AnalyseAmbtenaren in oorlogstijd

De Joden? Die konden zich beter gedeisd houden

Met al die schipperende ambtenaren hadden de Duitsers de NSB helemaal niet nodig om bezet Nederland hun wil op te leggen.

Secretaris-generaal Karel Johannes Frederiks van Binnenlandse Zaken spreekt op 15 oktober 1941 in Pulchri Studio in het kader van de tweede winterhulpactie.Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Toen minister-president Mark Rutte zich zondag verontschuldigde voor het ‘overheidshandelen’ tijdens de Duitse bezetting, doelde hij niet zozeer op enthousiaste ondersteuning van het naziregime. Het aantal nazi-gezinde ambtenaren is altijd gering geweest, getuige ook de moeite die het de NSB kostte om voldoende aanvaardbare kandidaten te vinden voor vrijgevallen posities – bijvoorbeeld van burgemeesters. Rutte doelde vooral op het feit dat ordehandhaving voor de Nederlandse overheidsdienaren een hoger belang vertegenwoordigde dan de bescherming van Joden en andere burgers die iets van de Duitsers te vrezen hadden.

Dat was bijvoorbeeld de prioriteit voor Jan Coenraad Tenkink, (waarnemend) secretaris-generaal van het departement van Justitie in 1940. Hij verafschuwde het nationaal-socialisme, en in de jaren dertig – toen hij nog geen sg was – had hij gepleit voor een ruimhartig toelatingsbeleid voor Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland. Toch meende hij bij het begin van de bezetting dat de 80 duizend Joden in Amsterdam zich maar het best gedeisd konden houden. ‘Waar dezen zich weer openlijk op de bekende manier gaan gedragen, zal de burgemeester in overweging worden gegeven den opperrabbijn te verzoeken de joden in hun belang aan te raden zich zo min mogelijk op den voorgrond te stellen.’ Andere woorden zouden passender zijn geweest, enkele weken nadat honderden Joden zichzelf van hun leven hadden beroofd uit angst voor wat komen ging. Tenkink zelf kwam ook tot dat besef: in 1941 nam hij ontslag.

De houding die Rutte hekelde, werd bij uitstek belichaamd door Karel Johannes Frederiks, secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en feitelijk de hoogste Nederlandse gezagdrager tijdens de bezetting. Ook Frederiks was geen nazivriend. Integendeel: hij poogde de invloed van de NSB op het openbaar bestuur zo klein mogelijk te houden. Om dat te bereiken, was hij – naar het oordeel van de naoorlogse zuiveringscommissie – de Duitsers echter onaanvaardbaar ver tegemoet gekomen. De commissie kenschetste zijn beleid in maritieme bewoordingen: ‘schipperen, meevaren, laveeren, bakzeil halen, dobberen en afhouden’. Met mensen als Frederiks hadden de Duitsers de NSB helemaal niet nodig.

Vlucht van Wilhelmina

Frederiks kon zijn ambtelijke meegaandheid tot norm verheffen in het bestuurlijke vacuüm dat ontstond na de vlucht van koningin Wilhelmina en haar ministers naar Londen. Toen ook generaal Henri Winkelman, de standvastige opperbevelhebber van het Nederlandse leger, in krijgsgevangenschap was afgevoerd, waren er geen leidende figuren op wie de bestuurders zich konden oriënteren. Hun voornaamste houvast bestond uit de zogenoemde Aanwijzingen die de regering in 1937, op basis van het Landoorlogreglement, had geformuleerd voor het geval Nederland door een vijandige mogendheid zou worden bezet.

Volgens deze Aanwijzingen mochten ambtenaren geen opdrachten aanvaarden die de vijandelijke oorlogvoering zouden ondersteunen. Evenmin mochten ambtenaren trouw zweren aan een bezettingsmacht. Van hen mocht echter wel worden verlangd dat zij van actief verzet tegen de bezetter zouden afzien. De bezetter mocht geen nieuwe wetten uitvaardigen, maar mocht bestaande wetten wel buiten werking stellen.

Het probleem van de Aanwijzingen was dat ze onder burgemeesters en andere bestuurders niet algemeen bekend waren, en dat ze ruimte boden voor uiteenlopende interpretaties. En daar hielden de meeste ambtenaren niet van. In de verwarrende situatie die in 1940 intrad, wilden ze vooral duidelijkheid. En die duidelijkheid wilden secretaris-generaal Frederiks en de Duitse bezettingsautoriteiten desgevraagd best bieden. Doorgaans met de opdracht loyaal met de Duitsers samen te werken.

Voor een andere interpretatie van de Aanwijzingen was al snel geen ruimte meer. Zo werd de burgemeester van Zwolle, Arnoldus van Walsum (de grootvader van de auteur) in juni 1940 als eerste burgemeester van Nederland ontslagen nadat hij meermaals had geweigerd de SD inzage te verschaffen in het bevolkingsregister. Dat de Duitsers aan het ontslag het predicaat ‘eervol’ toevoegden, was niet naar de zin van Frederiks, schreef Niod-onderzoeker Peter Romijn in zijn (in 2006 verschenen) boek Burgemeesters in oorlogstijd. Hij had Van Walsum liever oneervol willen ontslaan vanwege diens ‘zeer merkwaardig gedrag’ in de voorgaande weken. Daarbij doelde Frederiks op het feit dat de burgemeester op de lokale draadomroep de vlucht van de koningin ‘misdadig’ had genoemd omdat op dat moment ‘nog jongens voor haar in het vuur gingen’.

Felicitatieregister

Ook andere burgemeesters die het misnoegen van de Duitsers hadden gewekt, werden ontslagen: De Monchy in Den Haag omdat hij op de verjaardag van prins Bernhard, 29 juni, de bevolking gelegenheid had geboden om een felicitatieregister te ondertekenen. James in Gouda omdat hij had geweigerd arbeiders op te roepen voor het herstel van het vliegveld Ypenburg.

Enkele maanden later leverde de overgrote meerderheid van de ambtenaren een bijdrage aan de isolering van de Joodse landgenoten door een verklaring af te geven – in de wandeling ariërverklaring genoemd – waarmee ze kenbaar maakten geen Joodse voorouders te hebben. Ook de voltallige Hoge Raad tekende die verklaring. Volgens Romijn waren er bij alle departementen en overheidsdiensten niet meer dan tien weigeraars. Zelfs de Leidse hoogleraar Rudolph Cleveringa tekende de verklaring ‘met bloedend hart’ – nadat hij en zijn confrère Ben Telders hadden moeten vaststellen dat hun campagne onder Leidse hoogleraren om níét te tekenen geen effect had gesorteerd. Op 26 november protesteerde Cleveringa publiekelijk tegen het ontslag van zijn Joodse collega (en leermeester) Eduard Meijers – dat uit de ariërverklaring voortvloeide.

De arts Sally de Jong, de tweelingbroer van oorlogschroniqueur Loe de Jong, stelde al in 1943 vast dat de ellende voor de Nederlandse Joden met de massale ondertekening van de ariërverklaring was begonnen. ‘Indien de grote meerderheid van de ambtenaren geweigerd zou hebben het formulier in te vullen was het den Duitschers ook niet mogelijk geweest de maatregel uit te voeren waartoe dit de voorwaarde was: de Joodsche ambtenaren ontslaan.’

De Jong stelde tezelfdertijd vast dat de Joodse Nederlanders niet minder dociel waren – en dat bedoelde hij ook als zelfkritiek. ‘Zo goed als alle Joden hebben aan de aanmeldingsplicht voldaan. (…) Het had ongetwijfeld anders gekund, indien de Joodsche Gemeenten hun archieven vernietigd hadden. (Dan) hadden duizenden Joden kunnen verzwijgen dat zij Jood waren.’ Voor de Joden had de algehele volgzaamheid echter veel dramatischer gevolgen dan voor hun niet-Joodse landgenoten. Ook Sally de Jong overleefde de oorlog niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden