Titus Brandsma in 1895.

ProfielTitus Brandsma

De heiligverklaring van Titus Brandsma: de man die het in nazi-gevangenschap kon ‘uitjubelen van vreugde’

Titus Brandsma in 1895.Beeld Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, Bolsward

Voor de nazi’s was pater Titus Brandsma (1881-1942) ‘een gevaarlijk mens’. Voor veel tijdgenoten was hij (dus) een heilige. Vanaf zondag is hij dat ook volgens de rooms-katholieke kerk. De recente wonderlijke genezing van een Amerikaanse karmeliet was daarvoor wel essentieel.

Sander van Walsum

Zou pater Titus Brandsma, die in 1985 zalig was verklaard, ooit een heilige kunnen worden? Kunsthistoricus Henk van Os achtte die kans klein toen hij zich in 1998 over dit vraagstuk uitsprak. In de eerste plaats werden aan hem geen ‘mystieke ervaringen’ toegeschreven. ‘Geen visioenen, geen extases, geen levitaties en zeker geen stigmatisaties’. Maar bovenal had Brandsma, voor zover bekend, geen wonderen verricht. En ‘zonder wonderen kon je vroeger noch heilig noch zalig worden’. De staat van zaligheid was hem nochtans toegekend omdat hij als ‘dienaar Gods’ had geleefd en in 1942 als martelaar in kamp Dachau was gestorven. Maar een heiligverklaring? Nee, die zat er volgens Van Os niet in – de talrijke verdiensten van Titus Brandsma ten spijt.

Nederlandse pelgrims op het Sint Pietersplein in Rome voor de zaligverklaring van Titus Brandsma in 1985. Beeld Nederlands Katholiek Documentatie Centrum
Nederlandse pelgrims op het Sint Pietersplein in Rome voor de zaligverklaring van Titus Brandsma in 1985.Beeld Nederlands Katholiek Documentatie Centrum

Daarmee had Van Os buiten de Amerikaanse karmelieter pater Michael Driscoll gerekend, een ordegenoot van Titus Brandsma. Bij hem werd in 2007 een kwaadaardige melanoom met uitzaaiingen in het lymfestelsel aangetroffen. Toen reguliere, medische, behandelingen onvoldoende effect sorteerden, spoorde zijn bisdom in Florida de gelovigen aan om voor Driscoll te bidden, waarbij voorspraak werd gevraagd bij de zalige Titus Brandsma. Driscoll zelf zocht genezing door een relikwie van Titus – een stuk van diens habijt – tegen de door kanker aangetaste delen van zijn lichaam te houden.

Tot ieders verrassing – ook die van Driscoll zelf – genas hij voorspoedig. De artsen verklaarden de patiënt genezen, en de Congregatie voor de Zalig- en Heiligverklaringen in Rome kwalificeerde de wetenschappelijk onverklaarbare genezing als een wonder. Daarmee was de weg naar de heiligverklaring van Titus Brandsma geëffend. Volgens de reglementen van de Congregatie zijn voor een heiligverklaring weliswaar twee erkende wonderen vereist, maar Titus kan als martelaar – iemand die omwille van zijn geloofsovertuiging om het leven is gebracht – volstaan met één wonder.

Titus Brandsma (rechts) met twee Karmelbroeders, jaartal onbekend. Beeld Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, Bolsward
Titus Brandsma (rechts) met twee Karmelbroeders, jaartal onbekend.Beeld Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, Bolsward

Komende zondag, 15 mei, zal de heiligverklaring op het Sint-Pietersplein in Rome worden voltrokken. Daarmee zal een proces worden afgesloten dat al zo’n zeventig jaar geleden begon met initiatieven die tot zijn zaligverklaring moesten leiden. In dat verband hoorde de bisschoppelijke rechtbank in Den Bosch gedurende 81 zittingen zo’n 50 getuigen die uit eigen ervaring konden verklaren dat Titus in de geest van Jezus had geleefd. In Rome vonden de pleitbezorgers van de zaligverklaring echter de promotor fidei op hun weg: een door de Congregatie benoemde ‘advocaat van de duivel’ die zich afvroeg of Titus wel als ware martelaar kon worden aangemerkt.

Met de beantwoording van die vraag waren – met tussenpozen – meerdere decennia gemoeid. Pas in 1978, na het aantreden van paus Johannes Paulus II – een sympathisant van de Orde van de Karmelieten – kwam de zaak weer in beweging. In de Romeinse context betekende dit dat de zaligverklaring in november 1985 alsnog haar beslag kreeg.

‘Een en al gedienstigheid’

In de leken-literatuur staat de hagiografie – letterlijk: biografie van een heilige – niet hoog aangeschreven. Het genre wekt associaties met hoogdravendheid en een vergaande idealisering van de hoofdpersoon. Maar de ‘intellectuele biografie’ van Titus Brandsma die volgend jaar verschijnt, zal per definitie een hagiografie zijn, zij het een kritische. Dat zal nog een hele opgave zijn voor de auteurs, Inigo Brocken en Coban Menkveld. Want Anno Sjoerd Brandsma (1881-1942), die na zijn priesterwijding de naam Titus voerde, was niet behept met de eigenaardigheden of de duistere trekjes waarmee een biograaf (of de lezer) zich kan amuseren. In die zin was hij nogal saai.

‘Als kind was Anno al een en al gedienstigheid’, zei Titus’ broer Henricus. Volgens Godfried Bomans – een oud-student van Brandsma – was Titus ‘de zwakste in het weerstreven van wat men hem vroeg’, maar gaf hij zijn leven ‘voor wat hij weigerde prijs te geven’. Voor de karmeliet Sixtus Scholtens was Brandsma een moderne heilige, ‘iemand uit één stuk in wie niets gespleten is.’ Wim Eijk, de huidige aartsbisschop van Utrecht, achtte hem ‘radicaal vergevingsgezind’. Anderen spraken over zijn niet aflatende vriendelijkheid, zijn grote eenvoud, zijn onbaatzuchtigheid en zijn hulpvaardigheid. ‘Je bent de hoeder van je broeder’, schreef Titus zelf. ‘Schep contact. Niet vragen. Niet omzien. Niet oordelen. Gewoon helpen.’ En naar dat credo handelde hij.

De boerderij in Oegekleaster bij Bolsward, waar Titus werd geboren. Uiterst links twee personeelsleden, dan moeder en vader Brandsma. Op het andere deel van de tuin staat Titus' zus Gatske met haar gezin.  Beeld Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, Bolsward
De boerderij in Oegekleaster bij Bolsward, waar Titus werd geboren. Uiterst links twee personeelsleden, dan moeder en vader Brandsma. Op het andere deel van de tuin staat Titus' zus Gatske met haar gezin.Beeld Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, Bolsward

In de vooroorlogse jaren bracht dit hyperactiviteit op vele tonelen met zich mee. Hij zette zich in voor een kerk die het niet van uiterlijk vertoon moest hebben maar van tastbare naastenliefde. Hij reisde door Europa om zich te verdiepen in ‘wondetekenen en lijdensvisioenen’ bij gelovigen die de kruisweg van Jezus zouden hebben afgelegd. Hij was ‘de enige mysticus op het vasteland van Europa die een algemeen treinabonnement bezat en in treincoupés zalig is geworden’, schreef Godfried Bomans achteraf.

Titus stichtte scholen, hij doceerde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (waarvan hij in het academisch jaar 1932-1933 de rector magnificus was) en hij beijverde zich als journalist voor de verheffing van het katholieke volksdeel. Hij had veel achting voor dit metier. Journalisten ‘leven meer voor een ander dan voor zichzelf’, meende hij. In zijn hoedanigheid van adviseur perszaken van het aartsbisdom Utrecht verlangde hij van zijn schrijvende geloofsgenoten ‘een liefdevolle, irenische toon’.

Pater Titus Brandsma. Beeld ANP / Spaarnestad Photo
Pater Titus Brandsma.Beeld ANP / Spaarnestad Photo

Cel 577

Bekendheid buiten de eigen kring verwierf hij als geharnast tegenstander van het nationaalsocialisme (en andere ideologieën die tot een verwijdering tussen de mens en God hadden geleid). ‘Hiermee gaan we de nacht in’, zei hij – verwijzend naar ‘het valse heldendom en de antichristelijke instelling’ van de nazileer. Het probleem met de moderne ideologieën was dat ze niet uitgingen van de concrete mens maar van maatschappelijke abstracties, stelde hij in 1932 bij de aanvaarding van zijn rectoraat van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij trad toe tot het Comité van Waakzaamheid, waarin tegenstanders van het nationaalsocialisme met uiteenlopende gezindten zich hadden verenigd. Maar daarmee liep hij toch te ver op de rooms-katholieke troepen vooruit: aartsbisschop Johannes de Jong (zelf een felle antinazi) gelastte hem zich uit dit meerstemmige gezelschap terug te trekken.

Tijdens de Duitse bezetting waren conflicten met de nieuwe machthebbers onvermijdelijk. Brandsma opponeerde fel tegen de nazificering van het onderwijs, en binnen zijn eigen Katholieke Universiteit verijdelde hij de benoeming tot rector magnificus van zijn nazi-gezinde collega-hoogleraar Theodor Baader (die bij Brandsma in 1940 zelfs een vloek zou hebben ontlokt door in zwart uniform op het werk te verschijnen). Maar bovenal probeerde hij de katholieke pers – destijds nog wijdvertakt – te vrijwaren van nazistische smetten. Als ‘geestelijk adviseur’ van de Nederlandsche Katholieke Journalisten Vereeniging NKJV drong hij er bij alle katholieke periodieken op aan de plaatsing van NSB-advertenties te weigeren – ‘zelfs onder bedreiging van zware boete of van schorsing of zelfs opheffing van het betreffende dagblad’.

Op een brief van deze strekking volgde een rondgang van Titus Brandsma langs de redacties van de katholieke persorganen. De Sicherheitsdienst (SD), die hem voor ‘een gevaarlijk mens’ hield, zou hierover door de Duitsgezinde directeur van het (katholieke) Dagblad van het Zuiden zijn geïnformeerd. Een ware ‘Judasstreek’, met fatale gevolgen voor de betrokkene. Op 16 januari 1942 werd hij in Nijmegen gearresteerd. Via de Arnhemse koepelgevangenis werd hij overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen, het zogenoemde Oranjehotel. Per trein. Titus zou zijn begeleiders tot spoed hebben gemaand, ‘want de NS hebben niet de gewoonte om op SD’ers te wachten’.

In cel 577, die hij als kloosterling ‘trouw bewoonde’, schreef hij het levensverhaal van de mystica Teresa van Ávila, als ook 14 lijdensmeditaties voor de (door hem gestichte) kruisweg in Dokkum, en een toelichting bij zijn bezwaren tegen het nationaalsocialisme, dat hij wezensvreemd achtte ‘aan dit land en onze christelijke waarden’. In Scheveningen voelde hij de nabijheid van God (‘Uw bijzijn maakt mij alles goed’) en was hij zelfs gelukkig. ‘Ik kan het uitjubelen van vreugde, dat Hij zich weer eens geheel door mij heeft laten vinden.’

Geloofscrisis

Op 12 maart 1942 werd Titus Brandsma overgebracht naar kamp Amersfoort, waar hij als geestelijke ergens onder aan de pikorde bungelde. SD-commandant Wilhelm Harster had de Utrechtse aartsbisschop De Jong laten weten dat ‘met een scherp afwijzende behandeling van katholieke geestelijken in het kamp rekening zou moeten worden gehouden’. Dit weerhield Titus, die een zwak gestel had, er niet van om medegevangenen geestelijke bijstand te verlenen. ‘Hij weigerde te geloven dat de dorre grond geen vrucht kon dragen’ – aldus voormalig Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja. Met twee (clandestiene) lezingen – een over de moderne devotie van Geert Groote en een over de Franciscaan Pater Brugman – bood hij zijn medegevangenen enige verpozing te midden van de naziterreur.

Tekening die door medegevangene John Dons in het kamp Amersfoort van Titus Brandsma werd gemaakt. De tekening werd het kamp uitgesmokkeld. John Dons is later gefusilleerd. Beeld Privéarchief
Tekening die door medegevangene John Dons in het kamp Amersfoort van Titus Brandsma werd gemaakt. De tekening werd het kamp uitgesmokkeld. John Dons is later gefusilleerd.Beeld Privéarchief

De volgende staties van zijn lijdensweg waren (opnieuw) het Oranjehotel in Scheveningen en de gevangenis in het Duitse Kleef. Daar raakte hij in een, voor hem, uitzonderlijke geloofscrisis. Vertwijfeld vroeg hij om overplaatsing naar een karmelieter klooster, waar hij zich van elke publieke uiting zou onthouden. Zijn biografen hebben zich nooit goed raad geweten met deze episode. De een zweeg erover, voor de ander bleek hieruit dat Titus ook maar een mens was. En had Jezus in de tuin van Getsemane zijn Vader ook niet gevraagd of Hij hem voor de kruisgang wilde sparen?

Maar toen hij in juni vanuit Kleef naar kamp Dachau werd overgebracht – waar hij ‘für die ganze Kriegsdauer’ zou moeten verblijven – had hij zich weer volkomen met zijn lot verzoend. Hij zou blijven leven zolang God hem nodig had, maar had – volgens de geestelijk verzorger in Kleef – ‘steeds de eeuwigheid voor ogen’. In Dachau kwam Titus, na te zijn mishandeld, in de ziekenbarak terecht. Daar overleed hij op 26 juli, 61 jaar oud.

Krans bij Blok 26 in kamp Dachau, 1985, waar Brandsma is gestorven. Beeld Nederlands Katholiek Documentatie Centrum
Krans bij Blok 26 in kamp Dachau, 1985, waar Brandsma is gestorven.Beeld Nederlands Katholiek Documentatie Centrum

Bronnen

Voor de documentatie van dit stuk is geput uit een mini-symposium over Titus Brandsma in het Bisschoppelijk Paleis in Den Bosch (30 maart jongstleden), enkele publicaties van de theoloog Coban Menkveld (verbonden aan het Titus Brandsma Instituut), de biografie Titus Brandsma onder ons van Henk Nota en het tijdschrift Titus Brandsma, dat ter gelegenheid van diens heiligverklaring is verschenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden