met eenderde toegenomen.'

Het Sophia Kinderziekenhuis heeft inmiddels zoveel expertise in huis dat de medewerkers het Buro Vertrouwensarts steeds minder vaak hoeven in te schakelen. Kinderarts Aarsen verwacht dat hij vaker meldingen zal laten registreren als Rotterdam een regioneel Meld- en Adviespunt Kindermishandeling krijgt.

Hij herinnert zich een voorval met een vijfjarig jongetje dat hij begin dit jaar op consult kreeg. 'Het ventje was duidelijk seksueel misbruikt. Na een paar telefoontjes bleek dat de politie ermee bezig was, naast de Riagg, Buro VluchtelingenHulp, maatschappelijk werk van een ander ziekenhuis en er waren ook al meldingen binnengekomen bij het Buro Vertrouwensarts (BVA). Ik heb toen gevraagd aan het BVA om al die instanties te benaderen en ze hier in het ziekenhuis bijeen te roepen, zodat iedereen kon vertellen hoe hij of zij bij het gezin betrokken was. De politie was er nog niet eens van overtuigd dat er sprake was van seksueel misbruik, ik kon dat met honderd procent zekerheid bevestigen.'

Het jongetje wordt nu verder behandeld door de Riagg in samenwerking met het Buro VluchtelingenHulp. 'De politie is ook nog steeds met de zaak bezig. Zoiets kan het BVA het best coördineren, anders wordt het een puinhoop.'

Toch is nou juist die registratiefunctie niet omschreven in het 'takenpakket' van het meldpunt nieuwe stijl. Ien Jansen: 'We moeten nu al keihard werken om met de beperkte bezetting het toenemend aantal meldingen en onderzoeken goed af te handelen. Maar het zou me niet verbazen als na dit jaar blijkt dat die registratiefunctie, die het Buro Vertrouwensarts wel heeft, toch belangrijk wordt gevonden.'

Het Advies en Meldpunt Friesland heeft dit probleem al besproken met de werkgroep die de drie modelprojecten begeleidt, vertelt Monique ter Berg van het Landelijk steunpunt Melden voor Kindermishandeling. 'Wanneer gevallen van kindermishandeling ter registratie kunnen worden aangemeld bij een advies en meldpunt, levert dat belangrijke voordelen op. Professionals kunnen zelf de verantwoordelijkheid blijven dragen voor de aanpak van het probleem. Ze hoeven niets uit handen te geven. Maar het betekent ook dat wanneer van verschillende kanten - bijvoorbeeld politie, school, Riagg of huisarts - dit soort meldingen binnenkomen over hetzelfde kind, zaken met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Dat kan in het belang zijn van het kind.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden