De kiezer zweeft in vaste banen

Kiezers switchen maar raak van partij en malen niet om links of rechts. Niet waar, zeggen politicologen...

Peter Giesen

Kiezers zijn als stuifzand, schreef de socioloog Kees Schuyt in deVolkskrant. De eens zo trouwe Nederlandse kiezer vliegt alle kanten op.Gevestigde partijen winnen en verliezen tientallen zetels, de LPF schietals een komeet omhoog om meteen weer tot een onbeduidende omvanggereduceerd te worden. Kortom: Nederland is een 'flipperkastdemocratie'geworden.

Op 7 maart worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden, waarbij erwaarschijnlijk flinke verschuivingen komen. Toch kan het fraaie beeld vande kiezer als stuifzand niet worden onderbouwd, stellen de Leidsepoliticogen Joop van Holsteyn en Josje den Ridder in hun boek Alles BlijftAnders uit 2005. Op basis van het Nationaal Kiezersonderzoek, een surveydie al sinds 1971, wordt gehouden, onderzochten zij de verkiezingen van2002 en 2003.

In 2002 wonnen het CDA en de LPF; nog nooit waren er bij een naoorlogseWest-Europese verkiezingen zulke grote verschuivingen opgetreden, op eenItaliaanse verkiezing uit 1946 na. Een jaar later maakte de PvdA onderleiding van Wouter Bos een spectaculaire comeback.

Toch komen Van Holsteyn en De Ridder tot een opmerkelijke conclusie. Hetelectoraat is tamelijk stabiel, wat betreft houdingen, voorkeuren enopvattingen. Hoe valt die conclusie te rijmen met verkiezingen waarbij een'aardverschuiving' plaatsvindt?

'Kiezers zijn natuurlijk veel minder aan één partij gebonden', zegtVan Holsteyn. Dat betekent echter niet dat zij totaal willekeurige keuzesmaken. De meeste kiezers hebben een 'keuzeset' van verschillende partijen.Voor de meeste kiezers is die set vrij beperkt: 31 procent kiest uit tweepartijen, 23 procent uit drie partijen. Er zijn ook de echt promiscuekiezers: 11 procent heeft een set van vier partijen, 7 procent van vijfpartijen of meer. En 29 procent stemt, heel ouderwets, altijd op dezelfdepartij.

Clusters

Die keuzesets zijn echter geen willekeurige samenraapsels. Vaakvormen zij clusters van linkse of rechtse partijen. Veel mensen kiezenbijvoorbeeld tussen PvdA, GroenLinks en SP, anderen tussen CDA, VVD, LPFof populistisch rechts. Wisselen van partij is ook geen teken vanontevredenheid of een gemakzuchtige balorigheid. Hoe hoger opgeleid dekiezer en hoe meer geïnteresseerd in politiek hij is, hoe groter de kansdat hij vaker van partij wisselt.

De zwevende kiezer is vooral een geëmancipeerde kiezer die elke keeropnieuw oordeelt. Ook ambitieuze nieuwkomers worden daarbij serieusbekeken, hoewel het succes van Fortuyn niet makkelijk te evenaren zal zijn.

Omdat zo veel mensen tussen verschillende partijen switchen, ontstaataan de oppervlakte het beeld van grote dynamiek en onvoorspelbaarheid. Deonderliggende politieke oriëntatie van de kiezer blijft echter tamelijkstabiel. Iemand die van GroenLinks naar PvdA overstapt, is doorgaans nietwezenlijk anders over de zaken gaan denken. Kortom: de kiezer zweeft wel,maar dan in vaste banen, concluderen Van Holsteyn en De Ridder.

'Bij de kiezer is veel meer voorspelbaarheid dan vaak wordtaangenomen. Maar dat geldt alleen voor de richting, niet voor de uitkomstvan de verkiezingen', zegt Van Holsteyn.

Het beeld van relatieve stabiliteit wordt bevestigd door het onderzoeknaar een aantal specifieke kwesties. Zo wordt vaak aangenomen dat Nederlandin 2002 een 'ruk naar rechts' maakte, waarbij standpunten overcriminaliteit en allochtonen zich verhardden. Dat blijkt echter zeerbetrekkelijk. Al in 1994 vond 44 procent van de Nederlanders dat migrantenzich volledig moesten aanpassen. In 2002 was dat opgelopen tot 49 procent,om een jaar later weer terug te vallen tot 39 procent. Ook in 1994 vondslechts een minderheid, ongeveer 20 procent, het prima als migranten hun'eigen gewoonten' behielden. Ook vond in 1994 al 61 procent van de burgersdat de overheid veel harder moest optreden tegen criminaliteit.

Fortuyn

Kortom: niet de kiezer maakte in 2002 een ruk naar rechts, maar hetpolitieke aanbod. Met Pim Fortuyn stond iemand op die zei wat veel burgersallang dachten. Van Holsteyn: 'Daarna hebben deze vraagstukken hunonderscheidende karakter verloren. Alle partijen pleiten tegenwoordig vooreen harde aanpak van de criminaliteit en voor aanpassing van allochtonen.Sterker nog: als je de multiculturele samenleving nog altijd een goed ideevindt, kun je eigenlijk nergens meer terecht.'

Populair is ook de opvatting dat de verschillen tussen links en rechtsirrelevant zijn geworden. Dat blijkt in elk geval door de kiezer niet alszodanig gezien te worden, blijkt uit onderzoek. De meeste mensen beschouwenzichzelf nog altijd als links of rechts. Dat komt ook omdat deze begrippennogal elastisch zijn.

Lange tijd werden zij vooral op een sociaal-economische manieringevuld. Links was voor overheid en gelijke inkomens, rechts voor hetbedrijfsleven en loon naar prestatie. Deze verschillen raakten in de jarennegentig danig afgevlakt - toen werden links en rechts op een meersociaal-culturele manier ingevuld: links stond voor libertair enmulticultureel, rechts voor harde aanpak van de criminaliteit en strengmigratiebeleid. Toen de conjunctuur inzakte, werden de oudesociaal-economische scheidslijnen weer belangrijker.

Vaak wordt ook gezegd dat moderne mensen zich niet meer laten vangenin rigide links-rechtsschema's. Een keiharde vrije-marktliberaal kan sterkhechten aan het milieu, een voorstander van gelijke inkomens is misschientegen het homohuwelijk. 'Dat is ook een logische vooronderstelling', zegtVan Holsteyn. 'Waarom zou ik ook voor een schoner milieu moeten zijn, alsik voor een gelijkere verdeling van inkomens ben? Dat is helemaal niet zologisch. Toch blijkt uit onze analyses een sterke samenhang tussendenkbeelden die als links of rechts worden beschouwd', zegt Van Holsteyn.

Lijsttrekker

Zelfs de gedachte dat moderne kiezers eerder op personen dan op partijenstemmen, wordt door het Nationaal Kiezersonderzoek krachtig gerelativeerd.In 2002 en 2003 kregen kiezers drie keer de vraag voorgelegd naar wie demeeste sympathie uitging: naar de partij van hun keuze of de lijsttrekkerdaarvan. In slechts 8 van de 29 gevallen werd de lijsttrekker sympathiekergevonden. Daar zaten overigens wel winnaars als Bos en Balkenende in 2003bij. Maar toch: de partij blijft een zeer belangrijke factor.

Het constante 'debunken' van populaire opvattingen maakt het onderzoekvan Van Holsteyn en De Ridder bijna eentonig. 'Dat hadden we helemaal nietverwacht toen we eraan begonnen. Maar punt na punt bleek sprake van veelmeer stabiliteit dan vaak werd aangenomen', zegt Van Holsteyn,

Op één punt na: de definitieve keuze in het stemhokje. Dat zit VanHolsteyn wel wat dwars. Hij heeft zich nu een jaar teruggetrokken in hetNetherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar, om in dezelommerrijke omgeving diep na te denken over een nieuwe verkiezingstheorie,die de uitslag beter zou moeten voorspellen. 'Want op deze manier zijn wijpoliticologen een beetje het lachertje van de wetenschap. We weten allesover de kiezer, behalve het laatste en belangrijkste punt: wat hij gaatstemmen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden