De Hof van Eden als oorlogstuin Tomas Lieske rijgt pretentieuze verzinsels aaneen

Cryptografie, heet de computerafdeling waar de beroepsmilitair Michael Güneü (1962) werkt. Dat komt neer op het aanbrengen van verbindingen tussen netwerken, licht hij toe....

Lieske heeft de Hollandse hoofdpersoon van Nachtkwartier de voornaam van een aartsengel gegeven, terwijl zijn Turkse achternaam naar de zon verwijst. Dit gevoegd bij zijn professie, het leggen van verbindingen, is het zonneklaar dat Lieske een model-persoon heeft gecreëerd. Met een cryptograaf als spreekbuis kan een schrijver alle kanten uit. Met eventuele ongerijmdheden en onoplosbare puzzels kunnen we bezwaarlijk bij Lieske aankloppen. De hoofdverantwoordelijkheid is afgeschoven op een ander.

Ga maar na. Nachtkwartier begint met een droombeeld van Güneü. Dat zegt hij er na vier bladzijden nog eerlijk bij. Dan volgt een biografisch verhaal over zijn moeder, de Friezin Anktsjen die als baby werd geadopteerd en haar jeugd doorbracht in Den Haag. Voor het waarheidsgehalte van die gedetaileerde kroniek staat verteller Michael evenmin in. Hij heeft haar gereconstrueerd uit de fluisteringen van familieleden.

Dan had Michaels vader een decoratiebedrijfje en was hij gespecialiseerd in vervalsingen en bedrogdecors. Met andere woorden, als we de wenkbrauwen optrekken bij een van Michaels sterke verhalen of ronkende beschrijvingen, weten we dat de appel niet ver van de boom gevallen is.

Michael moet met een militaire missie mee naar Turkije, het land van zijn voorvaderen dat hij zelf nooit heeft gezien. Voor onderweg heeft hij een rijtje boeken mee met reisverslagen die in dat gebied spelen.

Op zijn trip, die hij in zijn eentje verlengt omdat hij ginder de ooievaars wil zien - een aanleiding om los van alles en iedereen door te dringen in het land waar de Turkse maar ook de bijbelse geschiedenis haar oorsprong vindt -, laaft Michael zich met regelmaat aan sterke drank.

Als hij onder compromitterende omstandigheden door plaatselijke heethoofden is gearresteerd, in het cachot geworpen is en zich nergens een uitvlucht aandient, staat er: 'Dromen en schijngestalten kregen alle tijd en ruimte daar.' Waar Michael zich met welbehagen aan overgeeft.

Bij die zin, aangetroffen op bladzijde 239, knapte er iets in me, om de woorden van het geschorste voetbalbeest Eric Cantona na zijn laatste drieste aanslag eens te gebruiken. En ik had me nog zó voorgenomen me niet te storen aan een gevreesde steriele uitwas van wat in de goede oude tijd Revisor-proza genoemd werd, maar zo'n twintig jaar na dato verworden is tot een wedstrijd van de F.C. Verbeelding tegen de boerenkinkels van De Werkelijkheid, waarvan verloop en uitslag na een stief kwartiertje vaststaan: na een snelle openingstreffer speelt de thuisclub op zeker en de resterende tijd plichtmatig uit.

Ineens kolkte de woede door mijn smeulende ongeloof heen. Een jongen van 31 wordt in een kot gesmeten. Hij is gehavend en besmeurd. Het is nat en donker. Hij is het Turks niet machtig. Thuis in Holland wacht zijn vrouw op een levensteken. Zijn moeder is ernstig ziek. En dan zou die lamzak met de handjes in de nek eens lekker wegdromen! En dan zou Lieske verwachten dat wij die fantast serieus nemen?

Tot aan dat moment van blinde agressie had ik me niet verveeld met Güneü' reisverslag. Zijn tocht door een steeds grimmiger landschap, en zijn ontmoetingen met de allengs ongastvrijere bevolking wekte nieuwsgierigheid, zelfs al heeft W.F. Hermans iets soortgelijks gedaan in zijn beduidend bijtender novelle Homme's hoest (1980). Lieske smeert zijn verhaal liever breed uit, inclusief de zwaarmoedige moraal. Zijn aartsengel is een gesteriliseerde militair, de historische Hof van Eden die hij betreedt is een ware oorlogstuin, de zon waar hij zijn achternaam aan dankt blijkt in de moderne tijd een eindige energie te bezitten. Fatma, een Turks-Duitse vrouw met wie hij een tijdje optrekt, is net zo'n nomadische eenling als zijn moeder Anktsjen was. De ooievaars die Michael zoekt, die brengers van het nieuwe jaar (en van nieuw leven, zo wil het fabeltje) trekken vanuit de nacht en nevel van het oosten ons continent binnen, maar hun getal is elk jaar minder, en de weinige nesten die in Nederland nog worden aangetroffen, zijgen vermoeid ineen onder de minste aanraking.

Dat zijn geen vingerwijzingen meer, dat zijn vette uitroeptekens. Als Güneü dit soort verbindingen niet openlijk legt, laat Lieske het de lezer doen. De roman hangt van pretentieuze verzinsels aan elkaar. Om ook eens een vergelijking te wagen: Nachtkwartier is zo lek als een gammele ooievaarsmand.

Na zijn avontuur in die barre cel komt Michael weer veilig thuis, maar zijn moeder is overleden en pa Güneü is van schrik gaan dementeren. Een enigszins menselijk personage zou dan denken: en nu proberen met beide voeten weer op vertrouwde bodem te komen. Niets daarvan bij Güneü. Hij stelt zijn vrouw een reisje naar Venetië voor (de stervende stad, nietwaar. Lieske gooit gauw nog een symbooltje op de belt), onder het motto 'Alles even vergeten.'

Hier brak mijn andere klomp. Alles even vergéten? Heb ik dáárvoor driehonderd bladzijden met Michael meegeleefd, en mij de moeite getroost de raadsels van die onwaarschijnlijke cryptograaf op te lossen? Op de valreep laat Lieske doorschemeren dat Güneü in werkelijkheid niet naar Venetië wil, doch dat voornemen slechts hallucineerde, mataglap als hij geworden is van alle stormachtige ervaringen. Het lafst denkbare handigheidje waarmee een schrijver zich hoopt vrij te pleiten: voor klachten vervoege men zich bij Dwaze Michael, Onbekendegracht, Dromenland. Dacht Lieske heus dat wij bij deze vrijblijvende poespas een heel boek lang schaapachtig knikken?

Kom.

Tomas Lieske: Nachtkwartier.

Querido, ¿ 45,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.