INTERVIEW

De gruwelen van Glodok

Overlever Ted Plas

Ted Plas, toen 18, nu 88, herinnert zich de gruwelijke omstandigheden van het Jappenkamp in de oudste en vieste gevangenis van Batavia.

Op de achtergrond de ingang van de Glodokgevangenis Beeld René Hermans

'Jij houdt het riool schoon', brieste een Japanse gevangenisdirecteur tegen een gevangene, die klein van stuk was. 'Nee! Ik wil alles doen, maar dat niet.' De Indische Nederlander die net in de Glodok-gevangenis van Batavia was geïnterneerd, kreeg een touw om zijn nek en werd opgehangen.

Nadat hij zijn laatste adem had uitgeblazen, werd de op een na kleinste, de toen nog geen 18 jaar oude Ted 'Teddy' Plas, aangewezen. Hij moest met zijn blote handen de verstopping in een twee meter diep, open riool verhelpen. Waar de smurrie van uitwerpselen bij elkaar kwam, moest hij de lading door het gat in de buitenmuur van de gevangenis duwen, zodat die aan de andere kant in een grote vijver terechtkwam. Het was niet alleen ongelooflijk zwaar en smerig werk, het was ook levensbedreigend, omdat in de gevangenis tyfus, dysenterie en cholera heersten en hij ieder moment bedwelmd kon raken door de stank en kon verdrinken.

Glodok was de oudste en meest vervuilde gevangenis van Batavia, het huidige Jakarta. In 1944 sloten de Japanners hier 350 jonge Indische Nederlanders op die weigerden hardop hun loyaliteit ten opzichte van Japan uit te spreken. Van hen stierven er tientallen op afschuwelijke wijze: ze werden onthoofd, doodgemarteld, ze verhongerden of stierven als gevolg van een tropische ziekte.

Niet praten

Plas zou de gevangenschap overleven, maar hij wilde zeventig jaar lang niet praten over wat hij in Glodok had meegemaakt. Zelfs niet met Lou de Jong, de officiële geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog. Anderen die Glodok overleefden, deden dat wel. Maar hun verhaal ondervond weinig weerklank, omdat er zo weinig informatie was. De Jong meldde in deel 11b van zijn standaardwerk dat in Glodok 80 van de 350 geïnterneerden stierven. In de Tjipinanggevangenis, waar de zieken werden geïnterneerd, was het sterftepercentage aanzienlijk hoger: 300 van 700 overleefden het verblijf in de cel niet. 'Wij kennen sommige verliezen waartoe de detenties hebben geleid, maar hebben er geen enkel verslag over. (...) Wij veronderstellen dat velen zijn verhongerd', stelde De Jong.

De weigering deel te nemen aan de strijd van de Japanners en het verblijf in de Glodokgevangenis werd in de jaren tachtig ook niet gezien als een daad van verzet. De commissie die moest beoordelen wie er recht had op het Verzetsherdenkingskruis, wees verzoeken van voormalige Glodok-gedetineerden af.

Nu 88 jaar oud vertelt Ted Plas alsnog zijn verhaal, omdat het niet verloren mag gaan, vinden zijn vrouw en twee kinderen. Hij woont sinds zijn pensionering in 1977 als kapitein-luitenant-ter-zee bij de marine in een gerenoveerde renteniersbehuizing in Beerta, in het oosten van Groningen. Hij is nog gezond. 'Behalve PHPD: Pijntje Hier, Pijntje Daar', zegt hij. Hij is ondanks de traumatische oorlogservaringen een levenslustige, optimistische en vaak grappige man. Hij vertelt met enige ironie over de verschrikkingen die hij in Glodok heeft meegemaakt. Hij koestert geen haat, noch tegenover de Japanners, noch tegenover de Indonesiërs die zich voor hun karretje lieten spannen. Hij wil vooral niet het zielige slachtoffer uithangen.

Foto van Ted Plas uit 1946.

Stotteren

Ted Plas werd in 1927 geboren in het plaatsje Loewoek aan de oostkust van Celebes (het huidige Sulawesi). Bij de burgerlijke stand kreeg hij het nummer 1, omdat hij de eerste Nederlander was die daar bij de burgerlijke stand werd aangegeven. Zijn vader was officier bij het KNIL en overleed in 1930 in Bandung. Het gezin Plas had nog een jongere broer en zus ging terug naar Den Haag. Zijn moeder verwierf een agentschap van de verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845. Plas ging er naar de lagere school: 'Ik was de kleinste, maar had het meeste lef. Meisjes waren ook gek op mij. Ik weet dat een meisje zei dat ze graag mijn vriendin wilde worden en dat ik zei: 'Ik ga niet met een meisje dat ruikt naar mijn achternaam.' Zelf was hij ook niet zo schoon, erkent hij nu. Hij zwom vaak in Het Kanaal, dat Den Haag met Scheveningen verbond en dat diende om het stinkende water van de grachten af te voeren.

Toen Ted Plas 6 jaar oud was, reed er een wagen door de straat die tot zijn verbazing niet door een paard werd getrokken: het was een auto. Hij rende er achteraan, struikelde en viel. Hij werd bewusteloos afgevoerd en lag lang in het ziekenhuis. Na een paar maanden kon hij weer naar huis. Zijn hersenen waren zo beschadigd dat hij stotterde.

In december 1939 hertrouwde zijn moeder met een Nederlander die werkte als hoofd werktuigkundige bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij die goederen en mensen vervoerde tussen de eilanden van de koloniale archipel. Ze keerden terug naar Nederlands-Indië en vestigden zich in een woning in een buitenwijk van Batavia. De achtertuin grensde aan de rivier Tjiliwoeng. 'We maakten een bootje dat omsloeg zodra ik erin sprong. Daarom zwom ik vaak in de rivier. Die was nog viezer dan het water van de Suezkade in Den Haag. De bevolking van Batavia deed er massaal zijn behoefte in en er dreven ook dierenkadavers en mensenlijken in. Daar tussen wasten de mensen hun kleding en gebruikten ze het water om soep en rijst in te koken.'

Plas ging naar de Koning Willem III-HBS, een multiculturele school met Nederlandse, Chinese en Indonesische leerlingen, en werd lid van de padvinderij, waar hij oosters leerde koken. Terwijl Nederland al was bezet door de Duitsers, heerste in Indië nog de tempo doeloe: het goede oude Indische leven. Tot Karel Doorman in de Slag in de Javazee werd verslagen. In de nacht van 11 op 12 maart 1942 reden er ineens Japanners op de fiets Batavia in.

Trauma

Plas' stiefvader werd als Nederlander (een totok) al snel geïnterneerd en zou de verschrikkingen van de bezetting ervaren. Plas: 'Hij werd als hoofd aangesteld van een eenheid van honderd krijgsgevangenen die gezonken schepen uit het water moesten halen. Toen een aantal weigerde, werden er twaalf uitgekozen die op hun knieën moesten gaan zitten. Met een samoeraizwaard werden hun hoofden eraf gemaaid. Mijn stiefvader is dat trauma nooit meer te boven gekomen.'

Van de 300 duizend Nederlanders die bij de Japanse aanval in Nederlands-Indië waren, werden de 200 duizend met gemengd bloed (indo's) vooralsnog vrijgesteld van internering, behalve als het hoge militairen of ambtenaren betrof. Aanvankelijk gebeurde die selectie op het oog, later moest iedereen een 'pendaftaran' (persoonsbewijs) hebben. Maar in de loop van de tijd veranderde dat. Ook de Indo-Nederlanders moesten hun banen afstaan aan Indonesiërs. Ze werden in de loop van 1943 steeds meer onder druk gezet zich solidair te verklaren met het Japanse Keizerrijk.

Plas' moeder was een intelligente vrouw die zich op de achtergrond hield en daardoor lang aan de aandacht van de beruchte Kempeitai (de Japanse Gestapo) wist te ontsnappen. Maar in september 1944 ging het alsnog mis. De Japanse bezetters, die aan de verliezende hand waren, probeerden de Indische Nederlanders voor hun zaak te winnen. Bij Piet Hein van den Eeckhout, een voormalig muiter van Hr. Ms. De Zeven Provinciën, vonden ze gehoor. Hij richtte de PAGI-groep (Persaudaraän Asia Golongan Indonesia) op die 'banzai banzai' roepend (wat zoiets betekende als 'lang leve de keizer') de wapens wilde opnemen voor Nippon (Japan) en tegen de geallieerden, 'al zou dat inhouden: het offer des bloeds en het verliezen van het eigen leven'. Ze riepen de Indische Nederlanders op 11 september 1944 in een krantenadvertentie op zich te laten registreren voor de strijd. Slechts weinigen meldden zich.

Op 17 september werd daarom een razzia gehouden. Om vier uur 's morgens werden Ted Plas en zijn een jaar jongere broer Otto van hun bed gelicht en meegenomen door een Japanner van de Kempetai en enkele politiefunctionarissen van de PID (het politiekorps van de Indonesische nationalisten). 'Iedereen die niet voor ons is, is tegen ons', was de verklaring. Na een week in de politiecel te hebben gezeten, kwamen ze in Glodok terecht, één van de vier gevangenissen van Batavia.

Linker zijkant van de Glodok-gevangenis waarop de keuken en een wachtpost zichtbaar zijn. Beeld René Hermans

Stokstijf stil staan

De gevangenis was al in de tijd van Jan Pieterszoon Coen gebouwd in een van de onaangenaamste wijken van de stad vlak naast moerassen met miljarden muggen. De cellen binnen de 6meter hoge muren waren kaal. Er waren geen kussens, matjes of muskietennetten. In iedere cel, bestemd voor twee personen, werden vier en soms vijf mannen opeengeperst. Iedereen moest slapen op harde houten banken, waarbij sommige gevangenen bij gebrek aan ruimte alleen op hun zij konden liggen. Het eten werd gedistribueerd door inlandse dieven, moordenaars en rampokkers die vaak onder de luizen en vlooien zaten en de beste porties voor zichzelf hielden. De gevangenen werkten in de verzengende hitte: als touwdraaiers, mattenvlechters of in de tuin. Geen zwaar werk, maar door de ondervoeding moeilijk vol te houden. Het enige eten bestond uit twee keer per dag wat rijst en stijfselpap van aardappelmeel dat 'ongol ongol' werd genoemd. De enige groente was een soep van de vitamine-arme 'kangkung', Indonesische waterspinazie.

Om zeven uur 's morgens was het appèl, waarbij de gevangenen zich in de volgorde van de kamers moesten opstellen en met het gezicht in de richting van Japan 'Nippon Banzai' (Eer aan de Keizer) moesten roepen. Sommigen probeerden daar 'Nippon Bangat' van te maken, wat in het Indonesisch iets betekende als 'Nippon Schurk', maar dat kon niet te hard, want de bewakers waren Indonesiërs. Vervolgens dwongen de bewakers de gevangenen elke ochtend te exerceren yotskit (geef acht), yasme (op de plaats rust) en bakaré (ingerukt mars) en moesten ze gymnastiekoefeningen doen waarbij hardop van één tot acht moest worden meegeteld: iet, ni, san, si, go, rok, sie, hat. Straffen bestonden uit stokslagen en soms moesten gevangenen stokstijf stil staan, recht in de zon kijken en met gestrekte armen een maiskolf vasthouden. Wie met de ogen knipperde of de armen liet zakken, kreeg slaag.

Plas' broer Otto simuleerde te ziek te zijn om te werken en werd opgenomen in de ziekenboeg waar hij de rest van de gevangenistijd zou blijven. Nadeel was dat hij daar nog minder eten kreeg (diarreepatiënten kregen alleen thee) en geheel afhankelijk was van wat medegevangenen hem gaven. Daarnaast was de kans op het oplopen van cholera, tyfus en dysenterie in de ziekenboeg aanzienlijk groter. Wie echt wat opliep, werd naar de Tjipinang-gevangenis overgebracht de voorbode van een zekere dood. Maar ook in Glodok stierven gevangenen in de ziekenboeg. Plas: 'In dat geval werden de tenen van het lijk samengebonden met een touwtje waaraan een kaartje hing met de naam erop. Het lijk werd weggedragen en de andere patiënten moesten groeten. De Japanners stonden op die vorm van beleefdheid.'

De hoofdcipier was de goeiige Brits-Indiër Bahadar Singh. Hij moest echter de bevelen van de Japanners strikt naleven en had weinig controle over de sadistische Indonesische bewakers. Plas was ingedeeld in de touwslagerij waar gevangenen van hennep touw moesten zien te vlechten.

Daarnaast moest hij dus eenmaal per week het 'open' riool schoon houden, een klusje van een half uur per keer. In het water trok hij zijn korte broek uit en duwde al zwemmend de massa uitwerpselen en andere smerigheid onder de muur door naar buiten. 'Het kostte mij geweldig veel inspanning. Soms had ik helemaal geen lucht meer of raakte ik bijna bedwelmd door de enorme stank van de derrie.'

Vissen

Er zat ook een voordeel aan het smerige werk. Aan de andere kant van de muur was een vijver, en de troep die Plas erin duwde, trok vissen aan. Die waren zo traag dat hij ze met zijn broek kon vangen. Hij stopte ze vervolgens in zijn mond en slikte ze, als een reiger, met kop en staart door. Plas: 'Ik moest uitkijken voor de bewakers. Wat ik deed, kon mij mijn leven kosten.' Terug in de gevangenis stonk Ted zo dat niemand naast hem wilde zitten.

Plas werd handiger in het werk en ook in het vangen van de vissen. Hij wist ze te verbergen in zijn broek en mee te smokkelen door de poort, waarna hij ze aan medegevangenen gaf, onder wie zijn zieke broer. Plas: 'De wachten fouilleerden mij niet omdat ik zo vreselijk stonk.'

De vis die hij naar binnen smokkelde trok bovendien katten aan. Soms kon Plas de katten doden en naar zijn cel smokkelen, waar iedereen zich tegoed deed aan een hapje kat. Van zo'n kat bleef niets over. Plas: 'Er was ook een officiële gevangeniskat. Die trof hetzelfde lot. De gevangeniscommandant was razend dat zijn kat was verdwenen, maar een zoektocht leverde niets op. Het enige wat opviel was dat wel erg veel gevangenen een ellepijpje hadden waarmee ze van bananenbladeren gemaakte surrogaattabak rookten. Dat die allemaal van een kat afkomstig waren, ontdekten ze niet.'

Scharminkels

In de zomer van 1945 merkten de gevangenen in Glodok dat de kansen keerden. De gevangeniscommandant werd vriendelijker, de omstandigheden verbeterden. De gevangenen mochten naar huis schrijven, ook al waren velen daarvoor te verzwakt. Op het binnenplein mocht ineens 's avonds worden gezongen; iemand had een bas gefabriceerd van een theekist met een lange steel.

Op 27 augustus, drie weken na de atoombom op Japan, ging de gevangenispoort open. De gevangenen vrijwel allemaal scharminkels die soms nog maar 30 kilo wogen kregen een lapje ongebleekt katoen (kain bladjoe geheten) waarmee ze hun naakte vel-over-beenlijven konden bedekken. Maar buiten stonden nu de aanhangers van Soekarno te wachten die hun eigen redenen hadden om met de (Indische) Nederlanders af te rekenen. De eerste gevangen die de deur uitliepen, kregen opnieuw klappen. Een van hen werd voor Plas' ogen vermoord. Plas: 'Zijn schreeuw hoor ik nog. Ik trok mij meteen terug in het donkerste hoekje van de gevangenis, waar niemand mij zou zien. Ik ben pas veel later stiekem ervandoor gaan.' Hij stotterde niet meer.

Plas liet zijn jongere broer achter bij zijn moeder en zus en ging per fiets opzoek naar zijn familie in Bogor en Bandung. Zijn oma, twee ooms, en drie tantes en de twee nichtjes die Ted voor de oorlog zo lief vonden, bleken allemaal dood te zijn. Ze waren vermoedelijk vermoord door de Pemoedas, een nationalistische jeugdorganisatie. De familiebezittingen, zoals de thee- en rubberplantages van Parungkuda, bleken door de lokale bevolking geconfisqueerd. Toen Plas weer in Batavia kwam, waren zijn moeder, broer en zusje er niet meer.

Hij probeerde in veiligheid te komen door in de haven van Batavia een boot te zoeken. Plas: 'Ik zag een schip liggen met een rood-wit-blauwe vlag. Het was het m.s. Ophir, één van de boten van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij. Ik strompelde de loopplank op. Een grote blonde kerel hield mij tegen. 'Wat mot je hier?', vroeg hij. Ik zei: 'Mijnheer, ik zoek werk, alstublieft.' Hij antwoordde: 'Donder op, scharminkel, je kan niet eens op je poten staan. Na een tijdje smeken, ging de man overstag. 'Meld je bij de djoero moedi (de bootsman).' Ik werd aangenomen als matroos en heb tot mei 1946 gevaren. Het was gek, ik moest onder een Indonesiër werken, terwijl ik thuis gewend was bevelen te geven aan het Indische personeel.'

Maandenlang voer Plas over de Aziatische zeeën. In Singapore begon hij een studie algebra- en meetkunde. Uiteindelijk belandde hij in de haven van Madras in Brits-Indië. Hier kreeg hij het bericht dat de rest van zijn familie in Nederland was.

Met het Belgische vrachtschip Empire Castle reisde hij naar België. In oktober 1946 kon Ted Plas zich herenigen met zijn familie in Den Haag. Plas maakte de hbs in Den Haag af en werd daarna opgeroepen voor de dienstplicht. Hij koos voor de marine, werd in 1950 adelborst in Den Helder en diende de rest van zijn leven bij de marine; hij zat drie jaar in Nieuw-Guinea. In 1977 ging hij als kapitein-luitenant-ter-zee met pensioen en verhuisde met zijn in Den Haag opgegroeide vrouw en zoon van Den Helder naar Beerta. Zijn dochter studeerde al in Den Haag.

Ted Plas. Beeld Harry Cock
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.