De kettingstelling als studie-object

Geïnspireerd door de spectaculaire partij tussen Ron Heusdens en Hans Jansen (NK 2001) die ik vorige week in deze krant behandelde, heb ik mij voor het eerst in mijn leven serieus beziggehouden met het thema van de kettingstelling....

En dan bedoel ik het soort kettingstelling als zich in Heusdens-Jansen voordeed, dat wil zeggen dìe opsluitingsvorm waarbij op z'n minst vijf zwarte schijven op 15, 20, 24, 23 en 18 (maar doorgaans zullen zich ook nog stukken op de velden 19, 13, 14, 9 en 10 bevinden) minimaal vier witte schijven op 29, 33, 34 en 35 (plus doorgaans nog 39, 40, 43, 44 en 45) in een ijzeren greep houden.

Die afbakening is noodzakelijk, omdat de term 'kettingstelling' ook wel voor andere situaties gebruikt wordt. Zo spreekt men eveneens van een kettingstelling wanneer bijvoorbeeld witte schijven op 28, 32 en 33 door zwarte schijven op 17, 22, 23 en 19 worden opgesloten. Dat soort 'kettingstelling' heb ik dus nìet op het oog.

Maar evenmin is het mij te doen om het type kettingstelling dat men wel kent van de Leningrader variant (1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.45-40 10-14 4.50-45 5-10 5.31-26 20-25 6.37-31 14-20 7.42-37 10-14 8.48-42 4-10 9.31-27 19-24 10.37-31 14-19 11.41-37 enz. enz.) en dat zich wezenlijk van de door mij bedoelde spelsoort onderscheidt door de aanwezigheid van een zwarte schijf op veld 25. Het zou best kunnen dat zo'n stuk op 25 zuiver getalsmatig bezien nog niet eens zo'n groot verschil maakt. Waar het echter om gaat, is dat die extra schijf op 25 zwarts tactische mogelijkheden dermate sterk doet stijgen (en wel doordat na 18-22 en 24-30 wit niet langer naar de rand mag slaan maar verplicht is met 35 te nemen), dat we naar mijn mening in feite met een ander speltype te maken hebben!

Welnu. Het behoeft weinig verwondering te wekken dat de kettingstelling als hierboven gedefinieerd, totnutoe nimmer onderwerp van een serieuze studie is geweest. Daar zijn - globaal gesproken - twee redenen voor. De eerste is dat een kettingstelling meestal weer spoedig verbroken wordt: witspelers met kennis van zaken zullen doorgaans de formatie 41/37/32 in stelling brengen om de opsluiting met behulp van de manoeuvre 32-28 (23x32) en 37x28 ongedaan te maken.

De tweede reden is nog trivialer: de kettingstelling wordt in de praktijk vaak gehanteerd door spelers zonder de geringste kennis van zaken! Talloos zijn de partijen waarin de witspelers na bijvoorbeeld 1.34-29 19-23 2.40-34 14-19 3.31-27 19-24 4.44-40?? 17-21! 5.37-31 21-26 6.41-37 10-14 7.47/46-41 13-19! 8.50/49-44 5-10! tot de ontdekking komen dat zij al in een 20x20 stand een volle schijf moeten verliezen! En dat is misschien grappig of zelfs koddig, maar natuurlijk niet echt interessant.

Ik ken eigenlijk maar twee gevallen waarin het wèl de moeite loont langer bij een kettingstelling-partij stil te staan. Zo kòmt het voor - zij het bij zeer hoge uitzondering - dat dìe (wit)speler die in de opsluiting zit, na het afgedwongen offer 35-30 (24x35) en 33-28 over zoveel tegenspel blijkt te beschikken dat de uitslag van de partij nog lang niet vaststaat. Dat zagen we in Heusdens-Jansen 2001 (al had Jansen die partij dus wel degelijk kunnen winnen), en we zagen het in het nog sterkere mate in het duel dat Ed Holstvoogd - ondanks het feit dat deze 12 zetten lang met een schijf minder speelde! - in het Nieland-toernooi 1990 van Douwe de Jong won (de Volkskrant, 11-8-1990).

Maar het interessantst zijn naar mijn smaak dìe partijen waarin de kettingstelling zo lang mogelijk gehandhaafd blijft, partijen waarin de opgeslotene dermate handig en intelligent opereert dat uiteindelijk niet hij maar de opsluiter de kettingstelling moet verbreken! En binnen die categorie zijn dan weer dìe partijen het mooist waarin zo'n verbreking - meestal via de ruil 20-25 (29x20) en 15x24 - met ernstig nadeel voor zwart gepaard gaat!

Niet dat ik bij mijn onderzoek, waarvoor ik uiteraard de hulp van het computerprogramma Turbo Dambase inriep, veel van dergelijke praktijkvoorbeelden heb gevonden: het speltype-in-kwestie blijkt vaak te hoog gegrepen voor de spelers-in-kwestie! Maar ik stuitte wèl op partijen waarin de opgeslotene zich lange tijd op de goede weg bevond en waarin de kans op succes verre van denkbeeldig was!

Zoals in de volgende, bijna tachtig (!!) jaar oude maar desondanks volslagen 'nieuwe' partij. Het in meerdere opzichten opmerkelijke duel komt uit dàt land dat tot vlak na de Tweede Wereldoorlog tot de belangrijkste dam-naties behoorde maar waar Nederlandse dammers tegenwoordig uitsluitend nog naar toe gaan om er hun vakantie door te brengen.

Lieubray-Labouret (Frankrijk 1922)

1.33-29 19-23 2.39-33 14-19 3.44-39 10-14 4.50-44 5-10 5.32-27

Op de bezetting van veld 27 valt niets aan te merken. Dat geldt niet voor wits volgende zet, al heeft de weerlegging ervan zoveel voeten in de aarde dat het buiten het kader van dit artikel valt. Mogelijk kom ik er te zijner tijd nog op terug.

5...19-24 6.38-32?!!

Dit is dus niet correct. Maar voor het idee dat eraan ten grondslag ligt: het zo snel mogelijk activeren van schijf 49, verdient Lieubray beslist een - zij het zeer postume - pluim.

6...14-19 7.43-38 10-14 8.49-43 17-22

Dit is in elk geval veel sterker dan 8...4-10(?) 9.31-26, waarna wit desgewenst altijd los was gekomen.

9.31-26 22x31 10.36x27 11-17 11.41-36 6-11 12.37-31 1-6 13.47-41 4-10! 14.41-37 17-22!

Labouret behandelt het eerste partij-gedeelte voorbeeldig.

15.46-41 11-17 16.27-21 16x27 17.32x21 7-11 18.21-16 2-7 19.31-27 22x31 20.36x27 17-21! 21.26x17 11x31 22.37x26 6-11?

Maar hierna blijkt wit minstens gelijkwaardig spel te hebben. Om het uitkomen van de schijven 38 of 42 te beletten, had zwart 22...12-17! moeten doen.

23.38-32(!!)

Een buitengewoon slim zetje: doordat de damzet 23...18-22?? en 24...24-29 enz. faalt op een tegen-combinatie naar 6, komt Lieubray nu wèl tot de gewenste opstelling met 38-32 en 42-37.

23...11-17

Na 23...12-17 24.32-27!? 8-12 25.27-21!? (deze stand heeft zich in iets andere vorm voorgedaan in S. Lenselink-C. Jong, Brunssum 1996) zouden de rollen van opsluiter en opgeslotene volkomen zijn omgedraaid!

24.42-37 7-11 25.16x7 12x1 26.32-27!?

Hoe opmerkelijk: ofschoon de witspeler alle noodzakelijke voorbereidingen had getroffen om de kettingstelling middels 32-28x28 te verbreken, laat hij de situatie op het middenbord intact!

26...17-22 27.37-32 22x31 28.26x37 1-7 29.32-27!!?

Voor de tweede maal binnen drie zetten verrast Lieubray vriend en vijand door de zwarte schijf 23 ongemoeid te laten en de principiële strijd op het scherpst van de snede uit te vechten!

29...8-12

diagram

Met de diagramstand is het fragment aangebroken waar het mij bovenal om gaat en waarop ik volgende week uitvoeriger zal terugkomen. Voor het moment volsta ik met de mededeling dat Lieubray, die 30.37-32? speelde en daardoor alsnog in het nadeel kwam, 30.37-31! 12-17 31.31-26! had moeten doen. Het was dan juist zwart geweest die zich had moeten inspannen het (wankele) evenwicht te bewaren. De 'ideaal-variant' luidt 31...3-8 32.48-42 8-12 (31/32...7-11?? 32/33.26-21! enz. +) 33.41-36 17-22? (beter meteen 20-25x24) 34.26-21! 22x31 35.36x27 7-11 36.21-16! 20-25* 37.16x7 12x1 38.29x20 15x24 met prachtig spel voor wit, die zijn voordeel op de meest uiteenlopende manieren te gelde moet kunnen maken!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden