De hoogst bereikbare vorm van eentonigheid

HET VERHAAL verscheen voor het eerst in de bundel Boven het dal, die in 1961 werd gepubliceerd. Het werd geschreven in 1910 of 1911....

'Vijf maanden waren verlopen sedert den dood van den uitvreter. Op een zondagmorgen in December zat ik op m'n hok en keek naar de blauwe lucht, toen ik bezoek ontving van Bavink.'

De alinea zelf bevestigt onmiddellijk de titel: de lezer herkent alles; het is nieuw en toch vertrouwd. De schilder Bavink, met wie Koekebakker, zoals de 'ik' heet, de deur uitgaat, is zeer opgewonden. Koekebakker mag naar de reden van de opgewondenheid raden. Bavink geeft hem nauwelijks de kans ertoe. Hij geeft zelf het antwoord: 'Ze zeggen, dat ik in herhalingen verval. Waarachtig, dat zeggen ze.' 'Ze', dat is de krant. Koekebakker reageert alleen met 'O'. Bavink blijkt van wat 'ze' zeggen helemaal opgeknapt. 'Is dat alles?', vraagt Koekebakker. Het is alles. En het hoogst bereikbare. Bavink is de God-gelijke, want 'God is eentonig. God vervalt in herhalingen'. En dan volgt een prachtige passage over herhalingen, waarin Bavink Koekebakker lijkt te herinneren aan diens eigen leven met herhalingen. Dit staat er onder meer:

'Let eens op vanmiddag bij 't fortje, als je over het riet naar de boomen van de 's Gravelandschen weg kijkt en 't zonnetje staat weer achter je, precies waar 't verleden jaar om dezen tijd stond, 's middags om drie uur. Als je dan even staat, Koekebakker, je weet 't toch zelf, je bent toch ook geen makelaar of handelaar in 't een of ander of kunstcriticus. Weet jij dan of 't van 't jaar is, of tien jaar geleden of 1950? Heb je niet zelf duizend maal dezelfde sloot gezien, dezelfde twee boomen, ieder aan een kant van den weg, dezelfde strakke blauwe lucht in 't Noorden en denzelfden wazigen, wittigen horizon in 't Zuiden, duizend maal een ruitje de wolken zien weergeven, duizend maal gekeken naar de strepen die de lantaarns maken in 't water van een stil grachtje?'

Steeds hetzelfde, steeds nieuw. Wat moet Bavink Koekebakker goed hebben gekend en Koekebakker zichzelf, en dat is Nescio. Misschien het mooiste is het jaartal 1950. Dat is veertig jaar na het schrijven van dit verhaal. In 1950 schrijft Nescio al voor het vijfde jaar een dagboek over zijn reizen en reisjes in Nederland, meestal tochtjes vlak bij huis, vaak naar dezelfde plekken en alles doend wat Bavink hem heeft toegedicht. Zo schrijft hij op 24 november 1950 onder meer:

'Tegen 1/2 11 op de bus naar de Hakkelaarsbrug. Zacht zonnetje, soms achter de wolken, soms mistig. Bij en op de brug zon. Oplossende boomen, verlatene boerderijen, Weesp amper zichtbaar. Geloopen naar Muiderberg. Het eeuwige paard (zwart), alles als in november 1877 of '99.'

In 1910 is 1950 heel ver in de toekomst; in 1950 is 1897 heel ver in het verleden. Alles zal hetzelfde blijven, alles is hetzelfde gebleven, want Nescio zelf is onveranderlijk. In augustus 1950 vindt hij, blijkens een aantekening in het dagboek, een boek over de schilder Jongkind (van wie hij veel moet hebben gehouden, lijkt mij). Daarin vindt hij een uitspraak van de Frans-Zwitserse schrijver/filosoof Henri Amiel: 'La nature est un état d'âme'. De natuur (eigenlijk staat er 'het landschap') is een geestestoestand. Hij moet zijn eigen wijze van ervaren van de natuur erin hebben herkend. Alles bleef hetzelfde, want zijn geesttoestand bleef alle jaren hetzelfde. De onveranderlijkheid ligt in de ziel van de kijker. En de herhaling dus ook. Hij lijkt zelfbevestiging te zoeken. Er is geen tijdsverschil, maar schijnbare stilstand en dus eeuwigheid. Ruimtelijk lijkt die ervaring weergegeven in de enkele keren in het dagboek voorkomende uitdrukking 'De weg naar overal'.

TUSSEN 1918 en 1946 was er alleen de bundel met de drie nog altijd onvergetelijke en onvergelijkelijke verhalen Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes en die drie zijn een. In 1946 verschijnt het kleine bundeltje Mene Tekel, pas tien jaar later in één band verschenen met het vroegere werk. Dan verschijnt in 1961, Nescio's sterfjaar, Boven het dal en andere verhalen, waarin het in de oorlog geschreven Insula Dei het hoogtepunt is. Het meeste in het boek was oud werk, met vele herhalingen, naar toon, woordgebruik, figuren ook, maar altijd fascinerend, juist door die bijna-gelijkheid. En door de soms beperkte omvang van de stukken lijkt het lezen ervan, kan men achteraf zeggen, nog het meest op het maken van uitstapjes binnen het werk van Nescio.

Het hele bekende oeuvre telt in de nu verschenen tweedelige editie van het Verzameld werk 216 bladzijden. De rest is nagelaten werk: 842 pagina's, daaronder - het hele tweede deel - het wat is gaan heten Natuurdagboek, dat Nescio tussen 1946 en 1956 schreef.

Een heel mooie schakel tussen Nescio's vroege, gepubliceerde werk en de dagboeken is een klein stukje van 22 december 1947; het heet Belijdenis, en het komt uit een kladboekje. Nescio had iets over Cervantes geschreven - het bleef tijdens zijn leven ongepubliceerd, maar verscheen in 1962 met andere stukjes in een nummer van Tirade, dat later als boekje werd uitgegeven: Heimwee en andere fragmenten. Belijdenis begint met de zin: 'Naar aanleiding van het stukje over Cervantes heeft men mij gezegd: schrijf nu ook eens over die andere lui.' En dat zijn andere groten uit de wereldliteratuur. Hij denkt er niet aan. Hij schrijft:

'Ik ben nu 65 jaar. En een half. Ook de weinige jaren die mij wellicht nog resten hoop ik door te brengen in stil verkeer met onzen Lieven Heer en zijn velden en bomen en waters zonder bemiddeling van priesters en hogepriesters. En wat rondloopen en wat kijken en lezen voor mijn genoegen. Zo ongeveer Franciscus van Assisi, met pensioen. En blij met mijn kleinheid.

'Ik zou ook nog wel een onzedelijk leven willen leiden, een paar jaar. Als dat een beetje aardig kon.'

De laatste alinea is natuurlijk een prachtige tegentoon. Hij heeft in elk geval de eerste voornemens uitgevoerd. Hij heeft tien jaar lang in stil verkeer met de natuur en heel veel kleine plaatsjes, maar ook met de stad Amsterdam, geleefd. En daarover voor zichzelf geschreven, in wat waarschijnlijk de grootste herhalingsoefening uit de Nederlandse literatuur is. En daarmee de langste ode aan de God van de herhaling, die in elk geval meer op onze Lieve Heer dan op de God van Nederland lijkt. Lezing van de natuurdagboeken leidt onvermijdelijk tot de conclusie: Nescio leefde zoals hij schreef. In herhalingen.

Er is niet alleen de fascinatie door de herhalingen, ook, het kan niet anders, door de eentonigheid. En de voorbeschiktheid die aan de herhalingen en monotonie ten grondslag liggen. De zon gaat op, de zon gaat onder en alle rivieren stromen naar de zee. Het lot heerst. En de mensen blijven zich ook hetzelfde gedragen. Nescio kan er ook agressief over doen, als in een stukje dat Mei 1907 heet en bedoeld was voor het blad van de Vereeniging voor Gemeenschappelijk Grondbezit, De pionier (waarin Nescio uiterst merkwaardige stukjes heeft gepubliceerd). Mei 1907 begint zo:

'En zij spraken verder - Het zooveelste jaar na Christus geboorte. Den zooveelsten dag van de zooveelste maand. In de landen om de Amstel zal 't lente worden voor de zooveelste maal. De domme zon gaat dom in het Westen onder, dom en log draait 't lompe rad van den tijd, 't is weer zes uur, vanmorgen was 't zes uur, gisteravond was 't zes uur, morgen zal 't zes uur zijn maar dan lig ik in bed, want ik ben kantoorbediende en mijn kantoor begint om negen uur. De blauwe lucht is hoog en strak maar die kan het niet helpen, de lucht is dom, de wolken zijn dom en ergens anders nu.'

E N zo voort, zou ik haast zeggen. Het (officieel nog niet geschapen) Titaantje met zijn opstandigheid tegen de gevestigde orde - en dat ook die van de natuur - toont hier zijn - hulpeloze - kracht. Die machteloze Titaan lijkt nooit dood te gaan. Nescio moet zich in veel opzichten een geketende hebben geacht. Als het weer of zijn gezondheid de uitstapjes uit het Natuurdagboek niet mogelijk maakt, lijkt hij zich een gevangene te voelen. De bus naar Muiden rijdt een bevrijdingsrit. Hij heeft eigenlijk maar een streep zonlicht op het water nodig, om zich bevrijd en gelukkig te voelen. Hoeveel keer hij beschrijft vanaf een brug in het water of vanaf een terras naar het water te staren, weet ik niet, maar die beschouwing, die de dingen stilzet, moet een levensnoodzaak voor hem zijn geweest. Hij maakt heel veel tochtjes met zijn vrouw of familielieden, maar heel veel alleen en van geen mens gestoord.

Misschien is dit het veelzeggendst voor zijn beschouwend karakter: soms maakt hij enkele dagen achter elkaar hetzelfde uitstapje. Em de ervaringen verschillen heel weinig. Bijna-gelijk, zijn ze altijd. Er zit iets ritueels in dat reizend murmelen. Behalve het dagboek van een achttiende-eeuwse Engelse dominee, die nagenoeg dagelijks over zijn maaltijden schreef, heb ik geen ander in zijn eentonigheid meer fascinerend dagboek gelezen.

De grote belevingsjaren van Nescio lijken rond 1907 te liggen, in elk geval in het eerste decennium van deze eeuw. De drie grote verhalen spelen in die tijd. Toen ik ze voor het eerst las, rond 1950, leek die tijd niet alleen ver, maar ook bijna idyllisch van kleine beslotenheid. De dagboeken beginnen in 1946, een halve eeuw geleden dus. En de beschreven tijd heeft op mij hetzelfde effect van kleine beslotenheid als die van de verhalen het eerste decennium van onze eeuw. Dat effect van beslotenheid kan ook het gevolg zijn van afgeslotenheid. Een andere buitenwereld bestaat niet; een eenregelige mededeling, dat de auteur gaat stemmen voor de Tweede Kamer, komt zeer ongewoon over. De wereld is niet groter dan de buitenwereld van Amsterdam, de omgeving van Groningen en Eindhoven - steden waar deze zeer familiegetrouwe man veel komt - en Amsterdam zelf, dat hij zeer innig beleeft, juist in kleinigheden van een uitzicht of een schaduw. (Al zijn belevingen zijn die van kleinigheden). ('Vrede en behagelikheid en het geluk van in Amsterdam te wonen.'). Hij is in staat in de korte tijd en in de kleinste ruimte 'een reis door alles' te maken. 'In acht uur alles beleefd', schrijft hij in de aantekeningen van 26 en 27 augustus 1954. En daar laat hij meteen op volgen: 'Veni creator spiritus. De herboren wereld. Het woord was bij God en het woord was God.' Aan de gedachte aan een religieus of mystiek karakter in de ervaringen ontkomt men soms niet. Ik zeg het heel voorzichtig.

Nescio schijnt de publikatie van nieuw werk niet te hebben aangedurfd uit angst het niveau van het vroege werk niet te halen. Hij heeft veel geprobeerd; nogal wat van het nagelaten werk is fragment. Ik denk dat hij stopte bij de ontdekking weer hetzelfde te schrijven. Veel van wat hij schreef is echo van het vroegere werk of - bij vele probeersels - voorafschaduwing ervan. Hij heeft zich nooit ontwikkeld. Goddank. Het leven heeft hem niets geleerd.

A LLES rond het ontstaan van De uitvreter weten we uit de schitterende studie over de genese van dat verhaal, waarop Lieneke Frerichs in 1990 promoveerde. De vele teksten uit die ontstaansgeschiedenis staan nu ook in het Verzameld werk, dat door Lieneke Frerichs op werkelijk bewonderenswaardige wijze is uitgegeven. Haar commentaar, met name bij de dagboeken, is zonder meer uitstekend. Wat een werk moet dat zijn geweest.

Titaantjes lijkt als De uitvreter in wat Frerichs 'teksttransplantatie' noemt, te zijn ontstaan. Dichtertje veel minder. Ook jeugdwerk wordt nu voor het eerst gepubliceerd, en het is boeiend te zien hoe een auteur zich langzaam naar zijn eigen stijl toeschrijft. Ineens is die unieke stijl er van dat kleine proza, die binnenkantachtige taal, waarin juist details hun ogenschijnlijke kleinheid verliezen: het wereldbestel gespiegeld in een scherf. Maar er is ook ineens die scheve humor, die alles wat tragisch want vergeefs maakt. Misschien de gekste en meest humoristische teksten schreef Nescio, die toen onder die naam nog niet bestond, voor De pionier.

Alles wat er aan boeiende nagelaten teksten in het eerste deel staat komt toch in de schaduw te liggen van het tweede, het Natuurdagboek. Hugo Brandt Corstius noemde het in deze krant van afgelopen zaterdag 'een epos'. Maar dan wel een epos waarin bijna niets gebeurt, want elke aantekening lijkt een variatie op de eentonigheid. Het is het epos van Nescio's ziel, een klein heldendicht dus.

Ik zat in de trein en las in het dagboek. Na een kwartier keek ik op. Buiten scheen de eeuwige zon over een licht wazige wereld, waarin de herfst zich in de zomer zichtbaar begint te maken. Er waren bomen, koeien, schapen (geen lammeren, waarnaar de lente-verlanger Nescio altijd uitkeek) en er was stilte. Ik heb niet verder gelezen. De werkelijkheid van het boek lag ook buiten. Ik ga weer fietsen.

Nescio, Verzameld werk, twee delen, bezorgd door Lieneke Frerichs, Nijgh & Van Ditmar/ G.A. van Oorschot, Amsterdam, prijs ¿ 145.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden