De IJsselstreek en de Moderne Devotie

ER IS geen boekje waarin zo vaak met andere, altijd zuinige, woorden hetzelfde wordt gezegd als De navolging van Christus van Thomas a Kempis....

door Kees Fens

De zelfvermorzeling, die een vorm van introspectie is, is er een van minuut naar minuut. Het gaat nooit om grote dingen - de taal is bevlogen als een mus - de gelovige is de binnenhuisarchitect van zijn ziel. Het boekje werd - dat is uit een aantal hoofdstukken duidelijk - geschreven voor kloosterlingen, maar het is eeuwenlang door ontelbare leken herkauwd.

Door het boekje van Thomas a Kempis - hij schreef het in een klooster op de Agnietenberg bij Zwolle - heeft de hervormingsbeweging, die de 'Moderne Devotie' heet, haar grootste invloed uitgeoefend. Die beweging ontstond aan het einde van de veertiende eeuw in Deventer, onder leiding van Geert Groote (1340-1384). De hervorming betrof voor alles een innerlijke bij de individuele gelovige. In het grijze Hollandse licht werd ze vanzelf een beweging van soberheid, een kleinsteedse beweging ook, en om zijn concentratie op het eigen innerlijk leven ook een kleinzielige, in de meest letterlijke bertekenis.

Priesters en clerici gingen samen wonen, vrome vrouwen ook, de huizen van de Broeders en Zusters van het Gemene Leven ontstonden. Kloosters in strikte zin waren het niet. Die ontwikkelden zich pas later. Leerlingen van Geert Groote stichtten het eerste klooster in Windesheim bij Zwolle. De hele IJsselstreek was doortrokken van het 'ijdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid'.

In het geestelijk leven van de Moderne Devoten stond de mens Christus centraal en vooral de lijdende Christus, wiens pijnen en vernederingen in toeschouwend gebed werden overwogen en mede-geleden. Ik gebruik met opzet het woord 'toeschouwend': de blik zal gericht zijn geweest op het kruisbeeld: men kijkt, beleeft en verlangt zelf naar lijden, in navolging van Christus dus. Men kan zich als 'toeschouwer' zelf ook het lijdensgebeuren in de geest voorstellen, en dat zal realistisch zijn. Op het toeschouwend bidden kan de beschouwing volgen, maar dat is een beeldloze aangelegenheid. De in 1994 in het Rijksmuseum gehouden tentoonstelling Gebed in schoonheid - Schatten van privé-devotie in Europa 1300-1500 wilde de kunst geworden beelden en afbeeldingen weer in hun oorspronkelijke religieuze functie laten zien. Door de te artistieke aan- en inkleding van de expositie mislukte dat streven. De kunst bleef de aandoenlijkheid en aandoening beheersen. De eenvoud kreeg geen kans.

Het realisme van het toeschouwend gebed was zeer groot (die hele periode - we zijn in het herfsttij - is religieus zeer realistisch). Ik meen dat dat realisme bijvoorbeeld het lijden van Christus wel kan verdiepen, maar het verkleint het ook, tot de grootte van de zuchtende ziel, dat Hollands binnenhuisje. De mystiek is er eerder een van de leer - door enkele Nederlandse grootmeesters van de spiritualiteit beschreven - dan van het leven, waar de grens van de vroomheid samenvalt met die van het huis. Zeker in de vrouwenhuizen lijkt meer een intens vrome, affectieve religiositeit dan een grootste spiritualiteit aanwezig. Ik vermoed dat dat realisme niet anders dan als Noord-Nederlands moet worden gezien. En de zuinigheid, soberheid, eenvoud zijn daarin mede vervat.

In november 1999 werd aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een colloquium gehouden onder de titel Geen povere schoonheid. Het handelde over de verhouding tussen de Moderne Devotie en de kunsten en was als zodanig een voortzetting van een elf jaar eerder gehouden colloquium. Onder de titel van de conferentie zijn nu de voordrachten, die nagenoeg alle het karakter hebben van gespecialiseerde studies, bijeengebracht. De vraagstelling achter bijna alle voordrachten is een dubbele: hoe ging men in de spiritualiteit met afbeeldingen om en vervolgens: is er beeldende kunst die duidelijk onder invloed van de geest van de Moderne Devotie is ontstaan.

Na een wat heterogene inleiding door de redacteur van de bundel, de kunsthistoricus Kees Veelenturf (die zijn ongeloof in de mogelijkheden van het thema soms lijkt te moeten beheersen) volgen twee wezenlijke beschouwingen: door Kees Waaijman over een tekst van Geert Groote, door Rudolf Th.M. van Dijk over een werkelijk schitterende tekst van Gerard Zerbolt van Zutphen. In beide stukken zit men in het hart van de spiritualiteit en in het 'trappensysteem' elke spiritualiteit eigen. Wat ik toeschouwende meditatie noemde is die van het beeld en daarmee lichamelijk, de beschouwing is beeldloos en dus zuiver geestelijk.

Zowel Groote als Gerard Zerbolt van Zutphen lijkt te schrijven voor een kring van ingewijden; hun leer kan niet aan het leven van velen zijn ontleend. Men krijgt uit het boek de indruk dat het hoogste in de praktijk door de Devoten vaak realistisch werd gemaakt: uit het grote koos men het kleine. Een prachtig opstel van José van Aaelst over 'het gebruik van beelden bij Suso's lijdensmeditaties' kan het bewijzen. Men lijkt te lenen naar eigen draagkracht.

De wat ik maar noem binnenhuiselijkheid van de devotionaliteit - die allerlei aan de mystiek verwante uiterlijke verschijnselen niet uitsluit - krijgt gestalte in de studie 'De kerstkribbe van zuster Katheryna van Arkel, 'die blinde': Jezus en de vrouwelijke Devoten in de vijftiende eeuw'. Het werd geschreven door Charles Caspers (die aan het begin de onsterfelijke zin neerschrijft: 'Het kind Jezus zal dienst doen als rode draad door het verhaal').

Niet alleen beschouwing van Jezus' lijden staat centraal, ook die van zijn geboorte. Daarbij is het doel de geboorte van Jezus in de ziel. Dat laatste is de kern van de hele spiritualiteit van de Devoten: de beschouwing heeft de Christuswording van de beschouwer tot doel. De 'kerstening' van de ziel staat centraal. Het beeld - de door anderen gemaakte of de eigen voorstelling - is slechts hulpmiddel. De 'hagiografische' schetsen van nonnen die Caspers bijeenbrengt, geven daarvan een vaak aandoenlijk beeld (bij alle gemeenplaatsen, natuurlijk).

Het realisme van de toeschouwer wordt scherp zichtbaar in de studie 'Laat-middeleeuwse devotie tot de lichaamsdelen en bloedstortingen van Christus', geschreven door de Amerikaanse Kathryn M. Rudy. Hier zijn we zeer ver van de grootsheid van de leer als door Geert Grote, Gerard Zegbold van Zutphen en later natuurlijk op het allerhoogste niveau door Ruusbroec beschreven. We krijgen hier de uitingen van hogere smakeloosheid die het katholicisme tot ver in de twintigste eeuw zullen beheersen. Het grote devote is devotie geworden, het geloof dat van de zijkapel.

Voor de verhouding Devoten-kunst lijken de studies nauwelijks iets op te leveren. Voor die tussen Devoten en beeld veel meer. En dat is tussen uiterlijk en innerlijk, tussen lichaam en geest. Misschien de aardigste studie uit het boek is die van de kunsthistoricus A. M. Koldeweij, 'Lijflijke en geestelijke pelgrimages: materiële 'souvenirs' van spirituele pelgrimage'. De 'lijflijke' pelgrimage is de traditionele en in de Middeleeuwen druk beoefende, met alle daaraan verbonden aflaten en de beloning met een 'pelgrimsteken'. Niet iedereen kon zo'n tocht volbrengen. Mede daaruit ontwikkelt zich dan - superieur voorbeeld van kerkelijk vernuft - de 'spirituele' pelgrimage, men maakt de tocht in de geest. De gelijkstelling van lijflijk en spiritiueel was mede mogelijk door de beide beheersende gedachte van het leven zelf als pelgrimsreis. Tegen de lijflijke pelgrimages bestonden velerlei bezwaren. Dat en hun eigen nadruk op de innerlijkheid maken de geestelijke pelgrimsreis voor de Devoten aantrekkelijk. Hoe men dat geestelijke materieel, in beelden uit de pelgrimssteden, realiseerde, levert fascinerende lectuur op.

Hoe is het met de invloed van de Moderne Devotie op de beeldende kunst? Er zijn meer vermoedens dan zekerheden in vele stukken. Zeer ter zake is de bijdrage van Bert Cardon en Brigitte Dekeyzer over Dirc Bouts, de Hollander die zich in de heel jonge universiteitsstad Leuven vestigde. Men heeft de geest van de Moderne Devotie in zijn werk gezien. De auteurs maken aan die gedachte een definitief einde door heel andere invloeden - vanuit de Leuvense universiteit - in zijn werk aan te wijzen en te documenteren. De eenvoud van zijn religieuze werk komt uit een heel andere bron.

Er blijft weinig inhoud over voor de ondertitel van het boek, dat in feite een uiterst geslaagde mislukking is. Want er is een ongewoon grote hoeveelheid informatie over de Moderne Devotie en alle uiterlijkheden en innigheden, waarin de geest ervan zich uitte of verdieping zocht, bij elkaar gebracht. Over de Devoten en de door hen vervaardigde boeken ook (Thomas a Kempis kopieerde de bijbel in een vijfdelige uitgave). Zij hebben het woordbeeld in elk geval allerminst versmaad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden