De heilloze lust tot pokeren BEURSYUPPEN BEDREIGEN WESTERSE BESCHAVING

DE WERELD - niet eens meer alleen het Westen - raakt steeds meer bezeten van geld. Wat ooit begonnen is als een praktisch ruilmiddel, heeft zich al snel verheven tot een doel dat elk menselijk handelen en verlangen beheerst....

HERMAN PLEIJ

Werkelijk alles blijkt voor geld te koop, zelfs als het om zoiets onstoffelijks gaat als emoties. Het verzet tegen de aanschaf van intimiteit en vertrouwen wordt afgedaan als gedateerde romantiek. Alles heeft waarde. En unaniem hebben we geld als de meest objectieve uitdrukking daarvan aangewezen.

De laatste achterhoedegevechten lijken zich af te spelen in de wereld van persoonlijke vriendschappen. Voor het liefdevol aanhoren van een hartenbiecht betaalt men vriend of vriendin niet in klinkende munt. Dat zou het einde van de vriendschap betekenen. En een liefdesnacht krijgt een ander karakter, wanneer daar de volgende ochtend een beloning in geld tegenover staat.

Maar de grenzen vervagen in een angstaanjagend tempo. Kostbare cadeaus (goud!) introduceren toch weer een zekere ruilhandel in de liefde volgens een traditioneel eenrichtingsverkeer, terwijl de intimiteit bij de psychotherapeut wel degelijk geld kan verdragen.

Misschien blijken de vervagende grenzen tussen privé en geld wel het duidelijkst uit het toenemende gemak waarmee niet-professionele vrouwen tegen betaling naakt poseren of zich anderszins beschikbaar stellen. Mits het bedrag hoog genoeg is ('Je zou wel gek zijn om niet. . .'), gaat zelfs het meest verlegen schaatstertje voor Playboy uit de kleren. En al langer is in de film het thema populair van de even brave als beeldschone huisvrouw die zich voor één nacht à raison van een miljoen dollar laat bezitten door een ander.

Geld is doorslaggevend, zelfs als het om de allerpersoonlijkste intimiteiten gaat.

In een recente STER-spot raken twee piloten tijdens hun werk verstrikt in een misverstand over stijgen en dalen. Het blijkt niet alleen om het door hen bestuurde vliegtuig te gaan, maar ook om de beursstanden. Nu bevestigt deze reclame allereerst wat we zo terecht vrezen, namelijk dat de vreselijkste vliegrampen ontstaan door zulke stupide communicatiefouten in de cockpit tussen piloten die van hun gezond niet weten; het filmpje had, nog leuker, zelfs het woord 'crash' dubbel kunnen laden als probleem in de lucht of op de beurs.

Maar zorgelijker is dat hier schaamteloos de verdringing van eigenlijke arbeid door een veel lucratievere geldjacht in beeld wordt gebracht, en dan nog wel in een positieve toonzetting die op warme instemming en navenante ondernemingslust van de kijker uit is. Geld beleggen is geen vrijetijdsbesteding meer, maar plaatsvervangende arbeid die men zonodig slapend kan uitvoeren of desnoods met een stuurknuppel in de hand. En concentreer je je uitsluitend op je werk, dan ben je een dief van je eigen portemonnee.

Waren schraapzucht en inhaligheid eeuwenlang voorname zonden en golden deze in de Middeleeuwen zelfs als de wortel van alle kwaad, nu wekt iemand met miljoenen eerder een zekere bewondering. Op z'n minst mag deze benijdenswaardig handig heten. Eerder is het zo dat de patser van voorheen zich heeft ontwikkeld tot nieuw rolmodel. En de keurigste personen verklaren ons in eindeloze reclamecampagnes voor gek als we niet meeprofiteren van hun ingenieuze winstconstructies, zeker tegen het einde van het belastingjaar.

Zo was het allemaal niet bedoeld. Geld leek aanvankelijk heel handig, omdat het toch erg omslachtig was telkens met de eigen overschotten iemand te zoeken die te veel van iets begerenswaardigs anders had. Een anonieme waardebepaling door middel van geld maakte ruilen en arbeidsdeling veel eenvoudiger.

In die zin pleitte reeds Aristoteles voor het in omloop brengen van een standaardeenheid in de vorm van geld. Maar tegelijkertijd zag hij de gevaren, toen geld zich autonoom bleek te kunnen voortplanten via rente en woeker. Geld vertegenwoordigde koopkracht, en daarmee kon de hele wereld worden veroverd.

Eigenlijk herhaalt deze tweeslachtige waardering van geld zich voortdurend, waarbij de kwalijke kanten uiteindelijk veel zwaarder blijken te wegen dan de aanvankelijk positieve. Ongetwijfeld heeft geld een voorname rol gespeeld bij de inperking van geweld. Bloedwraak kon worden vervangen door een schadeloosstelling, waarmee een belangrijke grondslag werd gelegd voor het moderne strafrecht. Maar helaas opende geld ook geheel nieuwe wegen voor veel heviger geweld, nu stelen zoveel eenvoudiger werd. Anders dan materieel bezit is geld onherkenbaar en dus aanzienlijk aantrekkelijker om te roven.

Ook is het zeker zo dat geld vrij maakt. Toen de mens los kwam te staan van de meeste producten, kon hij daar ook niet meer op worden aangesproken. Eiste een landheer graan, bier en honing van een ondergeschikte, dan was deze gedwongen ervoor te zorgen dat die producten er kwamen. De machthebber bepaalde dus wat 'zijn' boer deed. Maar vanaf het moment dat hij deze schatting omzette in geld, werd de boer vrij te bepalen hoe hij die som bijeen dacht te krijgen. En bovendien kreeg de edelman meer vrijheid in het kiezen van zijn voedsel.

Tegenover deze winst staat echter weer een fundamentele vervreemding tussen arbeid en product, alsmede de aanzet tot een ongebreideld consumentisme, nu alles met geld te koop blijkt. Misschien ligt daarin de meest rampzalige ontwrichting van de samenleving. Niet alleen Karl Marx, maar ook al vele romantici voor hem wezen op deze heilloze verwijdering van de natuurlijke leefomstandigheden.

Mensen raken steeds minder betrokken bij de totstandkoming van een product. Dat is verzelfstandigd tot anoniem ding met een van buitenaf vastgestelde waarde, die door een willekeurig individu nauwelijks of niet te beïnvloeden valt. Daardoor fragmenteert de persoonlijkheid en vernauwt de natuur der dingen zich tot een concreet geldbedrag. En het gevolg is dat de mens steeds verder afstompt, in de illusie dat een dergelijke objectivering en dressuur van de natuur beschaving mag heten.

Deze fatale decadentie is beklemmend beschreven in Tom Wolfe's roman The Bonfire of the Vanities. Daarin blijkt de huidige wereld geregeerd te worden door nieuwe priesters die als enigen het ritueel beheersen om met de juiste manipulaties onzichtbaar geld in duizelingwekkende hoeveelheden te scheppen of te vernietigen.

Maar op het meest basale niveau van het gezin kunnen deze beursmakelaars niet meer uitleggen wat zij voor de kost doen. Dat realiseert de hoofdfiguur zich met een schok, als zijn zoontje hem vraagt welke arbeid hij verricht. Bouwt hij bruggen? Maakt hij mensen gezond? Kun je zien wat hij aan het eind van de dag heeft voltooid, kun je het ruiken, voelen, doorgeven? Hij weet geen antwoord.

Desondanks zijn beursyuppen benijdenswaardige medeburgers geworden. Of hebben we ongemerkt makelaars gegenereerd voor de definitieve afsluiting van de westerse beschaving? Soms lijkt het onvermijdelijk dat de geldwereld zichzelf in een mega-crash van New York tot aan Tokio definitief om zeep helpt. De hantering van geld, niet eens meer in hoofdzaak dat waardeloze bankpapier, maar veel meer het verspringen van getallen op bankafschrijvingen, berust louter en alleen op wederzijds geloof en vertrouwen.

Bijgevolg staat die omgang bloot aan alle vormen van manipulatie en bluf, zowel van individuën als van de meest verheven overheidsinstellingen. De wereld van het geld wordt geregeerd door de lust tot pokeren, zowel in de huiskamer als achter het nieuwe bureau van Duisenberg. En we praten elkaar steeds meer aan dat het zo ook moet.

Daarmee graaft geld zijn eigen en dus ook ons graf. Want juist door het scheppen van een groeiende afstand tot de natuur neemt het onderlinge vertrouwen tussen de mensen af. Beschaving en vooruitgang doen vereenzamen. Dat geldt voor de computer, maar dat ging ook al op bij de introductie van de centrale verwarming, die mensen naar verschillende vertrekken dreef. En altijd lijkt er op korte termijn sprake van winst.

Binnen die voortschrijdende argwaan wordt vertrouwen een steeds dubieuzer goed. En juist daarop is het dagelijkse miljardenverkeer rond de hele aardbol gebaseerd. Zo gauw iemand met gezag gaat twijfelen aan de koopkracht van een bankbiljet, kan de lawine van een totale geldontwaarding gaan rollen. Bij de bank blijkt lang niet voldoende goud om alle rekeninghouders tevreden te stellen. Dan is er niets meer te koop, de velden worden in een oogwenk leeggevreten en de boeren vermoord. En de enorme berg bankbiljetten kan niet eens meer het uitgemergelde lijf van de laatste overlevenden verwarmen.

Valt er in dergelijke gedachten een zekere lijn te bespeuren, dan is die zeker niet te danken aan James Buchan's Bevroren verlangen. Deze geldexpert, voormalig correspondent van de Financial Times, heeft gepoogd de betekenis van geld na te gaan. Jammer genoeg gebeurt dat op quasi-literaire wijze, met als voornaamste brandstof een hinderlijke hang naar autobiografisme. Buchan komt niet verder dan een overdonderende warboel aan tamelijk willekeurige invallen over geld, verbonden met zijn weinig relevante levensloop en een nogal gratuite kunst- en literatuurkritiek.

Ook bij de uitleg van de meer technische aspecten van geldwaardering in de loop der tijden excelleert hij in pretentieuze onhelderheid. Gelukkig is er hulp van het eveneens kortgeleden verschenen handboekje van de Rotterdamse economen Klamer en Van Dalen. Dat kan goed fungeren als gids bij Buchan's anekdotenbundel over geld. Maar ook dan wordt men er niet vrolijker op. In meer dan één opzicht.

Herman Pleij

Naar aanleiding van:

James Buchan: Bevroren verlangen - Een zoektocht naar de betekenis van geld.

Nieuwezijds; 368 pagina's; * 49,50.

ISBN 90 5712 023 2.

Arjo Klamer & Harry van Dalen: Het verhaal van geld.

Amsterdam University Press; 87 pagina's; * 19,50.

ISBN 90 5356 286 9.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden