De grote waarde van een 'sputterend' motortje

Morgen wordt de Ronde van Vlaanderen gehouden. Na het vorige weekeinde wordt er door de overwinningen van Steven de Jong en Michael Boogerd veel van de Nederlanders verwacht....

'Ik ben een man voor koersen van deze lengte', zei Raborenner Steven de Jongh vorige zaterdag na zijn overwinning in de E3-prijs (209 kilometer). Die wedstrijd staat ook wel te boek als de kleine Ronde van Vlaanderen. De grote (255 kilometer) die morgen wordt verreden is voor De Jongh 'een beetje te lang'.

Stevige benen heeft De Jongh, met ballonkuiten die zo eigen zijn aan sprinters. Hij is niet al te groot van stuk zoals vrijwel alle renners. Onttrokken aan het oog is de zogeheten 'te kleine motor'. Die zit van binnen.

Van renners die wél koersen aankunnen van 200 kilometer maar tekortschieten voor een van 260 kilometer wordt door veel volgers gezegd dat ze een 'te kleine motor' hebben. Dit oordeel wordt doorgaans mompelend, want onwrikbaar gegeven, geveld.

Soms wordt het oordeel eerder uitgekotst dan uitgesproken. De kleine motor is dan reden tot dédain. Vaak zijn dit wielervolgers wier innerlijk, althans dat deel vlak boven de broekriem, doet vermoeden dat ze zelf over een hele voorraad motors beschikken.

Meer dan de helft van de 200 deelnemers aan de Ronde van Vlaanderen heeft een te kleine motor. Als de finale zo ongeveer aanbreekt (Foreest, dertiende van de negentien hellingen, op kilometer 211) zit er hoegenaamd niks meer in de tank.

Hoe goed hij ook in vorm is (donderdag won hij nog een etappe in de Driedaagse van de Panne), het is niet erg waarschijnlijk dat Steven de Jongh morgen nog prominent in beeld is bij de Leberg (vijftiende helling, op kilometer 220). Niettemin kan hij dan al van vitale waarde zijn geweest voor kopmannen Oscar Freire en Michael Boogerd. Als het goed is hebben die twee dan nog brandstof genoeg, mede dankzij dat sputterende motortje van De Jongh.

'Om in de finale van een wereldbekerwedstrijd nog hard te kunnen rijden moet je in de fase daarvoor suikers sparen', zegt inspanningsfysioloog Adrie van Diemen, werkzaam bij het zogeheten Trade Team III van Rabo (amateurs). 'Als je een zogeheten grotere motor hebt heb je voor de finale vooral je vetten gebruikt als brandstof en de suikers zo veel mogelijk gespaard.'

Hoe beter de wielrenner getraind, vooral op duurvermogen, hoe meer hij vetten zal verbranden. De suikervoorraad wordt gaande een koers nog bijgevuld met voeding maar op enig moment maakt het lichaam de suikers niet meer aan. Zij die een 'grote motor' hebben beschikken in de finale nog over een voorraadje. 'De crux is dat je na 240 kilometer nog iets van je vermogen kunt aanspreken.'

Het interessante aan de wielersport in vergelijking tot veel andere duursporten is de tactische component in dit brandstof-verhaal, zegt Van Diemen. 'Bij een marathon zie je vaak in een redelijk vroege fase een kopgroep ontstaan en de rest ziet die groep nooit meer terug. De winnaar komt uit die groep. Bij wielrennen gebeurt dat maar zelden. Daar heb je de knechten om die kopgroep terug te halen.'

Renners als Steven de Jongh, Jan Boven, Robert Hunter, Marc Wauters en Karsten Kroon in de Rabo-ploeg van morgen. Zij worden geacht ofwel zelf in een vroegtijdige ontsnapping mee te zijn ofwel een kopgroep terug te halen. Zij worden in ieder geval geacht voor de finale fase van de koers veel meer energie aan te spreken dan de kopmannen Oscar Freire en Michael Boogerd.

Thorwald Veneberg, Rabo-knecht en afgestudeerd in bewegingswetenschappen, is praktisch én theorethisch deskundig. En in het bezit van 'de kleine motor'. Hij zegt: 'In Vlaanderen gaat het er niet om op tot de Muur van Geraardsbergen te komen (op kilometer 239), dat lukt me ook nog wel, maar om bij die Muur te komen en dan nog zoveel energievoorraad over te hebben dat je hem ook nog hard op kunt rijden.'

Veneberg rijdt mogen niet in Vlaanderen, hij rijdt vandaag in Spanje de Grote Prijs Indurain. 'Van een knecht wordt verwacht achter ontsnappingen aan te springen, de kopmannen steeds uit de wind te houden. Dat kost energie. Je werk bestaat eruit ervoor te zorgen dat de kopmannen zuinig kunnen rijden.'

De hardheid van een koers speelt ook een rol in het motorverbruik. In Milaan-San Remo (bijna 300 kilometer) is het peloton tot vijftig kilometer voor de finish nog vrijwel intact omdat er pas écht wordt gereden als de zee in zicht is. Veneberg: 'Als knecht met een kleine motor kom je ook wel eens in de verleiding om niet achter iedere ontsnapping aan te springen. Om energie te sparen. Je wil er ook wel eens in de finale bij zijn.'

Veneberg wijst er op dat de 'energiediscussie' ook een genetisch element bevat. 'Het type spiervezels is van belang.' Zogeheten 'langzame' spiervezels zijn goed voor het duurvermogen. 'Steven de Jongh heeft juist spiervezels die hem in staat stellen een heel hoog vermogen te draaien maar voor een relatief korte tijd.'

Je wordt niet zomaar sprinter (als De Jongh), geschikt voor wedstrijden rond de 200 kilometer, wil Veneberg zeggen. Zoals het ook een feit is dat veel renners aan motorinhoud winnen naarmate ze ouder worden. 'Het is geen toeval dat dertig-plussers de klassiekers winnen. Iemand als Zabel was vroeger sprinter, is later enorm veel aan duurtrainingen gaan doen en is nu een topper in de klassiekers.'

Van Diemen wijst nog op de 'aparte gevallen'. Als Oscar Freire. Die is 'pas' 27, is absoluut geen duurtrainingen-fanaat, kent Vlaanderen amper maar zou zijns inziens morgen wel eens kunnen winnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden