De kerk als alibi om Groningen te doorkruisen

Achttien tufstenen kerkjes vormen een mooi alibi om Groningen te doorkruisen. Voor de eigenlandse toerist is de provincie nog altijd een achterneefje dat een tikje te ver weg woont....

Zou het voor Bonifatius - even afgezien van zijn gewelddadige dood bij Dokkum - makkelijk kerstenen zijn geweest in ons hoge noorden? Je zou vermoeden van wel als je ziet hoeveel kerken en kerkjes hier nog uit de 10de en 11de eeuw stammen. Daaruit mag je via een eenvoudig rekensommetje afleiden dat Bonifatius en volgende bekeerders de Friezen en Groningers er toch binnen tweehonderd jaar in Gods naam onder hebben gekregen.

Karel de Grote hielp in de tussentijd een handje met het zwaard en de historici nemen aan dat het nog sneller was gegaan wanneer de heidens gebleven Noormannen niet af en toe de Waddenkust hadden bezocht, al is er daar weinig feitelijks over bewaard gebleven. In ieder geval staan sommige van die kerken er nog opvallend origineel bij. Vaak zijn ze fraai, in sommige gevallen ook minder geslaagd gerestaureerd.

Centrum van dorp of gehucht zijn ze vaak, veelal op wierden, de kunstmatige heuvels van het pre-dijkentijdperk. Nog niet zo lang geleden groeven boeren ze graag af vanwege de uiterst vruchtbare grond. Vaak kom je nu dus een halve wierde tegen. In de diepte bevindt zich dan een ijsbaan of andersoortig sportterrein. Afgraven is, sinds we historisch bewuster zijn geraakt, streng verboden.

Voor dit verhaal hebben we het, geheel arbitrair, over de tufstenen kerkjes van Groningen hoewel die ook in Friesland en Drenthe voorkomen. Het oudste tufstenen godshuis staat zelfs nog verder zuidelijk: in Oosterbeek aan de Rijn. Maar wij kozen Groningen, omdat er daar vooral véél staan. En dan ook nog via een route die westerlingen misschien wat onlogisch voorkomt: we gingen er binnen vanuit Friesland (de snelweg bij Frieschepalen) en er zo noordelijk mogelijk weer uit langs de Waddenkust, dus ook weer richting Friesland. Langs Lauwersoog naar, jawel, Dokkum.

Het lijstje was ons toegespeeld via de Stichting Oude Groninger Kerken, die zich noest inzet voor het behoud. De route diende zich als vanzelf aan door de kerken die voorzien zijn van oorspronkelijk tufsteenwerk op de kaart met elkaar te verbinden. Er zijn natuurlijk ook kerken met, wat genoemd wordt, secundaire tuf: tufstenen van een kerk die daar eerder heeft gestaan of die uit ruïnes van elders zijn aangesleept. Maar die exemplaren lieten we als 'niet echt' - alweer uiterst persoonlijk en arbitrair - links liggen. Het was ons om de meest oorspronkelijke te doen. Dat zijn er in de hele provincie achttien. Wie de secundaire wil meetellen, komt op rond twee keer zoveel uit.

Al rijdend ging het, en dat kregen we al in een vroeg stadium door, niet eens zozeer meer om die oude kerken, maar om Groningen zelf, het achterneefje dat voor de eigenlandse toerist nog altijd een tikje te ver weg woont.

De (auto)tocht is best in een fors bemeten dag te doen, maar aan te bevelen is zo'n snelle toer natuurlijk nauwelijks. Een of twee nachtjes slapen in de stad Groningen (altijd goed) of bijvoorbeeld bij Spoorzicht in Loppersum (alle landelijke kranten op de stamtafel, koffie van bovengemiddelde kwaliteit en ook goed voor meerdaagse arrangementen) vormen een onderbreking die minstens zo aangenaam is als de reis zelf. De beste manier om de tufstenen kerken van onze noordelijkste provincie te bereizen, lijkt intussen per fiets: minstens een dag of vier voor uittrekken, een hele week is nog beter.

Groningen is, het valt niet genoeg te herhalen, mooi tot prachtig. Op hier en daar wat landschappelijke en stedenbouwkundige slordigheden na. Maar waar tref je die niet in een dichtbevolkt land? Het Gronings volkslied omschrijft Stad en Ommeland als een pronkjewail. Een pronkjuweel - daar is weinig op af te dingen, ook niet door non-chauvinisten.

Tufsteen (Latijn: tofus) was in heel Nederland als bouwsteen erg populair in de Middeleeuwen. Het ontstond door verharding van vulkanische as. In de Eifel gebeurde dat zo'n twaalfduizend jaar geleden. De Romeinen waren enthousiaste gebruikers tijdens hun bezetting van West-Europa. Vandaar ook dat de Duitsers nog altijd van Römer Tuf spreken als algemene benaming. Maar er was ook onderscheid: je had Ettringer Tuf en Weibern Tuf, de laatste wat fijner van substantie. De beide soorten zijn genoemd naar de vindplaatsen. Voor wie ter plekke wil kijken: Ettringen en Weibern zijn te vinden op luttele kilometers van de afslag Maria Laach aan de snelweg Keulen-Koblenz. In deze contreien wordt, onder meer bij het ook naburige Mendig, nog altijd op beperkte schaal tuf gewonnen.

Het nadeel was dus dat de tufsteen van betrekkelijk ver gehaald moest worden. Vanuit Andernach werd het over de Rijn verscheept naar Utrecht of, voor de 'afslag' Groningen, naar Deventer. Daar werd het omgeladen in kleinere schepen voor het verdere transport naar de noordelijke provincies via IJssel, Zuiderzee en Wadden. Niet te verwonderen dus dat tufsteen vrijwel meteen uit de handel raakte bij de opkomst van de baksteen, die weliswaar al sinds de oudheid bekend was, maar waarvan de technologie pas rond het jaar 1000 serieus in de lage landen doordrong.

De allereerste kerk die we tegenkomen, staat in Doezum. Het is meteen, met die van Bedum en Zuidwolde, het fraaiste voorbeeld van een (vrijwel volledig) tufstenen toren. Want geen van de achttien kerken op de Groningse lijst is nog volledig van tufsteen. Er zijn overal slechts fragmenten bewaard gebleven dan wel weer meegerestaureerd. Het valt meteen op: de meeste kerktorens zijn rood (baksteen) met flarden grijs (tufsteen). De bovengenoemde drie zijn overwegend grijs met kleinere parten rood.

Het aardige van tufsteen is ook dat het zo opvallend met het weer mee verandert. We staan voor het kerkje van Godlinze in een striemende regenbui: het tufsteengedeelte is hier groen in plaats van grijs. Tuf zuigt het water op als een spons. Wie een enkele steen goed bekijkt, ziet veel gaten. Daar zijn in de loop der eeuwen 'insluitsels' in de vorm van gruis van andere stenen weggespoeld.

Zoeken naar de achttien kerken kun je opvatten als een puur toeristische bezigheid. Je benadert een dorp, toert het centrum binnen tot voor de kerk. Vrijwel elke kerk heeft een bord naast de ingang met een korte geschiedenis. Maar je kunt je eigen onderzoek uitbreiden. Ook bijna elke kerk heeft een schild naast de voordeur waarop staat waar de 'sleutel te bevragen' is. Dan vangt vanzelf de bestudering van de interieuren aan. Waar zijn nog restanten van voor de beeldenstorm? Waar zijn nog orgels in gebruik van de befaamde Groninger orgelbouwer Arp Schnitger?

Je kunt het precies indelen zoals je wilt. Misschien alleen naar de fantastische wolkenpartijen kijken boven de Dollard op de dijk bij Termunten met Embden in de verte, en tegelijk opzij moeten voor een kudde aanstormende schapen? Of je verbazen over dat totaal buiten de orde lijkende kerkje van Farmsum (hoort er eigenlijk niet bij, want geen tufsteen aanwezig sinds de herbouw) dat midden tussen de raffinaderijen staat? En dan de stichtelijke vermaningen achterop de grafzerken van Leermens.

Vul maar in, de mogelijkheden zijn haast eindeloos. Tufstenen kerken in Groningen - het is ook toerisme, maar een tikje anders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden