De hoogleraar bestaat niet meer

De universiteiten willen af van de ambtenarenstatus van hun personeel. Maar de ongeveer 2500 hoogleraren hebben zich nooit ambtenaar gevóeld....

door Sander van Walsum

IN 1957 schreef de Amerikaan Jack Speyer zich in als student bij de gemeentelijke universiteit te Amsterdam, de huidige UvA. Hij verbaasde zich er over de mores, en over de uiterlijke kenmerken van zijn medestudenten. Een opmerkelijk groot aantal van hen trachtte - met wisselend succes - een baard of snor tot wasdom te brengen. Sommigen gingen nogal informeel gekleed. Anderen togen in jacquet naar hun mondeling examen.

Maar het meest was hij getroffen door de ongenaakbaarheid van de hoogleraar. 'Een Amerikaan ziet meteen welk enorm ontzag en wellicht zelfs verering de ''ondergeschikten'' hebben voor hun professor. Het schijnt mij toe dat deze houding volstrekt onafhankelijk is van de persoonlijkheid van de man, zijn kennis, aanzien of vermogen tot communiceren. Het komt alleen maar door zijn positie.'

Tijdens het ancien regime waaruit Speyers waarnemingen stammen, gaf - aldus de hoogleraar sociologie Abram de Swaan - 'niet iedereen zich rekenschap van de verplichtingen en beperkingen die de noblesse van het hoogleraarsambt hem oplegde'. De drager van het hoogste academische ambt moest voorgaan in de hoogmis van de wetenschap. En dat vergde meer dan betrokkenheid bij het eigen vak alleen. Ook de student moest met een zeker respect worden bejegend. En aan die kwaliteit heeft het nogal eens ontbroken.

De vermaning van De Swaan is (postuum) gericht aan de Amsterdamse hoogleraar economie S. Kleerekoper (1893-1970). In de beschrijvingen van diens colleges - die een grote indruk moeten hebben gemaakt op de aanwezigen - figureert Kleerekoper als een driftig geleerde die zijn optredens vooral aangreep om zijn polemiek met klassieke economen en 'dat gokkersclubje aan het Damrak' te kunnen uitvechten. Hij citeerde, de duimen achter de bretels gestoken, gretig uit eigen werk, en dreef de studenten tot wanhoop met gedetailleerde uiteenzettingen over de integrale kostprijsberekening.

Vooral zijn mondelinge examens hadden een duistere reputatie. Dat ondervond de latere hoogleraar H. Daalder tijdens de bespreking van zijn doctoraalscriptie. 'Zijn voornaamste commentaar - na de mededeling dat hij het stuk niet gelezen had, ook al had hij dat vijf maanden in zijn bezit - was de opmerking (in mijn aanwezigheid tot de assistent Misset gericht) dat ''iemand die zoveel nonsens schreef toch eigenlijk niet tot het doctoraalexamen kon worden toegelaten''.'

Nu gold het optreden van Kleere koper zelfs in de duistere jaren vóór de 'demokratiese universiteit' al als tamelijk buitenissig. Anderzijds representeert hij de volmaakte autonomie die de hoogleraar lange tijd heeft genoten. De professor was de koning van zijn eigen rijk. En dat rijk vormde voor velen het centrum van het wetenschappelijk universum.

Buiten de universiteit geniet de hoogleraar een onverwoestbare achting. Zelfs op de meest recente 'beroepsprestigeschaal' werd hem een plaats in de hoogste status-echelons toegedicht. Hij is niet meegesleurd in de val van de reguliere docent.

Toch is de beroepsgroep zelf bevangen geraakt door een zeker onbehagen. Door het gevoel dat de universiteit is verworden tot een instelling voor Zeer Uitgebreid Lager Onderwijs (wijlen Piet Vroon), of vlak landschap waar af en toe een wolkje wetenschap overheen drijft (wijlen Jankarel Gevers).

Daalder noemt in zijn memoires de factoren die tot de erosie van academische normen en waarden hebben bijgedragen: de democratisering van de universiteiten en de daarmee samenhangende vergadercultuur, het adagium 'hoger onderwijs voor velen' - onder invloed waarvan de universiteiten verwerden tot instellingen voor massa-onderwijs -, de schaalvergroting en verambtelijking van het wetenschappelijk onderzoek, en (in samenhang met het vorige) de opkomst van de academische beroepsbestuurder.

De laatste was bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de invoering, enkele jaren geleden, van presentielijsten en prikklokken binnen de Universiteit van Amsterdam. De hoogleraren kwamen massaal tegen deze ambtelijke bedilzucht in opstand. Hun beroep leende zich nu eenmaal niet voor dergelijke vormen van regulering. De wetenschap zou het best gedijen in de relatieve ongebondenheid van weleer. Dat de hoogleraren verschoond bleven van de prikklok hing niet samen met de kracht van hun argumenten, maar met hun bijzondere rechtspositie. Zij hadden met hun protestactie echter één ding duidelijk gemaakt: wij vormen geen 'gewone' beroepsgroep.

Het is, tegen die achtergrond, dan ook de vraag of de gemiddelde hoogleraar ingenomen is met het streven van de brancheorganisatie VSNU om de ambtenarenstatus van het universitair personeel te verruilen voor een privaatrechtelijk regime. De vrijheid die de VSNU daarmee hoopt te verwerven, komt immers vooral de werkgever ten goede. Het personeel zou echter aan den lijve kunnen ondervinden dat niet een ver afgelegen departement in Zoetermeer de arbeidsvoorwaarden dicteert, maar het bestuurscentrum om de hoek. Dezelfde instantie kortom, die een paar jaar geleden op het onzalige idee kwam de prikklok in te voeren.

DEZE ontwikkeling werpt haar schaduw vooruit. De universiteiten staan niet langer als gelijkberechtigde instellingen naast elkaar, maar proberen elkaar naar vermogen te beconcurreren. Hooggeleerde coryfeeën hebben daar baat bij. Zij vormen de inzet van de ontbrande 'slag om het talent' waarbij miljoenen over tafel gaan. De Universiteit van Amsterdam heeft inmiddels drie 'superprofs' in dienst die, wat hun pregotieven betreft, in niets onder doen voor de hoogleraren van het ancien regime. Zij zijn vrijgesteld van onderwijstaken en bestuurswerk, en kunnen zich volop - en onder optimale omstandigheden - concentreren op hun onderzoek. Hiermee zet de UvA een forse stap terug in de tijd. Zij mag dan drie academische cracks aan zich hebben gebonden, het onderwijs wordt feitelijk gereduceerd tot het corvee voor de minder excellente hoogleraren.

Ook buiten de UvA doet de marktwerking zich gelden. Van de Twentse hoogleraren wordt, zo schat rector-magnificus F. van Vught, inmiddels zo'n 15 procent door het bedrijfsleven gesponsord. 'Tijdens cortèges laat ik mijn blik weleens langs de stoet glijden, en dan weet ik werkelijk niet meer wie nu door ons wordt betaald, en wie door derden. Zo gewoon is het fenomeen in korte tijd geworden.' Wat Van Vught betreft, zou het aantal hoogleraren op zijn universiteit overigens fors kunnen worden uitgebreid. 'Veel hoofddocenten doen werk dat zich niet wezenlijk onderscheidt van dat van de hoogleraar. Je zou recht doen aan die realiteit door hen tot hoogleraar of lector te benoemen. Of het aanzien van het ambt niet zal lijden onder hun getalsmatige toename? Dat zou best kunnen. Maar problemen heb ik daar niet mee.'

Die zorgeloosheid is geen gemeengoed. Geregeld gaan er binnen de academische gemeenschap stemmen op voor een beteugeling van het grote aantal bijzondere leerstoelen (die bekostigd worden door derden). Door hun toedoen zou de spoeling aan de wetenschappelijke top te dun zijn geworden, menen de aanhangers van de 'academische gouden standaard'. En die kregen het helemaal te kwaad toen de Universiteit Twente het bestond om ICT-orakel Roel Pieper tot gewoon hoogleraar te benoemen - diens gemis aan wetenschappelijke kwalificaties ten spijt.

De ontwikkelingen binnen het ambt van hoogleraar lopen niet synchroon. 'De' hoogleraar bestaat niet meer. In de nabije toekomst zal hij er in vele soorten en maten zijn.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden