De hinderlijke weerstand van feiten

Wie gelooft in een onveranderlijke mens, is niet per se een moreel zuiver mens, stelt Douwe Draaisma in reactie op Ian McEwan....

Wat bewonderd moet worden in Ian McEwan is dat hij de verhouding tussen de twee werelden van feit en fictie onderzoekt op andere mogelijkheden dan die van een wederzijdse uitsluiting. Zijn argumentatie is zelf al een traject door twee werelden.

Aan de hand van Darwin, vakkundig opgeroepen met literaire middelen, bijna als een personage in een roman, een geniaal onderzoeker en een goed mens, introduceert hij het thema van de emoties. Angst, woede, spijt, afgunst, verdriet, afkeer, vreugde, ze liggen samen met hun expressie verankerd in onze biologische natuur. Tot die conclusie kwam Darwin in 1872 en Paul Ekman, die meer dan een eeuw van wetenschappelijk onderzoek naar emoties kan overzien, onderschrijft in de editie van 1998 die opvatting.

Emoties zijn constanten in de menselijke geest. Ze zijn universeel, in zeker drie richtingen. Universeel in de tijd: daarom kunnen we het verdriet van een middeleeuwse moeder die haar kind verliest begrijpen, universeel over culturen: daarom is het zo dwaas te denken dat op Samoa geen jaloezie voorkomt, en universeel over het primatengeslacht waartoe we behoren: daarom kunnen we de politieke spelletjes van bonobo's doorzien.

Al deze vormen van begrip zouden moeilijk te verklaren zijn als er geen gemeenschappelijke natuur was, genetisch doorgegeven en alleen aan verandering onderhevig op een tijdschaal die we niet kunnen overzien, laat staan dat we er jaren, eeuwen of zelfs maar historische tijdperken op zouden kunnen markeren.

Deze opvatting geeft aan de literatuur en de verschillende wetenschappen van de emotie - psychologie, biologie, psychiatrie - ook een soort gemeenschappelijke deskundigheid. De romanschrijver weeft zijn verhaallijnen met gebeurtenissen die emoties oproepen. Om zijn personages een plausibel innerlijk leven te geven moet hij zich kunnen identificeren met angsten en verlangens, verliefdheden en zorgen, aspiraties en frustraties. Hij moet, zoals dat tegenwoordig heet, een theory of mind hebben, een besef van hoe de wereld er voor een ander uitziet, waarom hij denkt, voelt en handelt zoals hij doet.

We waarderen schrijvers ook naar de maat van hun vermogen tot identificatie. We bewonderen hoe McEwan in Atonement de belevingswereld van de 13-jarige Briony oproept. De toegang tot een andere geest is een essentieel instrument in de professionele uitrusting van een schrijver.

Juist die gedachte maakt het zo verleidelijk om McEwan vanaf zijn premissen te volgen. Hij creëert een punt van contact tussen literatuur en wetenschap, een plek waar uitwisseling mogelijk is, grensverkeer. Er zijn auteurs, zoals Oliver Sacks, die vanuit de richting van de wetenschap af en toe naar deze plek komen. Ian McEwan zelf is een voorbeeld van iemand die van de andere kant naar dezelfde plek is gekomen. Door veel van zijn verhalen en romans zijn wetenschappelijke draden geweven, het meest nog misschien in de van evolutionaire psychologie doortrokken roman Enduring love.

Het is verleidelijk McEwan vanaf zijn premissen te volgen, zei ik. Maar eenmaal op de plek waar ik zo beland ben, kijk ik wat onbehaaglijk om me heen. Ik zie dat onderzoekers die positie kiezen tegenover het evolutionaire perspectief, geassocieerd worden met de meest extreme expressies van sociaal determinisme. Ik zie dat auteurs die het zwaartepunt van hun verklaringen bij omgevingsinvloeden leggen, in verband gebracht worden met verborgen politieke agenda's, dogma's, politieke correctheid.

Ik zie dat schrijvers, historici en filosofen die verschuivingen in het menselijk beleven, proberen te documenteren getypeerd worden met Virginia Woolf, die de omwenteling op een datum vastlegt, of met Ariès die gelooft dat de liefde van ouders voor hun kinderen in de 18-de eeuw radicaal van karakter verandert. Over het geheel genomen voel ik me niet op mijn gemak met de voorbeelden die McEwan kiest, niet met hun strekking en niet met hun consequenties.

Mijn onbehagen heeft, om te beginnen, te maken met de wijze waarop hij goed en slecht, in morele zin, over wetenschappelijke posities verdeelt. Neem zijn biografische schets van Darwin. McEwan heeft hem zojuist voor ons laten opstaan van het papier, een gedreven mens, met moreel zuivere opvattingen. Hij is zijn leven lang tegen slavernij geweest. Hij leerde dieren opzetten van een zwarte docent en verbond daar niet de neerbuigende commentaren aan die bij zoveel van zijn tijdgenoten zijn te vinden.

Dat zijn bewonderenswaardige sprongen uit de denkwereld waarin hij was grootgebracht. Het is alsof McEwan iets van die zuiverheid wil laten afstralen op Darwins wetenschappelijke opvattingen. Kan zo'n goed mens zich vergissen? Wie de evolutietheorie goed begrijpt, is de suggestie, kan die onmogelijk verbinden met racisme of seksisme of wat voor verwerpelijke inbreuk op gelijkwaardigheid dan ook. Theorieën die de suprematie van het ene boven het andere ras verdedigen, zei McEwan met zoveel woorden, komen voort uit 'pseudowetenschap' en zijn een 'pervertering' van Darwins werk.

Daar past een kanttekening bij. In de Descent of Man, dat een jaar voor de Expressions of the Emotions verscheen, schreef Darwin dat vrouwen over een beter ontwikkelde intuïtie beschikken en misschien ook over een beter vermogen tot imitatie, maar dat die eigenschappen 'kenmerkend zijn voor de lagere rassen en daarom voor een verleden en lagere staat van beschaving.' Het hinderlijke historische feit doet zich voor dat Darwin dacht in termen van een hiërarchie van rassen en seksen.

'Het hoofdonderscheid in de intellectuele vermogens van de twee seksen', vervolgde hij, 'is daarin zichtbaar dat de man, wat hij ook onderneemt, een hoger niveau bereikt dan de vrouw bereiken kan - of dit nu diep nadenken, rede of fantasie vereist, of louter het gebruik van de zinnen en handen.' Het perspectief van de biologie mag dat van de 'long view' zijn, het perspectief van biologen is soms verrassend tijdgebonden.

Een tweede reden voor mijn onbehagen is de selectieve toewijzing van politieke agenda's en dogma's. Het probleem is niet dat die aanwezig zijn bij de tegenstanders van het evolutionaire perspectief en elders afwezig, ze zijn in de wetenschap alomtegenwoordig. Van sociaal-determinisme zijn afschuwelijke voorbeelden te geven, zoals McEwan heeft gedaan, maar ook de sociaal-darwinisten hadden hun politieke agenda's en dogma's.

Ook heden ten dage worden pogingen gedaan richtlijnen voor beleid, advies en moraal te ontlenen aan wat men voor de wetenschappelijk vastgestelde menselijke natuur houdt. Er zijn evolutie-psychologische monografieën verschenen die argumenteren dat de verzorging van kinderen van nature een vrouwelijke taak is, dat verkrachting een betreurenswaardige, maar biologisch begrijpelijke daad is, dat mannelijke ontrouw een logisch gevolg is van die ene eicel en de zee van sperma.

We schieten er niet veel mee op de ene positie voor te stellen als een dappere strijd tegen 'politieke correctheid' en de andere als dogmatisch en het helpt evenmin een onderscheid te introduceren tussen wetenschap en pseudowetenschap en alles wat dubieus en verwerpelijk is in de tweede categorie te plaatsen.

Als wetenschapsgeschiedenis iets leert is het wel dat het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap zélf altijd een wapen is geweest in de strijd om het wetenschappelijke of morele gelijk. Wie met historische distantie het terrein probeert te overzien, als een buizerd boven het veld, constateert dat álle posities zo hun betrekkingen hebben met politiek en beleid.

Dit waren enkele reserves bij McEwans pleidooi voor het evolutionaire perspectief. Wat hebben ze voor consequenties voor de verhouding tussen literatuur en wetenschap? Naar mijn mening: gelukkig niet al te veel.

Laten we op die verhouding eens twee tegendraadse gedachten loslaten. De ene ontleen ik aan een terzijde in een monografie over emoties van de Noorse filosoof Jon Elster. Als emoties werkelijk universeel en constant waren, redeneerde hij, dan zouden we ook niet verder hoeven te kijken dan de moderne westerse samenleving waarmee we vertrouwd zijn. We zouden zelf representatief zijn voor alle tijden, voor alle culturen.

Hij werkt die gedachte niet verder uit, maar de gevolgen voor onze omgang met literatuur zouden immens zijn. Het zou betekenen dat we aan - zeg - de Victoriaanse roman genoeg hebben om alle tijdperken en culturen te begrijpen. Die ene episode uit de romankunst zou de loper zijn waarmee we alle sloten kunnen openen.

Als we de gezusters Brontë al hebben, waarom zouden we nog romans vertalen van Isabel Allende, Ben Okri of Amos Oz? Hetzelfde geldt natuurlijk voor de oudere literatuur. Waarom zouden we Homerus' verhalen over de omzwervingen van Odysseus niet alleen vertalen, maar ook, om de zoveel tijd, opnieuw vertalen, in de taal van onze eigen generatie - op zichzelf al een relativering van de gedachte dat we met literatuur uit andere tijden en culturen een ongemedieerd, rechtstreeks contact zouden hebben.

Juist voor wat er universeel en constant aan ons is, hebben we aan onszelf genoeg. Er zijn, wil ik aangeven, uit de gedachte van universaliteit ook heel parochiale conclusies te trekken.

En een andere tegendraadse gedachte, stel: emoties zijn niet universeel. Zouden we de literatuur dan niet veel harder nodig hebben dan nu? De romanschrijver zou dan niet meer iemand zijn die ons laat voelen wat we gemeen hebben met een ander, maar eerder een correspondent uit een ver vreemd land.

Hij zou verslag doen van een wereld die we niet uit de eerste hand kennen, maar die we wel willen leren kennen. Door hem zouden we kennismaken met verscheidenheid, verandering, variatie, met gevoelens en gedachten en drijfveren die we van onszelf niet kennen en die toch blijken te bestaan.

Misschien moeten we ook voorzichtig zijn met die verbinding tussen 'goede' literatuur en literatuur die ons toelaat. Hoe herkenbaar is de hoofse literatuur nog voor ons of de religieuze vervoering van middeleeuwse mystici? Affiniteiten kunnen verloren gaan. Misschien is het nog erger, bestaat er in de overlevering van teksten een scherpe natuurlijke selectie ten nadele van literatuur die zijn herkenbaarheid begint te verliezen.

Literatuur wordt interessant voorbij het niveau van de elementaire, basale emoties. Dat we angstig zijn bij levensgevaar weten we. Die primaire emoties hebben vaak fysiologische correlaten, zodat een wetenschap van experiment en toetsing niet machteloos staat. Wat we in een roman zoeken komt daarna, bij het delicate weefsel van de gemengde gevoelens en van de emoties die worden opgeroepen dóór emoties, de 'meta-emoties'.

Mensen kunnen jaloers zijn, die jaloezie bij zichzelf waarnemen en er zich voor generen. Juist op de plek waar de continuïteit met dieren elke geloofwaardigheid verliest, begint in romans diepte te ontstaan in de psychologie van personages. In die diepte resoneren onze gevoelens als lezer. Daarom lezen we.

Maar goede literatuur doet nog meer. Een schrijver is een seismograaf. Hij registreert gevoelens die bij ons maar nauwelijks tot de oppervlakte van het bewuste denken doordringen, laat staan dat we die snel wegstervende trillingen zouden kunnen articuleren. Schrijvers vinden er in de innerlijke monologen en observaties van hun personages woorden voor en verhelderen ze voor ons.

Dat alles speelt zich af in die kleine kosmos van een roman, inderdaad een wereld van de verbeelding, maar daarom nog niet zonder feiten. Integendeel, de psychologische feiten die de schrijver creëert, bieden weerstand. Hij moet ze al schrijvend toetsen op geloofwaardigheid, op herkenbaarheid, op consistentie, samenhang. Zijn personages en hun reacties en gevoelens hadden ook niet kunnen overtuigen en dat is precies de reden waarom meesterwerken zoals die van Ian McEwan niet in een wrijvingsloze wereld zijn geschreven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden