De intimiteit van de Arena

Lang heeft de buitenwereld sceptisch tegen de plannen voor de Amsterdam Arena aangekeken. Het stadion leek een even kort leven beschoren als de plannen om de Olympische Spelen van 1992 naar de hoofdstad te halen....

Achteraf gezien hadden ze de Amsterdam Arena net zo goed het Colosseum kunnen noemen. Groot, heel erg groot staat het betonnen en ijzeren gevaarte daar aan de rand van de Amsterdamse Bijlmermeer, naast de snelweg en de spoorlijn naar Utrecht. Met zijn hoogte van maar liefst 78 meter verschrompelen zelfs de kantoortorens in de directe omgeving tot Lego-speelgoed, maar het is vooral zijn omvang die imponeert.

De officiële cijfers spreken van 235 meter lang en 180 meter breed, maar dat zijn getallen die het menselijk bevattingsvermogen te boven gaan. Je moet dat ding zelf aanschouwen en het daar zien liggen als een knoertgrote RÜmertopf-schotel die brutaal en arrogant in het stedelijke landschap is neergeplonsd.

Komend uit Utrecht doemt het gebouw al ter hoogte van Breukelen op. Het toch niet geringe ziekenhuis AMC, ooit geafficheerd als het grootste gebouw van Europa, lijkt er een bouwkeet bij. Door zijn enorme gestalte onttrekt de mas-todont Amsterdam Arena zich als een dommekracht aan een oordeel van goed of slecht. Het is een nederig ontzag dat zich van de toeschouwer meester maakt en, of hij wil of niet, hij moet capituleren voor de grootsheid, de eigenzinnigheid, de massaliteit die dit gebouw uitstraalt.

Groot is dan ook de verrassing dat binnen die reusachtige schotel een intiem stadion ligt. Zelfs toen het, een maand of wat geleden, nog onaf was, riepen het groene veld en de lege, nog kale tribunes al visioenen op van intense emoties, van massaal en collectief beleefde hoogtepunten en nederlagen. Naarmate de afwerking vorderde werd dat gevoel alleen maar sterker.

Nog voor er een voetbalwedstrijd is gespeeld, nog voor megapopsterren de geluidsboxen hebben laten dreunen, weet je dat dit nieuwe heilige grond is. Dit gebouw, dit stadion heeft dat onbenoembare, dat onuitsprekelijk aanstekelijke in zich. De Amsterdam Arena is een gebouw dat je koude rillingen bezorgt.

De vraag is dan: hoe maak je zo'n gebouw. En meteen erachter aan: wie maakt zo'n gebouw?

Het zijn simpele, voor de hand liggende vragen. Het antwoord is wat gecompliceerder. Van dat andere Amsterdamse stadion, dat nu in de dodencel wacht of zijn laatste gratieverzoek toch eindelijk eens wordt ingewilligd, was het simpel. Sinds zijn opening in 1928 stond het bekend als 'de schepping van Jan Wils'.

Het Olympisch Stadion en zijn architect werden een onlosmakelijke eenheid. Het was duidelijk: voor de Olympische Spelen die in 1928 in Amsterdam werden gehouden moest volgens de richtlijnen van het Internationale Olympische Comité een stadion komen met een grasveld, een atletiekbaan en een wielerbaan. Architect Jan Wils (1891-1972) verwerkte die nauw omschreven voorschriften in een gebouw met een eigen smoel waarbij hij gebruik maakte van geavanceerde bouwmethoden.

Dat de ontwerper en zijn schepping slechts zelden in één adem worden genoemd, blijkt uit het Feyenoord-stadion. Dat kwam midden in een barre economische crisis tot stand, om precies te zijn: 1936, naar een zeer vooruitstrevend ontwerp van de architecten J.A. Brinkman en L.C. van der Vlugt. Toch niet de geringsten; zij ontwierpen zo'n kleine tien jaar daarvoor de Van Nelle-fabriek die al gauw internationale faam verwierf.

Hun stadion was niet minder spraakmakend: niet alleen was het hele gebouw opgetrokken uit een transparante, uiterst sobere maar tegelijk elegante staalconstructie, het had ook twee boven elkaar geplaatste tribunes die onbelemmerd uitzicht op de grasmat gaven. Nergens keek men tegen kolommen aan. Ook dit werk baarde over de hele wereld opzien, maar het werd nimmer 'de Kuip van Brinkman en Van der Vlugt'. Het is zelfs de vraag of de Feyenoord-bezoeker wel wist wie zijn Kuip had ontworpen.

Dat lot staat de Amsterdam Arena ongetwijfeld ook te wachten. Want dit is niet zozeer een architectonische schepping, maar vooral een gedurfd idee. Het begon zo*n dertien jaar geleden, toen Amsterdam een nieuwe burgemeester kreeg - Ed van Thijn - en zich een optimistische, hoopvolle stemming van de stad meester maakte die culmineerde in de kreet 'Amsterdam heeft het'. Al had de stad klaarblijkelijk nog niet genoeg.

Ze wilde ook nog de Olympische Spelen van 1992 in huis halen en om haar kandidatuur kracht bij te zetten werd er al geschetst aan een Olympisch dorp (het tegenwoordige Nieuw-Sloten) en dacht men aan een nieuw stadion in Amsterdam-Zuidoost bij het metrostation Strandvliet. Genadeloos, hard en meedogenloos spatte de Olympische droom in 1986 uiteen. De trotse Amsterdamse plannen hadden geen enkele indruk gemaakt op het hoge Olympische presidium.

Het idee van een nieuw stadion bleef hangen. In opdracht van de Stichting Amsterdam Sportstad (in '87 opgericht) werd er een ontwerp gemaakt voor een stadion dwars over de Burg. Stramanweg tussen de metrostations Strandvliet en Bijlmer.

Ach, moeten velen toen meewarig hebben gedacht, weer zo'n irreëel Amsterdams droompje, zeker toen ze kennis namen van de details: het stadion zou bovenop twee parkeerlagen worden gebouwd waarmee de grasmat maar liefst ruim acht meter boven het maaiveld zou komen te liggen. Bovendien moest het stadion ook dienst doen als evenementenhal en zouden alle zitplaatsen overdekt moeten zijn.

Het plan leek des te onwezenlijker omdat Amsterdam in deze eeuw een solide imago had opgebouwd van een weldoordachte stedenbouw met een ijzeren discipline. Daarin was nauwelijks plaats voor hemelbestormende initiatieven. Alhoewel... midden jaren tachtig waren er al genoeg signalen dat die goed ge-oliede Amsterdamse stedenbouwkundige machine haperde. Het was alsof het echec van de woonwijk Bijlmermeer de stedenbouwers onzeker had gemaakt.

Ze verloren hun greep op de stad en alom zag je, juist in Amsterdam Zuidoost maar ook elders in de stad, losstaande gebouwen ontstaan die zich weinig van de omgeving aantrekken. De initiatiefnemers van een nieuw stadion moeten dat haarfijn hebben aangevoeld. Want in 1988 werd er zelfs een Sportcomplex Amsterdam BV opgericht, dat een strategie liet uitstippelen hoe een combinatie van een stadion/evenementenhal met parkeergarage gerealiseerd kon worden. Eind jaren tachtig was er een heus ontwerp: nog steeds dwars over de weg, maar nu ook met restaurants, een museum, en een stadion (met atletiekbaan) dat geheel overdekt was.

Nog steeds was de buitenwereld sceptisch, ook al toonde voetbalclub Ajax nu interesse in het idee. De cynici hebben ongelijk gekregen. Onamsterdams snel is het toen allemaal verlopen. Na een drastische bezuiniging van veertig miljoen gulden, staat de Amsterdam Arena er nu met Ajax als vaste bespeler. Het idee is werkelijkheid geworden.

Blijft natuurlijk die andere vraag: hoe maak je zo*n gebouw? Daarvoor moeten we naar de landelijke, schilderachtige Alblasserwaard met zijn statige boerderijen, die niet zelden zijn verbouwd tot rustieke woonpaleizen. Een schriller contrast met de steenmassa van Amsterdam-Zuidoost is nauwelijks denkbaar. In een door hem zelf verbouwde personeelswoning woont Rob Schuurman (1938) die in de vroegere garage/schuur van het pand zijn éénmans architectenpraktijk voert.

Het lijkt onwaarschijnlijk: maar daar, in die verbouwde garage aan een kronkelende weg in de Alblasserwaard, heeft dat kolossale, immense bouwwerk van Amsterdam Arena zijn vorm gevonden. Schuurman is realist genoeg om meteen toe te geven dat er velen, zeer velen hun bijdrage aan het ontwerp hebben geleverd, maar hij vindt toch dat hij het was die uiteindelijk aan de meeste touwtjes trok.

Als architect werkt hij veel voor Grabowsky & Poort, een ingenieursbureau dat zich ook op het terrein van projectontwikkeling waagt. Zo ontwierp hij een groot appartementenhotel voor hen dat op het Caribische eiland Sint-Maarten is gerealiseerd. En omdat Grabowsky & Poort tot de inner circle behoorde die het idee van een nieuw Amsterdams stadion schraagde, werd hem al in 1988 gevraagd hiervoor 'even' een ontwerp te leveren.

-'Hoe maak je een stadion?'

Rob Schuurman lacht. 'Daar zou ik, samen met jullie dan, een boek over kunnen schrijven.'

We zien het meteen voor ons: een kloek boek, gesponsord door al die daadkrachtige instanties rond Amsterdam Arena, waarin overzichtelijk en degelijk de geschiedenis van de stadionbouw uiteen wordt gezet. Per slot van rekening is het sportstadion een type gebouw dat al ruim tweeduizend jaar bestaat. Het zou een klassiek boek worden met de even klassieke openingszin 'Reeds de oude Grieken...'. Ja, want in de stad Olympia werden al stadions gebouwd en hippodromen, al zo'n vijf eeuwen voor onze jaartelling.

Maar meteen moet eraan worden toegevoegd dat ook de Egyptenaren, de Azteken, de Chinezen en vooral de Romeinen zeer bedreven waren in het maken van sportgebouwen. Van het beroemde Circus van Maxentius, dat de Romeinen in het jaar 311 bouwden, gaat de overlevering dat het zelfs 250 duizend toeschouwers kon bevatten. Daar is Amsterdam Arena nog een kleuter bij. Maar in zo'n boek zou ongetwijfeld veel plaats moeten worden ingeruimd voor het stadion aller stadions: het Colosseum in Rome. Ooit Amfitheater Flavium geheten toen het in het jaar 80 werd gebouwd, maar sinds er een reusachtig beeld van keizer Nero werd opgericht, heette het Colosseum.

Daar konden 50 duizend bezoekers in, evenveel als in de Arena, en ook de maten wijken niet echt veel af: het was - en is - 190 meter lang en 156 meter breed. Dus die naam Colosseum was helemaal niet zo gek geweest. En dan zou zo'n boek ook gaan over Spaanse stierenarena's die als eerste de skyboxen en business seats introduceerden, al eeuwen terug, en...

De stem van Rob Schuurman is indringender dan deze dagdroom. 'Eigenlijk is het heel simpel. Je hebt een grasmat met een renbaan en daaromheen moeten tribunes komen. Je echte probleem zijn de zichtlijnen. Ik heb een computerprogrammaatje laten schrijven waarmee ik kon uitrekenenen hoe je zo efficiënt mogelijk die tribunes volgens die zichtlijnen kunt indelen. Je krijgt dan een krom verlopende tribune, een hyperbool, en dan blijkt dat je heel goed moet opletten wat er direct rondom het veld gebeurt: daar moet je je winst halen. Het volgende probleem is: hoe komen de mensen erin en eruit. Dat is een logistiek probleem. Daarvoor ga je andere stadions bezoeken, en daar kom je ook uit. Het laatste probleem is de schaal, hoe groot moet alles worden.'

Hij stelt het bewust simpel voor. De pretlichtjes in z'n ogen verraden de vertrouwelijke amicaliteit waarmee hij het zegt. In werkelijkheid moet het vaak een getob zijn geweest.

Maar waar komt toch die intimiteit van Amsterdam Arena vandaan? Dan vertelt Schuurman een jeugdherinnering. Dat hij, vlak na de oorlog, of even in de jaren vijftig, met zijn vader in het Olympisch Stadion zat. Bij een interland. 'Ik dacht Nederland-Egypte'. Heeft zoiets ooit plaatsgevonden? Nou ja, wat het ook mag zijn, wat hem is bijgebleven was dat hij tegen een kolom aankeek. Verschrikkelijk. En dat het stadion zo leeg was.

'Dat kwam door die grote afstand tussen de tribunes en het veld. Tussen de grasmat liggen een atletiekbaan en een wielerbaan. Dat schept niet alleen afstand, daardoor voelt de ruimte tussen de tribunes leeg aan. Dat kun je tegengaan door de tribunes hoger te maken, maar dat is onwenselijk. Ik was dan ook wat blij dat die atletiekbaan in de Amsterdam Arena uiteindelijk is komen te vervallen. Als architect dan. Als sportliefhebber zou ik maar wat graag hebben gezien dat je als atleet eindelijk overdekt in een stadion kunt trainen.'

Want dat is wat Amsterdam Arena tamelijk uniek maakt: het heeft, samen met nog vijf andere stadions in de wereld, boven de grasmat een verschuifbaar dak. Twee bewegende panelen van elk 40 bij 118 meter kunnen in zo'n minuut of twintig het hele binnengebied overdekken. Schuurman schetst uitvoerig de problemen die dat gaf. Vooral ook toen er veertig miljoen bezuinigd moest worden: 'Weet je hoeveel dat is, veertig miljoen? Dat is zo'n veertig peperdure rijkeluis villa's. Veertig stuks! Die moet je wegbezuinigen.'

Het is uiteindelijk gelukt, door de afstand tussen de dragende kolommen te vergroten. Schuurmans nuchter: 'Een vloerplaat is uiteindelijk goedkoper dan een staande kolom.'

Hij was een spin in een merkwaardig web. De initiatiefnemers hadden een idee, en hij heeft het zo goed als het kon vormgegeven. Niet zozeer in de details (al blijft hij trots dat de kolommen die de bovenste tribune dragen, scheef staan. Dat was constructief niet noodzakelijk, maar geeft het gebouw wel zijn karakteristieke aanzien en dan vooral in de ruimtebeleving. Die intimiteit heeft hij bewust gezocht, en nog eens versterkt door de gekleurde patronen die de kuipstoeltjes vormen. Het liefst zag hij het stadion ('Nee, het is geen stadion, het is ook een evenementenhal en een Transferium') ingebed in een strakke stedebouwkundige structuur waar het massaal bovenuit rijst.

Daar komt niets van terecht. Amsterdam heeft zich gecorrumpeerd aan de losstaande gebouwen die als spoorweg-ongelukken worden neergezet. Zo komt er in de toekomst een zeer hoge woontoren naast het stadion, afzonderlijke kantoortorens, theaterzalen, een squashcentrum, - noem maar op. Schuurman vindt het maar niks; hij denkt in ruimtes. Hij houdt van het dichtbebouwde Venetië, is onder de indruk van de ruimtebeleving van de gotiek. Hij houdt kortom van ruimtes die een rustige, ingetogen samenhang tonen. Dat heeft hij bereikt binnen zijn stadion, maar aan de buitenkant heeft hij zijn greep verloren. Hij is er niet bitter over, hooguit bedroefd. Erg bedroefd.

De oorzaak van die droefenis ligt bij de Amsterdamse Welstandscommissie, een orgaan dat toeziet dat alle gebouwen in de stad er goed uitzien. Een merkwaardig, archaïsch verschijnsel: iedere architect moet voor dat college telkens weer toelatingsexamen doen. Collega-architecten en een enkele buitenstaander beoordelen dan of een ontwerp wel goed is. En Schuurman zakte. Men vertrouwde hem klaarblijkelijk niet.

Wie was dan wel ene Schuurman uit de Alblasserwaard? Dus moest er een van naam en faam bekende architect bijkomen om het werk te voltooien. Dat werd Sjoerd Soeters (1947). Met zijn paarse stropdas, geelbeige zomerjasje en zijn van de onsterflijke architect Le Corbusier afgekeken zware uilenbril is hij het tegendeel van Schuurman die zich in zijn eigen bureau voortbeweegt in een spijkerbroek en een overhemd zonder das.

De wereld van Soeters ('Ik weet niks van voetbal; ik kijk er soms naar met mijn dochter op schoot') speelt zich dan ook niet af in een oud polderlandschap, maar in de hectische Amsterdamse Kerkstraat, waar hij een voormalig kerkgebouw een eigentijds aanzien heeft gegeven met veel metalen golfplaat als gevelbekleding. Soeters is een man die er duidelijk lol in heeft zijn gebouwen in hun vormen een sprookjesachtige vervoering mee te geven zonder dat dit veel afbreuk doet aan de efficiency en helderheid van het gebouw zelf.

Hij praat ook in associaties: zo wilde hij de trappenhuizen aan de zijkanten van de Arena markanter maken door er dozen van te plaatsen met negen grote ronde gaten erin: 'Alsof je er een bal door kunt schieten.' De noodtrappenhuizen die de stalen bogen van het schuifbare dak dragen, kregen ronde inkepingen met een dwarsverbinding, als veters in een voetbalschoen.

Hij wilde de trappenhuizen transformeren in 'watervallen die een Piranesi-achtig effect oproepen'. Hij refereert daarbij aan de Italiaanse architect Giovanni Piranesi (1720-1778) die op tekeningen nachtmerrie-achtige, maar wel fascinerende, sferen wist op te roepen met trappen.

Voor Soeters stond vast dat het ontwerp van het stadion voor 95 procent goed was; hij achtte het zijn taak die overige vijf procent in te vullen als een estethische operatie. Toch verandert zijn vijf-procentregeling drastisch het concept dat Schuurman voor ogen stond. Zo werd de kap niet langer turksgroen, maar onopvallend grijs, dat met de weersomstandigheden verkleurt. 'Dat geeft een subtiel spel van schaduw en licht.' Zo probeert hij ook in het entreegebouw - waarvan later bleek dat het er moest komen omdat het stadion zelf al te klein bleek - de Rolex-sfeer die in de skyboxen en business seats heerst, weer te geven.

Schuurman heeft geen enkele affiniteit met de wereld van Soeters. Hij gruwt er zelfs van. Hij wilde een nuchter, Hollands stadion waarin veel kan en waarin vooral een goede sfeer heerst op de tribunes. Het zij hem tot troost: het concept van Amsterdam Arena torent hoog boven alles uit. Het is niet meer kapot te krijgen. De plastische, cosmetische chirurgie die Soeters - met oog voor zeer kleine details - uitvoert, was op zich niet nodig geweest, maar doet ook weinig kwaad. Uiteindelijk wordt de historie van Amsterdam Arena geschreven op de grasmat. En de toeschouwers zitten daar pal boven op.

Hoe je een kolossaal stadion maakt? Gewoon doen en nuchter blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden