De Heere is goed voor de geest

Dat geloven goed is voor de gezondheid, is doorgaans een schijnverband. Wie goed ter been is, komt vlotter naar de kerk....

BLIJVEN mensen die in (een) God geloven, langer in leven dan ongelovigen? Lopen ze minder kans ziek te worden en herstellen ze voorspoediger als ze wel ziek mochten zijn? Een reeks epidemiologische studies, de meeste uit de Verenigde Staten, lijkt daar op te wijzen. Ook een studie uit 1995 onder Nederlandse trappisten en benedictijnen door epidemiologen van het Academisch Ziekenhuis Leiden toont aan dat de sterfte onder deze gelovige mannen lager is dan onder de algemene mannelijke bevolking.

Toch schuilt er een addertje onder het groene gras dat deze studies tonen. Niet de gelovigheid zelf, maar factoren die daarmee samenhangen, zoals een gezondere leefstijl, verklaren meestal het verband tussen religie en gezondheid, zo waarschuwen de Amerikaanse psychiater dr. Richard Sloan en twee collega's in een recente beschouwing in The Lancet (20 februari).

Studies onder religieuze groeperingen worden juist ondernomen omdat zij de mogelijkheid bieden te onderzoeken wat de invloed op de gezondheid is van factoren als roken, drinken, seksuele activiteit, psychosociale stress of bijvoorbeeld het eten van vlees, aldus Sloan en zijn collega-onderzoekers E. Bagiella en T. Powell. Het naleven van religieuze voorschriften die (sommige van) deze risicofactoren uitbannen, creëert groepen mensen die als vergelijkingsmateriaal kunnen dienen voor groepen uit de algemene bevolking.

De Leidse epidemiologen, die de sterfte onder de trappisten en benedictijnen onderzochten, zijn zich daarvan wel enigszins bewust. Ze turfden de sterfte onder 1523 monniken over de periode 1900-1994 en constateerden dat die voortdurend afnam, ook nog na de Tweede Wereldoorlog, toen de sterftedaling onder de mannelijke bevolking in het algemeen langzaam tot stilstand kwam. Hun verklaring is dat vanaf 1950 de gevolgen van de 'epidemieën' van longkanker en hart-en vaatziekten in de algemene bevolking zichtbaar werden. Niet de religiositeit, maar hun van de doorsnee bevolking afwijkende leefwijze verklaart de lagere sterfte onder de monniken, is de impliciete conclusie.

Volgens Sloan en collega's wordt in veel studies naar de invloed van gelovigheid op de gezondheid onvoldoende rekening gehouden met vertekenende factoren. De mate van religiositeit wordt bijvoorbeeld gemeten aan de frequentie van het kerkbezoek. Zo concludeerden de onderzoekers G. Comstock en K. Partridge in 1972 dat mensen die vaak naar de kerk gaan, gezonder zijn dan mensen die de kerk minder vaak bezoeken, een studie die vaak is opgevat als bewijs dat gelovigheid goed is voor de gezondheid.

Maar, aldus Sloan en collega's, vijf jaar later concludeerde Comstock zélf dat hij een schijnverband had aangetoond: mensen met een slechtere gezondheid, bijvoorbeeld personen die slecht ter been zijn, zullen minder vaak naar de kerk gaan dan mensen in goede gezondheid. Comstocks corrigerende publicatie wordt evenwel maar zelden aangehaald, constateert Sloan.

Zijn veel onderzoeken naar het verband tussen geloof en gezondheid op deze of andere wijze vertekend, de wél goed opgezette en uitgevoerde studies pleiten evenmin voor een eenduidig verband, stellen de Amerikaanse onderzoekers. De resultaten spreken elkaar tegen of zijn inconsistent. Een goed uitgevoerd onderzoek als dat van E. Idler en S. Kasl uit 1992 toont weliswaar dat kerkbezoek een positief effect heeft op het zelfstandig functioneren van ouderen, maar tegelijk vonden ze geen relatie tussen gezondheidsaspecten en de geloofsbeleving als zodanig.

Idler en Kasl vonden evenmin een positief verband tussen kerkbezoek en sterfte. Twee andere studies zagen wel een effect op de sterfte, maar dat gold alleen voor vrouwen - niet eens zo'n verrassende constatering voor wie wel eens een rooms-katholieke kerk in een mediterraan land heeft bezocht.

In hun beschouwing beperken Sloan, Bagiella en Powell zich tot studies naar de lichamelijke gezondheid. Wat betreft de geestelijke gezondheid zou het effect van religiositeit wel eens anders kunnen uitpakken. Zo toont de vorige week vrijdag aan de Vrije Universiteit Amsterdam gepromoveerde arts en psychiater-in-opleiding dr. A. Braam in zijn proefschrift aan dat gelovigheid en kerkelijk meeleven invloed heeft op het optreden van depressieve symptomen bij ouderen tussen de 55 en 85 jaar.

Braam constateert dat lidmaten van de Gereformeerde Kerken in Nederland (de 'synodalen', de grootste gereformeerde stroming) het minst vaak last hebben van depressieve symptomen. Nederlands hervormden staan op de tweede plaats van de ranglijst en rooms-katholieken op de derde. Lidmaten van 'bevindelijke' protestantse kerkgenootschappen, onkerkelijken en kerkverlaters vertonen de meeste depressieve symptomen.

Braams bevinding dat 'gewone' gereformeerden het minst depressief zijn, is enigszins contra-intuïtief, gezien de nadruk die, zeker vroeger, in dit kerkgenootschap op 'voorbestemming' (predestinatie) zonde, schuld en boete lag. De - van huis uit vrijgemaakt gereformeerde - psychologe drs. A. Schilder legde in haar boek Hulpeloos maar schuldig; het verband tussen een gereformeerde paradox en depressie uit 1987 zelfs een rechtstreeks verband tussen de strikte gereformeerde leer en het ontstaan van depressieve symptomen.

Braam weerlegt die opvatting, althans waar het lidmaten van de Gereformeerde Kerken in Nederland betreft. Voor de 'zware' gereformeerden, zoals de door Braam ondervraagde bevolking van Genemuiden, lijkt de relatie wel op te gaan.

Braam is zich, zo blijkt uit zijn proefschrift, welbewust van de valkuilen in het onderzoek naar de invloed van religiositeit op de (geestelijke) gezondheid, zoals geschetst door Sloan en collega's. Voor zover het om kerkbezoek gaat, constateert hij dat mensen die zelden of nooit de kerk bezoeken, een anderhalf keer groter risico op depressie hebben dan regelmatige kerkbezoekers.

En dat is geen schijnverband, want voor deze nieuwe uitkomst van het onderzoek is gecorrigeerd voor lichamelijke gezondheid. Niet naar de kerk gaan wordt dus in elk geval niet veroorzaakt door een lichamelijk gebrek dat tot depressies lijdt, aldus Braam. Waardoor wel, onthult de statistiek niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden