De ideale basisschool is nog een droom

Tien jaar geleden kreeg de grootste operatie in het onderwijs haar beslag: de fusie tussen kleuter- en lagere scholen. Ter gelegenheid daarvan wordt er deze week gefeest....

XANDRA VAN GELDER

SAMIR SPEELT, rennend, buschauffeur in de klas, terwijl de andere kinderen omgekeerd op hun stoelen zitten te wiebelen. Juf Lia heeft de regie. 'Bij de eerste halte stappen er vier in.' Vier zesjarigen springen op en hollen mee. Bij de tweede stop komen er drie bij. 'Zaza,' vraagt de juf, 'hoeveel passagiers zitten er nu in de bus?' 'Zeven,' oppert Zaza.

Zo leren de leerlingen van groep 3b spelenderwijs rekenen op de Amsterdamse basisschool de Witte Olifant. Het derde jaar, dat staat voor rekenen, schrijven en lezen. Madelief (6), die voordurend haar vinger in de lucht steekt om de vragen van de juf te beantwoorden, denkt dat de echte school pas begint in groep drie. Groep één en twee zijn, in de ogen van ouders en kinderen, niet meer dan een soort fröbelacademie. 'Ik wilde wel eens weten hoe het daar toegaat,' vertelt Madelief. Ze vreesde dat het moeilijk zou zijn. 'Dat is niet zo. Eigenlijk is het héél makkelijk.'

De samenvoeging van kleuteronderwijs en lagere school dateert van tien jaar geleden. Het is de grootste operatie die zich ooit voltrok in het Nederlandse onderwijs. Achtduizend basisscholen vloeiden er uit voort. Geheel in de geest van de jaren tachtig waren de uitgangspunten voor de nieuwe school bevlogen. Kinderen moesten zich niet langer aan de school aanpassen, maar de school zou zich moeten aanpassen aan de leerlingen.

De basisschool zou rolpatronen doorbreken en de ongelijkheid opheffen. Zo zouden meisjes vertrouwd raken met timmeren en konden allochtonen in het voorgezet onderwijs op gelijke voet komen met hun autochtone leeftijdgenoten. Bovendien moest het kind niet alleen iets leren, maar ook gevormd worden tot een compleet, creatief en 'sociaal redzaam' mens. Daarvoor waren extra vakken bedacht, zoals Engels, wereldoriëntatie, verkeersles en vredeseducatie.

Van alle idealen is weinig terecht gekomen. In de afgelopen tien jaar is niet alleen de basisschool maar ook de zwarte school ontstaan. Zwarte school als synoniem voor de vergaarbak van kinderen met achterstanden en problemen. De meeste leerlingen van zwarte scholen scoren in de cognitieve vakken slechter dan de kinderen van witte scholen.

De Witte Olifant is een doorsnee basisschool met een klassikaal onderwijssysteem. Het is één van de weinige gemêleerde scholen in Amsterdam, gevestigd tussen grachtengordel en volksbuurt, tussen monument en stadsvernieuwing, tussen arm en rijk. Volgens directeur Daphne de Groot is haar school 'eerlijk' samengesteld. 'Geen enkele groep overheerst.' Turken, Pakistani, oorspronkelijke Nieuwmarktbewoners of gegoede Amsterdammers, ze zijn met hun kinderen vertegenwoordigd op de school. Deze melange betekende de redding voor de school, die tien jaar geleden als buurtschool nog met opheffing werd bedreigd. Van 84 leerlingen groeide de Witte Olifant naar 215 nu.

Toch vraagt de multiculturele component extra aandacht. Neem Deborah uit 3b, wier moeder Ecuadoriaanse is en het Nederlands niet machtig. 'Gelukkig spreekt de conciërge Spaans,' vertelt Kromhout van der Meer, 'dan kan hij af en toe tolken.' Toen Deborah twee jaar geleden op school kwam, kende zij slechts enkele woorden Nederlands. Zodra de kinderen zelfstandig mogen werken, loopt Kromhout van der Meer naar haar toe en legt de oefeningen in eenvoudige woorden nog een keer uit.

De communicatie verloopt moeizaam. Ze volstaat met 'ik heb gisteren ergens gespeeld' tijdens het kringgesprek, maar waar, geeft ze niet prijs. Haar reactie is een lief, verlegen lachje. 'Ik probeer haar elke dag iets te laten zeggen,' vertelt Kromhout van der Meer, 'dat is de enige manier waarop ze het leert.'

Het kringgesprek loopt over in de leesles. De kinderen mogen de woorden op het bord voorlezen. Echt enthousiast worden ze bij het oplossen van een rebus, die klassikaal wordt uitgelegd. Daarna buigen ze zich twee aan twee over een rebus uit het boek. Alleen al het vinden van de juiste plaatjes kost sommige kinderen veel moeite en het ene groepje is ook sneller dan het andere. Onderwijl geeft Kromhout van der Meer aanwijzingen. Als Bo door zijn partner giechelend op een fout wordt gewezen, haalt hij zijn schouders op. 'Fouten mag je maken, van fouten leer je.'

Door kleuter- en lager onderwijs te integreren zou de overgang tussen spelen en leren moeten vervagen, dat was het belangrijkste uitgangspunt van de basisschool. Eén school voor iedereen van vier tot twaalf jaar, een ononderbroken leerweg. Hoewel de leerlingen, zowel jong als oud, in verreweg de meeste scholen onder een dak gehuisvest zijn, blijft de onderwijskundige integratie vaak achterwege. Kromhout van der Meer, 21 jaar geleden als kleuterleidster begonnen, denkt dat het belangrijkste verschil met vroeger vooral is dat kinderen de school en de leerkrachten al kennen. 'Het is veel vertrouwder voor de kinderen.'

Frea Janssen, verbonden aan het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, en gespecialiseerd in het kleuteronderwijs, constateert dat de inhoud en de onderwijskundige vragen nu na een aanloopperiode van tien jaar aan de orde komen. 'Volwassenen kijken altijd wat kinderen niet kunnen. De vaardigheden die een leerling niet beheerst, moet hij eindeloos trainen. Dat is helemaal niet zo interessant. Kijk eens wat een kind wel kan, en wat het bijna kan, daar moet je bij aansluiten, daar zit het leermoment.'

Toch is met name de kwetsbare kleuter, voor wie de ononderbroken leerweg bedoeld was, in de nieuwe basisschool niet veel opgeschoten. Tien jaar geleden zagen de onderwijskundigen en de financiers met schrik dat het speciaal onderwijs onrustbarend groeide. De nieuwe basisschool moest zwakke en snelle scholieren bijeenhouden. Ondanks alle dwang van het ministerie is dat niet gelukt. Nog steeds verdwijnen in groep drie veel moeilijk lerende kinderen naar het speciaal onderwijs, terwijl de reguliere basisschool juist was opgezet om de leerlingen met achterstand te begeleiden. In dat opzicht schiet de 'nieuwe' basisschool nog tekort.

Aan het begin van dit jaar zaten op de Witte Olifant 38 kinderen in groep drie. Omdat achtendertig te veel is voor een klas besloot de leiding de klassen te splitsen. Kromhout van der Meer vindt een klas van negentien kinderen luxe, 'maar het gevolg is wel dat de bovenbouw nu hartstikke vol is.' De lerares denkt dat zij in een kleine klas beter les kan geven. 'Je signaleert eerder problemen. Als je 32 kinderen hebt, is het onvermijdelijk dat iedereen wat minder aandacht krijgt.'

Het zijn niet de drukke, lastige kinderen die weinig aandacht krijgen. Die vechten zich in het middelpunt. Het zijn de stille, matig presterende scholieren die zich ontzichtbaar maken. Zij dreigen in volle klassen te weinig aandacht te krijgen. Om die leerlingen niet te vergeten hebben sommige leerkrachten een lijstje op hun tafel met de namen van de kinderen die nooit iets zeggen.

Uit onderzoek blijkt niet dat kinderen in een kleine klas beter presteren. Janssen haalt haar schouders op. 'Natuurlijk: van kleinere klassen wordt het onderwijs niet automatisch beter. Maar om goed onderwijs te geven is het beter als je over minder kinderen je aandacht kan verdelen. Kinderen leren nou eenmaal het meest van de interactie met volwassenen.'

Gerard van der Hoven werkte in de jaren tachtig op het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en was betrokken bij de invoering van de basisschool. Nu is hij directeur van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Hij denkt dat de problemen van de basisschool vooral veroorzaakt worden door een schromelijke verwaarlozing van onderwijskundige aspecten. Scholen houden zich vooral bezig met de administratieve aangelegenheden, zoals de schaalvergroting, financiering en wachtgelders. 'Wat de huidige bewindslieden aan onderwijsbeleid maken, heeft vooral te maken met beheersen en bezuinigen. Het zou eerlijker zijn als ze dat niet altijd presenteren als een onderwijsverbetering.

'Stel dat een school naar het ministerie stapt omdat ze meer aandacht wil besteden aan die 5 à 6procent van de leerlingen die extra begeleiding nodig heeft. Het ministerie roept: u bent nu autonoom, u hebt een eigen budget en u kunt zelf keuzes maken. De directeur gaat zich verdiepen in het formatiebudgetsysteem. Hij komt tot de conclusie dat hij zelf mensen mag aanstellen, maar dan ook rekening moet houden met de TWAO, de maatregel om het aantal wachtgelders te verkleinen. De directeur bestudeert braaf de TWAO en komt tot de ontdekking dat hij wel personeel kan aanstellen, maar alleen mensen mag kiezen uit de kaartenbak. Het is maar de vraag of daar iemand bij zit die die probleemleerlingen adequaat kan begeleiden.

'Zo'n directeur begint met de zorgleerlingen, heeft drie maanden nodig om alle regelingen te doorgronden en ontdekt dan dat zijn voornemens vastlopen in de kaartenbak van het arbeidsbureau. Alle tijd en energie die daar in gaat zitten, had zo'n school beter aan die probleemleerlingen kunnen besteden.' Van der Hoven wenst de jarige basisschool maar één ding toe. Beleidsrust. 'Zoetermeer moet vijf jaar lang niet meer doen dan zich voornemen weer een jaar geen beleidsnota te schrijven. Over vijf jaar moeten ze dan maar weer eens kijken hoe het op de scholen gaat.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden