De harige pootjes van het Kwaad

Het boek begint in meerdere opzichten zo hoopvol. Doodgewoon, alledaags geluk is notoir ongeschikt om de lezer te boeien, maar King krijgt het voor elkaar: Jamie Morton groeit op in een groot, gezellig gezin, de dorpse saamhorigheid van Noordoostelijk Amerika in de jaren zestig, waar de knappe, charismatische jonge dominee Charles Jacobs al spoedig de gelederen komt versterken met zijn mooie, lieve vrouw en schattige zoontje.

Jacobs kan mooi preken, en heeft bovendien een fascinerende hobby: hij houdt van spelen met elektriciteit, volgens hem 'Gods doorway to the infinite'. Zelfs geneest Jacobs Jamies zieke broertje, met Gods hulp en een zelfgeknutseld elektrisch toestel.

Een en ander laat zich weghappen als een knapperig warm saucijzenbroodje. King is een meester van het detail, dus kom maar dóór met die sfeervolle eerste pogingen om gitaar te leren spelen, die eerste kus, die ontmaagding in dat verzakte hutje met dat onweer op de achtergrond (al is de metafoor van die roodgloeiende, stijf rechtopstaande bliksemafleider wel iets te veel van het goede).

Al die onstuimige, jeugdige vrolijkheid is natuurlijk ook prima te verdragen omdat de geoefende King-lezer de bui al voelt hangen: de kans dat iedereen nog lang en gelukkig leeft, is goddank te verwaarlozen. En ja hoor, daar is het noodlot al. Jacobs' vrouw en zoontje komen om bij een auto-ongeluk, waarbij King zoals gebruikelijk de gruwelijke details met smaak weet op te dissen.

De dominee is vervolgens uiteraard een gebroken man. Hij houdt nog één preek, een vreselijke preek waarin hij verklaart dat God niet bestaat, en verdwijnt in het niets, zijn gemeente ontredderd achterlatend.

King slaat een paar decennia over: Jamie is intussen aan lagerwal geraakt, verslaafd aan heroïne en het dreigt al slecht met hem af te lopen als hij Jacobs weer eens tegen het lijf loopt. Die heeft nog steeds een elektriek-hobby, en daarbij, jawel, genezende krachten. Hij kan Jamie helpen, maar dat heeft, zoals alles in de wereld van King, een prijs.

So far, so good. Met Revival is King weer terug bij zijn vertrouwde horrorgenre en dat is fijn. Dapper is ook hoe hij de dominee partij laat kiezen in het aloude conflict tussen wetenschap en religie. Het overgrote merendeel van de Amerikanen zal hem dat bepaald niet in dank afnemen.

King is erg goed in het opbouwen van spanning, en dat doet hij ook hier weer verdienstelijk. Het probleem is alleen dat zijn spook, als het eenmaal uit de kast komt, vaak behoorlijk tegenvalt. Ook nu weer. Het Kwaad heeft bij King altijd harige pootjes, en daar word ik zo langzamerhand doodmoe van.

In dit specifieke geval van Revival is de climax bovendien zó haastig en slordig beschreven dat je je behoorlijk genaaid voelt na 400 pagina's lezen. Wat bezielde King? Voor het geld hoeft hij toch echt niet meer elk jaar een boek te schrijven, zou je zeggen. Kan het niet wat kalmer aan, en dan béter? Het lijkt soms alsof King bij het schrijven niet meer wordt gedreven door literaire bevlogenheid, maar door een ordinaire dwangneurose.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden