De hoofdprijs van eendiplomatieke stoelendans

Van het ‘klasje’ van Buitenlandse Zaken tot ambassadeur in een belangrijk land, het is de gedroomde carrière van elke diplomaat....

Na Griekenland, Angola, de Verenigde Staten, Ghana, Frankrijk, Zweden en België verhuist Rudolf Bekink half maart naar China. Het wordt zijn derde standplaats als ambassadeur, na Stockholm en Brussel. Bekink heeft de hoofdprijs te pakken onder de 24 ambassadeurs die de ministerraad eind december heeft benoemd, zo oordelen collega-diplomaten.

De bekroning van een lange carrière? Bekink (57) is er zelf opvallend nuchter over. ‘Wie weet, de tijd zal het leren. China is sowieso een fascinerend land, maar ik heb tot nu toe al mijn standplaatsen fantastisch gevonden. Het meeste zie ik altijd op tegen het verhuizen. Vooral fysiek vind ik het steeds zwaarder worden.’

In België, waar hij in 2004 aantrad, kreeg hij te maken met moeizame dossiers zoals de uitdieping van de Westerschelde en de omstreden spoorlijn de IJzeren Rijn. Bovendien lagen en liggen de twee buurlanden geregeld overhoop over het coffeeshopbeleid. Ook was hij nauw betrokken bij het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Brussel, Antwerpen en Luik, al moet dat laatste een kolfje naar zijn hand zijn geweest. Van 1997 tot 2000 was hij chef Protocol en begeleidde hij onder meer de ‘inkomende’ staatsbezoeken van president Chirac, de Belgische koning, de Japanse keizer en twee Chinese premiers.

Maar ‘protocol’, dat klinkt niet heel sexy voor een leek. Bekink schiet in de lach. ‘Zag je zojuist in de gang hoe statig ik kwam aanschrijden? Dat heb ik in die jaren geleerd. Protocol heeft een afschrikwekkend effect op veel mensen. Ten onrechte: het protocol staat ten dienste van de mensen, niet omgekeerd. Als alle afspraken duidelijk zijn, hoeft niemand bang te zijn voor ongepaste omgangsvormen. Het moet lijken alsof het vanzelf gaat. Het helpt al als niet iedereen heen en weer begint te rennen.’

Over ongepaste omgangsvormen gesproken: u krijgt het in Peking lastig. China is niet blij met de Nederlandse kritiek op de mensenrechten.

‘Maar Nederland heft gelukkig niet alleen maar een wijzend vingertje op. We doen er samen ook constructieve dingen, er is een constante dialoog. Er zijn verbeteringen op allerlei gebied. En in Nederland is ook wel wat voor verbetering vatbaar.’

Cabaretier Erik van Muiswinkel heeft anders een flinke discussie op gang gebracht, met het oog op de Olympisch Spelen.

‘Ik betwijfel of de Olympische Spelen het beste moment zijn om de mensenrechten aan te kaarten. De rol van Erik van Muiswinkel is ook wel opmerkelijk. Doet hij het echt voor de mensenrechten? Laat ik het zo zeggen: hij is er niet onbekender van geworden. Toen Wim Kan in 1971 het bezoek van de Japanse keizer Hirohito bekritiseerde, had hij daar een goede persoonlijke reden voor, omdat hij aan de Birma-spoorweg had moeten werken.’

U gaat als diplomaat liever niet in op de problemen in China of België.

‘Een diplomaat moet altijd uitkijken met wat hij zegt. Je schaadt niet het landsbelang. Het is niet gebruikelijk om het gastland te beledigen. Als diplomaat ben je vooral toeschouwer. Zo heb ik me ook de afgelopen maanden in België opgesteld bij de moeilijke regeringsformatie.’

Welke karaktereigenschappen moet een diplomaat hebben?

‘Je moet iets van een kameleon hebben om met plezier in een ander land te werken. Natuurlijk moet je vooral jezelf blijven, maar je past je telkens ietsje aan. Dat is ons vak. In België was dat overigens niet moeilijk. Om te beginnen heb je hier de welbekende lunches. Ik eet graag, dus dat kwam goed uit. Ik vind dat de verschillen tussen Nederland en België nogal worden overdreven. Ik kijk liever naar wat ons bindt. Een Belg hecht misschien wat meer aan zijn wortels dan een Nederlander, dus ik heb hier ook vaak verteld dat ik uit Drenthe kom.’

Die ontboezeming zal op de Chinezen weinig indruk maken.

‘Nee, Drenthe zal ze daar niets zeggen, vrees ik. Ik zal andere aanknopingspunten moeten zoeken. En humor werkt altijd, in elk land.’

Na zijn studie bedrijfseconomie in Groningen ging Rudolf Bekink naar het befaamde ‘klasje’ waar Buitenlandse Zaken jonge diplomaten klaarstoomt voor het echte werk. Tegenwoordig duurt het klasje drie maanden, in zijn tijd was het nog negen maanden, daarvoor zelfs anderhalf jaar. ‘Heel gezellig, in de zomer Frans leren in Aix-en-Provence. Dat zit er nu niet meer in, vrees ik.’

Zijn eerste standplaats, onder aan de ladder als aspirant-ambtenaar, was Athene. Daar zat hij tussen 1976 en 1978. Een ‘leuke tijd’, aldus Bekink. ‘Je bent jong, de zon schijnt. Het kolonelsregime was weg, ik voelde de opluchting.’

In 1979 volgde Angola, enkele jaren nadat dat land onafhankelijk was geworden van Portugal. Nederland had in Angola veel ontwikkelingsprojecten en er waren veel zakelijke belangen, zoals baggerprojecten.

‘Mijn voorganger sprak vloeiend Portugees, dat is mij in die tijd niet gelukt. Ik zat daar met een kanselier, meer personeel was er niet. De Nederlandse ambassadeur in Nigeria was ook verantwoordelijk voor Angola. Ik was 28 jaar en werd er aangesproken met ‘kameraad ambassadeur’. Ik antwoordde dan: sorry, maar ik ben geen kameraad en ik ben geen ambassadeur. Zeg maar gewoon Rudolf Bekink.’

‘Angola was een lastig land, zeker als je de taal niet spreekt. Het voordeel was dat de telefoon en de telex het niet deden.’

En uw gezin ging al die posten zonder mokken achter u aan?

‘Dat is niet altijd makkelijk voor diplomaten. In Angola was mijn vrouw zwanger van onze tweede zoon. Die zwangerschap liep moeizaam, en dat in een land met slechts een handvol doktoren uit de DDR en geen medicijnen. Het is goed gekomen; de jongeman in kwestie is nu een veelbelovend advocaat. Maar het was destijds voor mij toch een reden om een paar jaar in Den Haag te gaan werken. Nederland is een tweeverdienersland geworden, beide partners willen hun carrière uitbouwen. Dat valt helaas bijna niet te combineren met een klassieke loopbaan als diplomaat. Mijn vrouw heeft gewerkt toen we in Den Haag, Ghana en in Washington zaten, in de jaren tachtig. Je zou als diplomaat met een artiest of kunstenaar moeten trouwen. Die kunnen overal hun dingen doen.’

‘Maar ik denk dat mijn vrouw en drie zoons ook veel genoten hebben van onze buitenlandse avonturen. Op een dag reden we langs het Witte Huis toen er een camper voor het hek stond. Zeiden mijn kinderen: hey, de president gaat op vakantie! Na vier jaar was het moeilijk om weg te gaan. Ze waren volledig veramerikaanst.’

U heeft ook in Ghana, Parijs, Washington gezeten. Dan moet Brussel toch gezapig zijn geweest.

‘Ik vind Brussel helemaal niet gezapig! Washington DC is geweldig, maar wel helemaal gericht op de politiek. De scheiding tussen de witte en zwarte bevolking was, in ieder geval in de jaren dat ik er was, heel scherp. Standplaats Brussel heeft ook een echte Belgische dimensie. Je komt echt met het hele land in aanraking. Ik heb met ontzettend veel plezier allerlei gemeentes bezocht, van Kortrijk tot Maaseik.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden