De hele wereld wordt afgetapt

Kort voor de invasie in Irak raakten de inlichtingendiensten van de Verenigde Staten en Groot-Brittanië in opspraak. Een medewerkster van de Britse afluisterdienst Government Communications Headquarters (GCHQ) bracht een document naar buiten waaruit bleek dat de Amerikanen telefoontjes, e-mails en gesprekken aftapten van de zes landen in de Veiligheidsraad die...

Jeroen Trommelen

In een e-mail aan de Britse zusterdienst vroeg de Amerikaanse NSA de zes neutrale landen af te tappen op 'alle informatie die Amerikaanse beleidsmakers kan helpen resultaten te boeken die gunstig zijn voor Amerikaanse doeleinden'.

Het memo schokte de 28-jarige NSA-vertaalster Katharine Gun. Zij was tegen de voorgenomen invasie en vooral tegen het buitenspel zetten van de Verenigde Naties. Ze gaf het memo aan een vriendin, die het later bezorgde bij de Britse zondagskrant The Observer.

Eventjes galmden de nieuwskoppen van verontwaardiging. De Verenigde Staten tappen VN-diplomaten af! De Britse minister Clare Short liet weten dat dit ook gold voor secretaris-generaal Kofi Annan. 'Ik heb de uitgeschreven versie van Annans gesprekken gezien. Tijdens de aanloop naar de oorlog heb ik zelf gesprekken gevoerd met Kofi waarbij ik dacht: o jee, er komt een afschrift van, iedereen kan straks zien wat we zeggen.'

Verwonderlijk was dat natuurlijk niet. Wie een interessante rol speelt op het wereldtoneel, wordt bespioneerd door inlichtingendiensten, ook al is dat (zoals bij VN-diplomaten) formeel verboden. De grootste, rijkste en best uitgeruste van die diensten is de NSA, waar de Amerikaanse belangen altijd voorop staan. De NSA werkt samen met collega-diensten in Canada, Groot-Brittanië, Australië en Nieuw-Zeeland, zoals vastgelegd in het geheime UKUSA-verdrag.

Hoe ver reiken de belangen van de NSA? Wanneer wordt iemand interessant genoeg om diens elektronische privacy door de Amerikaanse overheid te laten schenden? Bestaat er toezicht op de keuzen en methoden van de afluisterdienst? Werken de Angelsaksische bondgenoten klakkeloos met de Amerikanen samen – en geldt dit wellicht ook voor andere bondgenoten, zoals Nederland ?

De jonge Amerikaanse auteur Patrick Radder Keefe probeert in het boek Chatter een aantal van deze vragen te beantwoorden, maar gemakkelijk blijkt dat niet. Veel van het wereldwijde afluisternetwerk is geheim. De informatie die er wel is, moet worden geschift op paranoia, overdrijving en strategisch gelekte feitjes. Maar wat er dan nog overblijft is boeiend genoeg.

De feiten zijn dat de Verenigde Staten tien spionagesatellieten onderhouden die specifiek gericht zijn op signit, elektronische signalen. In Amerika, Engeland, Australië en Nieuw-Zeeland staan afluistercentra die informatie van deze en gewone communicatiesatellieten uit de lucht halen. Kleinere centra staan ook in Europese landen (waaronder Nederland, Denemarken en Duitsland). Over de mate waarin deze hun informatie met het Amerikaanse netwerk delen, bestaat onduidelijkheid. Veelzeggend is dat bij de Duitse centrale in Beieren nog steeds Amerikaanse technici rondlopen.

De Britse, door Amerikanen geleide afluistercentrale in Cheltenham is gevestigd op de 'ruggengraat' van het Britse glasvezelnet waarlangs het transatlantische reguliere telefoon-en internetverkeer wordt afgewikkeld. Zo kunnen bijvoorbeeld e-mails worden afgetapt en opgeslagen. De potentie van de afluisteraars is enorm. Alleen al de NSA heeft 65 duizend medewerkers in dienst; een duizelingwekkend aantal vergeleken met de vijfduizend 'gewone' Amerikaanse inlichtingenmensen wereldwijd.

Anders dan soms wordt aangenomen, bestaan er geen elektronische filters die gesprekken automatisch kunnen analyseren. Wie in een telefoongesprek het woord 'bom' uitspreekt, laat daarmee dus geen belletje rinkelen in het Pentagon. Teksten herkennen daarentegen is geen probleem, ook niet wanneer die zijn versleuteld of kennelijk onzichtbaar zijn verstopt in foto's.

Maar dan de hamvragen: wie wordt afgeluisterd op grond waarvan; welke informatie wordt waarom getapt; wie krijgt de resultaten en wat gebeurt ermee? Op dit gebied tast Keefe, in navolging van vele auteurs vóór hem, vaak in het duister.

Onafhankelijk toezicht op de NSA bestaat niet. Doelwitten en prioriteiten worden bepaald door de NSA zelf, in opdracht of na ruggespraak met het Witte Huis, het Pentagon of een van de andere veertien nationale veiligheidsdiensten. Dat dit overleg soms uitblijft of fout loopt, bleek onder meer bij de aanslagen van 11 september.

De vraag hoe ver de NSA mag gaan in het schenden van de privacy van burgers, werd de afgelopen vijf jaar niet gesteld door het Witte Huis, maar wel door directeur Mike Hayden van de dienst zelf. Technisch is veel mogelijk, vertelde hij een Amerikaanse senaatscommissie. Maar is het écht de bedoeling dat voortaan alles van elke burger buiten de Verenigde Staten wordt geregistreerd?

Hayden kreeg daar geen antwoord op. Of eigenlijk wel, want het Pentagon lanceerde in 2001 zijn ultieme afluisterfantasie: het Total Information Awareness (TIA)-systeem. Het zou namen, adressen en alle transactiegegevens van Amerikanen moeten vastleggen, waaronder het betaal-en telefoonverkeer en mogelijk zelfs surfgedrag op internet.

Omdat het systeem de Amerikaanse burger zelf zou aangaan, verdween het plan al snel in een diepe lade. De kans dat de NSA het elders ter wereld wel toepast, wordt klein geacht.

Een commissie van het Europarlement deed in 2000 onderzoek naar het Echelon-systeem (een andere naam van het NSA-netwerk). Dat Europese instellingen met actieve medewerking van de Britten door de NSA worden afgeluisterd, staat volgens de commissie buiten kijf – en dat is en blijft opmerkelijk. Aanwijzingen voor het routinematig aftappen van transactiegegevens van Europese burgers vond men niet. De Grote Broer die stelselmatig al onze gangen nagaat en vastlegt, is fantasie.

Nog wel. Net te laat voor de rondgang van Keefe kwam het plan van minister Donner en diens Europese justitiecollega's om de verkeersgegevens van alle telefoongesprekken, faxen en e-mails van alle Europese burgers voor een periode van één tot drie jaar vast te leggen. Zelfs het Amerikaanse publiek, met het trauma van 11 september nog in de benen, gaat dit dus te ver. Koppeling met andere bestanden ligt voor de hand, en de vraag is wie zich allemaal toegang zullen verschaffen tot al die privacygevoelige gegevens.

Eén concreet gevaar schuilt in vergissingen die ontstaan bij geautomatiseerde verwerking van vertrouwelijke informatie. Het boek noemt het voorbeeld van de Franse firma Microturbo die door de NSA ten onrechte werd verdacht van de smokkel van wapentuig naar China. De namen van de onschuldige medewerkers dwalen nog steeds rond in het labyrint van het computersysteem, en de betrokkenen zullen dat volgens experts pas merken wanneer ze ten onrechte worden aangehouden of wanneer het bedrijf een Amerikaanse order misloopt.

Zulke vergissingen treffen ook gewone burgers. Het boek kwam te laat om de voorbeelden mee te nemen van vliegtuigpassagiers die het afgelopen jaar om mysterieuze redenen in de Verenigde Staten zijn geweigerd. De zanger Cat Stevens, die sinds 1977 Yusuf Islam heet, kreeg zo'n behandeling in november 2004. Op weg van Engeland naar zijn Amerikaanse platenmaatschappij werd hij gearresteerd; gescheiden van zijn meereizende dochter en zonder verklaring teruggestuurd. Zijn telefoon werd in beslag genomen. Vermoedelijk was er sprake van een naamsverwisseling.

Alziend en alwetend is de NSA dus niet. De dienst kan in theorie ieders privacy breken, maar is in de praktijk al blij wanneer de juiste namen aan de juiste bestanden worden gekoppeld.

Patrick Keefe schetst een leesbaar, genuanceerd en nadrukkelijk anti-paranoïde portret van de NSA, Echelon en aanverwante onderwerpen, maar diept geen nieuwe feiten op. Hij leunt zwaar op de boeken, krantenartikelen en internetsites van 'paranoïci en onderzoeksjournalisten', op wie hij het persoonlijk niet zo heeft, maar die het netwerk wel hebben blootgelegd.

James Bamford bewees met The Puzzle Palace (1983), Body of Secrets (2001) en Pretext for War goed van de NSA-activiteiten op de hoogte te zijn. David Kahn schreef The Codebreakers (1996) en The Reader of Gentlemen's Mail (2004). En Nicky Hager onthulde al in 1993 met Secret Power de achtergrond van het Echelon-netwerk.

Anders dan Chatter zijn die boeken niet in het Nederlands vertaald. Dat had misschien wel eenvoudig gekund als de NSA een goed functionerend vertaalprogramma had weten te ontwikkelen, dat daarna ongetwijfeld ook op de markt zou zijn verschenen. Maar tot dusver zijn zelfs de slimste ontcijferaars ter wereld daar nog niet in geslaagd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden