De inslag van Dantes poëzie

'DE DANTE van de dichters' - het is een onmogelijk Nederlands boek. Nederlandse dichters hebben weinig of niets over de Italiaanse dichter geschreven, zeker niet over de vraag wat Dante voor hun eigen poëzie of poëticale opvattingen betekent....

Men moet in elk geval ver terug. Potgieter, die samen met Huet in 1865 - vanwege de zeshonderdste geboortedag - de Dante-feesten in Florence bezocht, publiceerde in 1867 het gedicht 'Florence', geschreven in terza rima, naar het voorbeeld van de Divina Commedia. Voor Henriëtte Roland Holst heeft Dante heel veel betekend in haar ontwikkeling (haar eerste bundel was rechtstreeks door hem beïnvloed); Verwey vertaalde de Commedia op rijm (als Potgieter hield hij van de binding aan strenge vormen). Nijhoff bekritiseerde die vertaling in een scherpzinnig stuk, waarvoor hij 'op dinsdag' diep gedacht moet hebben.

En dan is er natuurlijk Pierre Kemp, die in de jaren twintig werkte aan een gedicht dat een soort Divina Commedia moest worden: 'De nieuwe tocht'. Het bleef onvoltooid, werd niet gepubliceerd. Het is een even overspannen als onbegrijpelijk gedicht. In wat uit het vroege werk wel werd gepubliceerd, blijkt vaak een heel sterke invloed van Dante, naar de inhoud en naar de vorm.

De Engelse en Amerikaanse literatuur maakt een dergelijk boek wel mogelijk. In de negentiende eeuw begint bij dichters aandacht voor en beïnvloeding door Dante. Shelleys poëzie laat het zien, Byrons onvergelijkelijke geste: wenend knielt hij neer bij het graf van Dante in Ravenna.

De inslag van de poëzie van Dante kwam in de eerste decennia van de vorige eeuw in het werk van twee Amerikanen: Pound en Eliot. 'Inslag' kan ook in andere betekenis verstaan worden: bij Eliot verscheen hij in de schering van zijn eigen poëzie, in The Waste Land, en, ruim twintig jaar later (in een schitterende passage over de apocalyptische bombardementen op Londen) in 'Little Gidding' uit Four Quartets.

Nog geen zes jaar na The Waste Land, die onovertroffen verbeelding van de onsamenhangende, lege, moderne wereld, schrijft Eliot zijn grote essay over Dante als de Europese dichter bij uitstek, de dichter van eenheid en samenhang ook, de theologische, de filosofische dichter. Die Dante - volgens Seamus Haeney een voorbeeld van Eliots herschepping van Dante naar eigen beeld - zal het volgende werk van Eliot mede gestalte geven. De Italiaan heeft hem uit de wildernis gered, van het modernisme tot een meer klassieke poëzie gebracht.

Maar ook hierin was Dante Eliots grote voorbeeld: als het individuele talent in de grote traditie, maar ook als schepper van de poëzie die geen uitstorting van emoties, maar juist een ontsnapping daaraan is. Alles staat in het bijna voor zijn hele werk programmatische essay 'Tradition and the Individual Talent' uit 1917 (bijna alle 'ideale' voorbeelden erin komen uit Dante!).

Een kleine lezing van Eliot met de titel 'What Dante Means to Me' is de vierde tekst in het boek The Poets' Dante - Twentieth Century Responses. Pound, Yeats en een theologiserende essayist, Charles Williams, gaan aan hem vooraf. Maar Eliots naam komt - uiteraard na die van Dante - het meest in het boek voor, citaten uit zijn werk ook. Onkritisch wordt hij niet benaderd, onder anderen door de grote Italiaanse dichter Eugenio Montale en door Seamus Heaney, maar hij blijft de belangrijkste, de invloedrijkste, de meest beïnvloede ook.

In het boek zijn 28 bijdragen bijeengebracht: van doden en van levenden. Op Osip Mandelstam en Montale na zijn alle auteurs Engels of Amerikaans. Het boek staat stijf van eerbied. Het heeft ook een overdaad aan metaforen en vergelijkingen. Zeker grote poëzie is niet anders dan in metaforen en beelden te benaderen. De grootste metaforist is Mandelstam, wiens zeer lange stuk, 'Conversation about Dante', meer een verzameling schitterende statements dan een beschouwing is.

Hij vergelijkt de poëzie van de Divina Commedia (als we die konden horen) met een klarinet en een trombone, maar ook met een orgel, met een mineralencollectie, het ontstaan ervan met kristallisaties (heel mooi). De compositie van de canto's 'lijkt op het schema van een luchtvaartlijn of de onvermoeibare vluchten van postduiven'; het schrijven ervan is te vergelijken met het laveren met een zeilboot (Dante was een groot kenner van de zeilvaart, dat wist ik niet). Ten slotte is daar voor het hele werk de bijenstaat. Het kan niet op.

Het boek is daarnaast rijk aan prachtige citaten, uit werk van andere schrijvers en geleerden over Dante; de medewerkers zijn bijna allemaal belezen. Heel goed is de uitspraak van de grote Franse mediëvist Ettienne Gilson: is in de Bijbel de letterlijke betekenis waar, in de poëzie is het omgekeerde het geval. 'Daar is de allegorische betekenis waar, en alleen de waarheid daarvan rechtvaardigt de letterlijke betekenis, waarvan het enige doel is de eerste betekenis te geven.'

De dode dichters lijken mij soms beter dan de levende. Montale, de enige dichter van wie Italiaans de moedertaal is, is wijs van evenwichtigheid en dienstbaarheid (heel goed is zijn bespreking van eenheidscheppende factoren in de Commedia). Borges maakt een aantal werkelijk briljante opmerkingen. Hij bespreekt onder meer de scène van Francesco en Paolo (met de zo voor Dantes eigen waaghalzerij kenmerkende passage over Ulysses, de meest besprokene in het boek) en schrijft dan, na de opmerking dat de twee nog altijd elkaar liefhebben: 'Berouw is in de hel verboden.' En een pagina verder: 'Zij zijn voor eeuwig bij elkaar; zij delen de hel en die moet voor Dante een soort paradijs zijn geweest.'

Uit het werk van de levenden is de uitgebreide beschouwing van Heany de beste. Hij stelt de moeilijkheid, waaronder nogal wat bijdragen van jongere Amerikanen lijden, heel scherp. Hij citeert een aantal regels van Yeats over Dante, becommenarieert die, laat dat volgen door een prozacitaat van Yeats en schrijft dan: 'Ik citeer deze regels meteen aan het begin, om eraan te herinneren dat wanneer dichters zich tot grote meesters uit het verleden wenden, zij zich wenden tot het beeld van hun eigen schepping, wat waarschijnlijk een reflectie op de tekorten van hun eigen verbeelding is, hun eigen artistieke neigingen en werkwijzen.'

Daarom leer je over Dantes werk ook meer uit het werk van de grote essayisten en literatuurwetenschappers - Auerbach wordt terecht vaak genoemd - dan uit deze vaak briljante stukken van dichters en Dante onder elkaar. Maar sommige van hun opmerkingen onthoud je door de brille ervan beter. Wat is meer waard?

De soms niet zo geweldige kwaliteit van de jongere dichters moet ook hiervan het gevolg zijn: zij hebben hun stuk, op verzoek, voor dit boek geschreven. Opgelegde reflectie is vaak niet de sterkste. En op al die herinneringen aan de eerste lezing zitten we ook niet bepaald te wachten. De samenstellers, Peter Hwakins en Rachel Jacoff, hebben het zich gemakkelijk gemaakt. Behalve twee weinigzeggende inleidingen en iets te genant enthousiasme leveren ze niets: een bibliografie ontbreekt, personalia van de opgenomen auteurs ook. (Een heel goede studie waar de auteurs voor een degelijke inleiding veel aan hadden kunnen ontlenen, is het in 1983 verschenen Dante and English Poetry van Steve Ellis.)

Bijna allen blijven op de louteringsberg; het paradijs van het totaal verstaan van Dante blijft hun ontzegd. Hij is te groot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden