De hillbilly ontgroeid

Newgrass heet het genre dat voortkwam uit de bluegrass en de zigeunerjazz. David Grisman geldt als grondlegger. En nu is er Chris Thile....

Zelfs de gedoodverfde grondlegger van de newgrass, de Amerikaanse mandolinespeler David Grisman, kan niet precies zeggen wanneer en waar het begon, maar de meeste liefhebbers wijzen zijn David Grisman Rounder Album uit 1976 aan als geboortekaartje, en dan met name het stuk Waiting on Vassar. Wat daar gebeurde, was nieuw, ofschoon elementen uit de bluegrass en de zigeunerjazz onmiskenbaar waren. De swing was losser en het arrangement geraffineerder dan de hillbillymuziek waarmee deze muzikanten waren opgegroeid. Niet bepaald eenvoudige muziek, met veel modulaties en onverwachte breaks, maar wel aansprekend dankzij het plezier en het ogenschijnlijke gemak waarmee werd gemusiceerd. En al meteen was een hoofdrol weggelegd voor de dobro (resonatorgitaar) van Jerry Douglas, de 'stille' kracht van de newgrass die met zijn spaarzame, zinderende stijl menig album (waaronder Bill Frisell's Nashville) naar een hoger plan heeft getild.

Newgrass heet de stijl, die sindsdien school maakte, al houden sommigen het liever op 'new acoustic' (een naam die onlangs opnieuw werd bedacht voor bands als Kings of Convenience en I Am Kloot) of 'new stringband music'. Met de nieuwste cd van Chris Thile, Not All Who Wander Are Lost, is de stroming weer helemaal actueel. Newgrass verwijst grofweg naar akoestische muziek op snaarinstrumenten, die enerzijds geworteld is in het high 'n lonesome klank ideaal van de Amerikaanse bluegrass (met als voornaamste instrumenten de mandoline, de fiddle en de vijfsnarige banjo), en anderzijds in de zigeunerjazz van Django Reinhardt. Maar ook de latere jazz van Coltrane en Miles, blues, folk en klassieke muziek behoren tot het scala van invloeden. Elektriek, blazers, zang en slagwerk zijn de grote afwezigen in het genre.

Grisman, die in hetzelfde jaar 1976 zijn vaste band The David Grisman Quintet oprichtte, ontpopte zich voor veel van de kopstukken uit de newgrass als een vaderfiguur. Mensen als Mike Marshall, Darol Anger, Tony Rice, Mark O'Connor, Todd Phillips en Rob Wasserman begonnen in zijn band. Met zijn aanpak - een combinatie van jachtige swing, boeiende composities en vernuftige arrangementen die ruimte bieden aan solistische virtuositeit - heeft Grisman een onmiskenbaar stempel op het genre gedrukt. Zijn meesterstuk is zonder twijfel het album Mondo Mando, waarvoor hij zelfs het Kronos Kwartet liet aandraven.

Terwijl de meester daarna lijkt af te dwalen richting bossa en andere latin muziek, en alleen nog indruk maakt met incidentele projecten (akoestische sessies met Grateful Dead-gitarist Jerry Garcia en duetten met pianist Danny Zeitlin), nemen anderen de fakkel over. Gitarist Tony Rice vormt zijn eigen band en voegt een meer sonore sound toe aan het palet, terwijl bassist Todd Phillips met zijn spaarzame album Released meer richting cool neigt.

Een ander spraakmakend moment in de geschiedenis van het genre is het optreden van de gelegenheidsformatie Strength in Numbers tijdens het jaarlijkse bluegrassfestival in Telluride, Colorado, in 1988. De groep, van Béla Fleck (banjo), Mark O'Connor (viool), Sam Bush (mandoline), Jerry Douglas (dobro) en Edgar Meyer (contrabas), brengt een soort muzikale aardschok teweeg. Maar commercieel succes blijft uit. Hun eerste en enige album, The Telluride Sessions, duikt al na korte tijd op in de ramsjbakken.

Bij gebrek aan een helder oriëntatiepunt waaiert de new acoustic scene uit in verschillende richtingen. Zo richten Darol Anger en Richard Greene elk een jazz-strijkkwartet op en begint Mike Marhall een heus mandolinekwartet voor klassiek en eigentijds repertoire. Tony Furtado verruilt zijn banjo voor een slidegitaar en schuift op richting blues. Grisman en zijn pupil Andy Statman storten zich op de klezmer en Edgar Meyer, Mark O'Connor en Jerry Douglas laten zich inspireren door oude stringbandmuziek uit Texas en de Appalachen.

Banjovirtuoos Béla Fleck dwaalt het verst af van de leer. Omstreeks 1990 richt hij samen met twee jonge zwarte muzikanten (Victor en Roy Wooten) het powertrio Béla Fleck & The Flecktones op. Hillbilly goes funk and beyond. Spontane improvisaties met muzikanten uit India en China lijken hem even makkelijk af te gaan als baggervette funk of partita's van Bach, getuige zijn nieuwe 'klassieke' album Perpetual Motion.

En toen was daar Chris Thile. Al in 1994 debuteerde hij op z'n dertiende als mandolinevirtuoos met Leading Off. Die cd en de tweede, Stealing Second, blijken achteraf slechts voorproefjes te zijn geweest van zijn derde album, Not All Who Wander Are Lost. Eindelijk iemand die de visie en het lef heeft om de draad van supergroep Strength in Numbers op te pakken. Niet toevallig zijn Fleck, Meyer en Douglas hierop ook van de partij. De gestaalde kaders van de newgrass stellen zich met hoorbaar genoegen bloot aan een verjongingskuur onder leiding van de inmiddels 20-jarige Thile, die z'n kleine mandoline laat twinkelen: losjes en soepel, maar met een fabelachtige beheersing. Thile's nieuwe album, dat van verstilde kamermuziek tot scheurende funk reikt, vormt een ijkpunt voor toekomstige ontwikkelingen. En natuurlijk ook voor Chris zelf - als hij inderdaad tot die zeldzame zwervers behoort die nooit de weg kwijt raken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden