De idealisten van toen zijn de materialisten van nu

De jaren zestig zullen straks amper een vermelding in de geschiedenisboeken waard zijn, meent Herman Wigbold. En dan vooral als het jaar waarin de conservatieve krachten een grote overwinning boekten....

IN DE AFGELOPEN weken is grote aandacht besteed aan het jaar 1968 - en vooral aan de meirevolutie in Frankrijk - hoewel dat jaar in betekenis in geen enkel opzicht is te vergelijken met andere bekende jaren zoals 1848, het jaar van de grondwetsherzieningen, of 1648, toen niet alleen de Nederlandse onafhankelijkheid werd bevestigd, maar ook een einde kwam aan de rampzalige Dertigjarige Oorlog. In de geschiedenisboeken van de toekomst zal 1968 nauwelijks een aparte vermelding waard zijn.

Voorzover het nog wordt vermeld, zal er eerder gesproken worden van het jaar waarin de conservatieve krachten een grote overwinning behaalden dan van het jaar van de revolutie.

Nog geen twee maanden na de Meirevolte kreeg president De Gaulle een groter vertrouwensvotum dan hij ooit had verworven en in de VS was 1968 het jaar van de dood van Robert Kennedy - de enige hoop toen op veranderingen - en de overwinning van Nixon die iedere hoop op een spoedig einde van de oorlog in Vietnam de bodem in sloeg.

De Meirevolte is mislukt en daar mogen we de Here dankbaar voor zijn. Een beweging die spreekt over de verbeelding aan de macht en een drastische hervorming van de maatschappij, lijkt in het begin heel aantrekkelijk maar leidt altijd, zo heeft de historie toch overvloedig bewezen, tot onderdrukking en bloedvergieten. De historicus Hans Righart (Forum, 23 mei) heeft de Meirevolte dan ook terecht aangegrepen om de discussie te verbreden tot het geheel van de jaren zestig.

Righart wil de verdraaiing van verleden die hij constateert, tegengaan. Dat is een nobel doel. Maar na lezing kan men zich toch moeilijk aan de indruk onttrekken dat hij, ondanks de beoogde wetenschappelijke distantie, vooral uit is op een verdediging van de jaren zestig.

Hij onderscheidt twee perioden: de jaren zestig en de jaren negentig. De eerste periode werd gekenmerkt door idealisme, ethiek en sociale betrokkenheid, de tweede periode door materialisme, cynisme en geld verdienen. Los van het feit dat een dergelijke redenering wel uiterst kort door de bocht gaat, roept ze meer vragen op dan ze kan beantwoorden.

Wat Righart kennelijk over het hoofd ziet, is dat de idealisten van toen en de materialisten van nu dezelfden zijn. De jaren zestig-generatie was tussen de twintig en dertig jaar oud, begon haar mars door de instituties in de jaren zeventig, bereikte in de jaren tachtig de posities net onder de top, moest in die jaren nog een nieuw-rechtse golf onder Thatcher en Reagan over zich heen laten gaan, maar kwam begin jaren negentig definitief op het hoogste pluche terecht.

Met Clinton, Blair, Kok en straks Schröder heeft de babyboom-generatie de teugels in handen genomen. De 'revolutie' uit de jaren zestig is dus niet overweldigd of verwaterd door de ingreep van anderen, nieuw-rechts of het neo-liberalisme, maar door de dragers van de revolutie zelf. Misschien is Kok, in tegenstelling tot wat Righart meent, door zijn Werdegang wel de perfecte erfgenaam van de jaren zestig.

Hoe kon dat gebeuren? Was het gewoon een gevolg van het feit dat de idealisten inmiddels ouder waren geworden? Links als je jong bent, rechts als je oud wordt? Of was het idealisme uit die periode misschien eerder een vernisje dan inhoud?

Hoewel ik de betekenis van het eerste niet wil onderschatten - werk, vrouw, kinderen, hypotheek, etc. - denk ik dat de oorzaak veeleer in een antwoord op de laatste vraag moet worden gezocht. Righart zelf levert daar al enige bouwstenen voor. Hij constateert terecht dat de jaren zestig ook worden gekenmerkt door een terugkeer naar het verleden.

Het verzet tegen de techniek, de liefde voor het kleinschalige, het heimwee naar de groententuin verschilden weinig van het verzet van onze grootouders tegen de komst van de trein. Ook de hang naar Oosterse mystiek en transcendentie kan moeilijk vooruitstrevend worden genoemd. Righart noemt dat de terugkeer naar de romantiek. Minder welwillende beschouwers zouden het een reactionair trekje kunnen noemen.

Maar dat beantwoordt niet helemaal de vraag naar het hoe en waarom. Is het uitgesloten dat het idealisme, althans voor een deel, een voorwendsel was om de macht te veroveren? Waren de veelgeprezen idealen niet veelal een moreel excuus voor het najagen van het eigen genot? Waren zij niet een breekijzer om af te kunnen rekenen met de autoriteiten? Hoe wil men anders verklaren dat de autoriteiten van nu slechts marginaal afwijken van de autoriteiten van toen - in gunstige zin dat ze meer open zijn, in ongunstige zin dat ze minder civic spirit bezitten.

Ik stel het vragenderwijs omdat ik soms de indruk heb dat men een heiligenbeeld stukslaat als men kritische opmerkingen over de jaren zestig maakt. Zelf beschouw ik de jaren zestig als de aardigste periode uit mijn leven, maar dat is nog geen reden om geen kritische vragen te stellen.

Van een ontheiliging is trouwens geen sprake. Alle maatschappelijke bewegingen zijn een mengeling geweest van idealisme en egoïsme. En het pleit voor een beweging als men middelen kiest die succes hebben.

Niettemin was de betekenis van de jaren zestig minder groot dan de betrokkenen van toen willen doen geloven.

Een groot deel van de veranderingen in de jaren zestig was al in de jaren vijftig voorbereid. Seksuele vrijheid was al toegenomen na de Tweede Wereldoorlog - ik spreek uit ervaring - en de jaren zestig hebben er vooral de anti-conceptiepil aan toegevoegd. Het gezag stond al onder spanning na de komst van de televisie. En al in 1958 verscheen in Amerika het boek The end of ideology. In hetzelfde jaar doorbrak de rock-'n-roll het klassieke muziekpatroon.

Deze constatering doet niets af aan het feit dat al die ontwikkelingen in de jaren zestig definitief gestalte kregen. De 'verdiensten' van die jaren liggen echter meer op het terrein van de vrouwenemancipatie (zoals abortus, een woord dat men in de jaren vijftig nog nauwelijks in de mond durfde te nemen), in de aanvaarding van homoseksualiteit en in de bevrijding van de cultuur dan in seksuele vrijheid in strikte zin en andere gezagsverhoudingen.

Righart ergert zich aan de verwijten uit neo-liberale kring dat de jaren zestig verantwoordelijk zijn voor de latere verloedering. En inderdaad, het neo-liberalisme met zijn nadruk op markt, succes en geld heeft daar zeker toe bijgedragen. Maar wie de successen uit die jaren opeist, kan zich niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor de latere gevolgen.

De jaren zestig hebben de akker bewerkt waarop het latere neo-liberalisme kon bloeien. Vrije seks leidde tot kinderporno, ongebonden individualisme tot het najagen van eigen bevrediging en gemakzucht, propaganda voor geestverruimende middelen tot drugsverslaving, anti-autoritaire ideeën tot anarchisme in gezin en behandeling van geesteszieken.

Righart zelf formuleert het fraai wanneer hij zegt: 'De seksindustrie is daar het akeligste voorbeeld van. Hier heeft de permissiviteit van de jaren zestig zich verbonden met het pooierdom van de vrije markt.'

Aan het einde van het artikel noemt Righart de liberale aanklacht tegen de jaren zestig als aanstichter van normloosheid en maatschappelijke verwildering hypocriet. Maar het is even hypocriet Bolkesteins 'steeds ruiger wordende maatschappij' het bijproduct van zijn eigen liberale ideologie te noemen. Daarvoor is het verband tussen het hedonisme uit die jaren en de huidige verloedering toch te duidelijk.

Herman Wigbold is oud-hoofdredacteur van Het Vrije Volk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden