De kerkhoven van Corsica

V akantie op Corsica, dat betekende voor W.G. Sebald (1944-2001) ook een bezoek aan het overgroeide kerkhof van het dunbevolkte kustplaatsje Piana. Niet verwonderlijk voor deze verzamelaar van herinneringen, de Zuid-Duitse literatuurprofessor die sinds 1970 in het Engelse Norwich woonde. Hij doceerde er en schreef er zijn literaire essays, tussen documentaire en verhaal in, die hem vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw over de hele wereld geliefd maakten.


Van tussen het onkruid in Piana keken gezichten hem aan, ovalen portretjes van de overledenen, soms voorzien van een paar regels tekst. Sebald viel daarbij iets speciaals op: er lagen geen doden van eeuwen terug. Daar moest hij meer van weten. In zijn beschouwing 'Campo Santo', het titelstuk van een collectie verspreide essays die na zijn dood in het Duits verscheen, volgt dan de verklaring: tot zeventig jaar geleden waren er helemaal geen kerkhoven op Corsica. De doden werden voorheen gewoon op het eigen land begraven, of in een put gegooid.


Klinkt hardvochtig, maar dat is te gemakkelijk geoordeeld. Op Corsica bestond een uitgebreide dodencultus, met klaagliederen, als een dierbare de geest had gegeven droeg men vijf jaar lang rouwkleding, de doden wáren er nog, ze leefden voort als geesten wier aanwezigheid gevoeld werd. Ze konden, op dat ruige, hete en dunbevolkte eiland, niet gemist worden.


En in een aantal onnavolgbare alinea's caramboleert de essayist dan onze instinctieve veroordeling terug: vandaag de dag worden onze doden snel begraven, de rituelen zijn ultrakort, de doden zijn vervangbaar, we ruimen ze vlug op, willen niet voortdurend met hen geconfronteerd worden, we moeten gauw verder. 'En vanuit een heden zonder geheugen en in het aanschijn van een toekomst die niemand meer kan begrijpen zullen wij ten slotte zelf het leven laten zonder de behoefte tenminste nog even te mogen blijven of soms te mogen terugkeren.'


Een sierlijk memento, dat eens te meer indruk maakt door de omstandigheid dat Sebald zelf alweer bijna tien jaar door een auto-ongeluk om het leven kwam. Alsof dit ons van gene zijde wordt bericht. Wat zit ons op de hielen, waarom willen we de doden laten verdwijnen - deze vragen prikkelden Sebald in extreme mate; geboren in oorlogstijd, en opgegroeid in een periode dat in Duitsland over het nabije verleden (pijnlijk zowel voor de daders als voor de slachtoffers - die immers de schaamte van de overlevenden droegen) niet openlijk werd gepraat of geschreven.


Altijd weer is Sebald erop uit geweest, in zijn essays over anderen en in zijn persoonlijke reisverslagen, om in kaart te brengen wat er verdrongen werd, vanuit het besef dat we de doden niet mogen vergeten, dat het een morele plicht is hen uit het massagraf van de anonimiteit te halen. Dat kost pijn en moeite, maar de vrees voor een 'heden zonder geheugen' als voorbode van een niet meer te begrijpen toekomst is beduidend pijnlijker.


Keer op keer heeft Sebald laten zien, ook in de essays die in Campo Santo zijn gebundeld, dat de literatuur die decennia van collectieve en opgelegde stilte heeft kunnen openbreken. In zijn stukken over Peter Weiss en Jean Améry maakt hij inzichtelijk dat zij een vorm vonden om de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog (toen ook honderden Duitse steden in de as zijn gelegd) te verwoorden. Weiss ontdekte dat de exacte beschrijving van wreedheden iets blootlegde van de 'menselijke machine', en Sebald ziet dat die methode - beschrijven alsof je een verslaggever bent, er buiten staat - ook de lezer de werkelijke gruwel kan laten ervaren, zoals dat in de werkelijkheid niemand was gelukt, omdat de verwoesting door bommen en brandstichting te snel en totalitair in zijn werk ging. Wie er toen zelf midden in zat, besefte niet wat er aan de hand was.


Améry, een Oostenrijkse Jood, stelde dat er geen compensatie voor het slachtoffer mogelijk was. Lange tijd zweeg de schrijver, 'op zoek naar die onuitwisbare tijd'. Dat betekent uiteindelijk dat Améry zocht naar een taal waarin ervaringen die het uitdrukkingsvermogen hadden verlamd, geformuleerd konden worden. Daardoor kon hij zijn herinnering zo reconstrueren dat ze 'voor ons toegankelijk' werd. Hij zag af van literaire stilering, zegt Sebald, en koos voor understatements, zelfs bij de beschrijving van de martelingen die hij in Auschwitz had ondergaan. 'Hij bedient zich van ironie daar waar anders zijn stem zou breken.' Mijns inziens is dit wel degelijk een vorm van literaire stilering. Understatement is ook stijl. Juist het feit dat ook Jean Améry zich van een literaire vorm bediende, bewijst dat alleen enkele schrijvers de pijn konden aanraken en overbrengen die in het naoorlogse Duitsland zo lang onbespreekbaar was.


Dat betekent niet dat die schrijvers de hoop en verzoening naderbij brachten. Maar zoals de troost van kunst er ook in kan schuilen dat zij laat zien dat er geen troost bestaat, hebben zij wel de zwijgzaamheid over het verleden - het wegmoffelen van de doden, alsof ze er niet zijn als we het niet over hen hebben - van haar verlammende werking ontdaan.


Eenlingen. Daar moeten we het van hebben. Dat is een andere constante in de essays van Sebald. Of hij nu schrijft over Gustav Mahler (in wiens muziek hij die passages bij uitstek waardeert, 'waar je de Joodse dorpsmuzikanten nog hoort spelen heel in de verte' - heel mooi hoort Sebald hier Mahlers herinnering in diens muziek als het ware hardop aan het werk), over Kafka (wiens fantasie en excentriciteit wellicht voortkomt uit, en in rechtstreeks verband staat met 'het jodendom dat hij is kwijtgeraakt'), of Nabokov, die in het autobiografische Geheugen, spreek zo schitterend het ontoegankelijk geworden verleden terugtoverde - op literaire wijze.


Bij die passages veert Sebald op, en gaat zijn eigen proza zingen. Feestelijk is de schets 'Moments musicaux', waarin hij terugdenkt aan de koordirigent annex organist uit St. Michael, die hij op zijn tiende tekeer hoorde gaan op zijn instrument: 'Telkens werd er weer een register opengetrokken, totdat de door de orgelpijpen voortgebrachte geluidsgolven, zoals ik soms vreesde, het wereldgebouw zelf tot instorten dreigden te brengen en, in een laatste opjagen van de akkoorden, het hoogtepunt werd bereikt waarop de koordirigent met een merkwaardige verstijving die hem op dat moment onwillekeurig overviel, zijn spel als het ware in één klap afbrak, om met een gelukzalige uitdrukking op zijn gezicht nog even naar de stilte te luisteren die nu terugstroomde in het trillende luchtruim.'


Dankzij Sebalds herinneringskunst zijn die orgelklanken, en zelfs de daaropvolgende stilte, niet verdwenen.


W.G. Sebald: Campo Santo.


Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel. De Bezige Bij; 269 pagina's; € 24,90. ISBN 978 90 234 5949 1.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden