De Grote Verhalenmachine

De Grote Oorlog van 1914-1918 was óók de aanjager van een nieuw soort proza en poëzie. Van de War Poets tot Im Westen nichts Neues: hoe met oude idealen werd afgerekend.

In de prachtige zomer van 1914 hield Siegfried Sassoon (27) zich onledig met de jacht op de vos en het cricketspel. Robert Graves (19) was aan het klimmen in de bergen van Noord-Wales, Edmund Blunden (17) maakte wandelingen rond Oxford en Wilfred Owen (21) gaf Engelse les aan de kinderen van een gezin in de buurt van Bordeaux.


Het was een bijzondere zomer. De hel die op losbarsten stond, maakte hem later in de herinnering tot een idyllische droom, tot misschien wel de laatste pastorale zomer van de mensheid. De rust en vertrouwdheid van het bestaande mengde zich met optimisme, een heilig vooruitgangsgeloof - niemand die de komende zegeningen van de techniek in twijfel trok. 'Het woord machine', schrijft Paul Fussell in The Great War and Modern Memory, 'was nog niet gekoppeld aan geweer.'


Dat zou snel veranderen. Zoals alles snel zou veranderen nadat in Sarajevo aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote waren omgebracht: de werkelijkheid, de waarheid, de verhalen over de werkelijkheid en waarheid en de de taal waarin die verhalen werden verteld.


De Eerste Wereldoorlog is de oorlog van de eindeloze stroom verhalen, van de honderdduizenden gedichten - alleen in Engeland verschenen tijdens de oorlog meer dan 2.200 dichters in druk. Poëzie werd een massamedium. Bij The Times kwamen honderd gedichten per dag binnen van 'Trench Poets', poëziebundels kwamen in zulke hoeveelheden op de markt dat kranten ze alleen nog maar groepsgewijs konden recenseren, de beroemdste loopgravenkrant, The Wipers Times, had het over een 'hurricane of poetry' en smeekte de soldaat-schrijvers alsjeblieft over te stappen op proza.


'I'm sick of this damn war', zegt Lord Flashheart uit Blackadder, aan het front van de Eerste Wereldoorlog, 'het bloed, het lawaai, de eindeloze poëzie.'


Maar in de modder en de kou van de loopgraven was het nu eenmaal gemakkelijker een gedicht neer te pennen dan een roman in de steigers te zetten. Bovendien zaten de loopgraven vol met jonge soldaten die nog maar net van de scholen af waren waar hun de kracht van de literatuur en de poëzie was onderwezen. Niet alleen de kostschooljongens dichtten erop los, maar ook de arbeiderszonen die op de Workmen's Institutes aan hun eigen verheffing hadden gewerkt namen de pen ter hand. Er waren, zeker in Engeland, meer lezers én meer schrijvers dan ooit.


Aan het front vond je geen bioscopen, radio en tv bestonden nog niet. Amusement bestond uit seks, drank en literatuur. De eerste vorm was niet tot nauwelijks beschikbaar, de tweede in beperkte mate, de laatste in overvloed. Met name de Engelse kant van het front kende een zeer goed postsysteem. Niet alleen leverden banketbakkers hun waren aan de cliëntèle in de loopgraven, de Londense boekhandels verzonden als verre voorzaten van Amazon.com dagelijks ladingen boeken naar de loopgraven: er zaten achthonderd Engelse bataljons van gemiddeld duizend man te snakken naar afleiding en de vergetelheid van het boek.


De oorlog was begonnen als een verhaal, als een jongensboek. Een sportieve uitdaging was het, soms letterlijk. Op diverse plekken schoten commandanten voetballen het niemandsland in, waarna hun manschappen werd gemaand dribbelend en passend de vijandelijke linies te bereiken en daar korte metten te maken met de Hunnen. Al snel bleek dat de Britse sporting spirit werd onthaald op een regen van kogels: onsportief maar effectief. Het verhaal van de oorlog klopte niet.


Overigens werd ook in de Duitse stellingen, meestal veel luxer dan de Engelse en soms zelfs voorzien van deurbellen, douchegelegenheid, vloerbedekking en behang, duchtig gelezen. Gemiddeld duurde het na aankomst zes weken voor een infanterist aan het front de dood vond, tijd die moest worden overbrugd.


De werkelijkheid was zo schokkend, zo volkomen anders dan iemand ook maar in zijn zwartste voorstellingen had kunnen bedenken, zo absurd en grotesk, dat ze met de oude verhalen en poëzie niet meer viel te bezweren en ordenen. Voor het eerst was oorlog veranderd in een systeem dat was gericht op de massale vernietiging van het individu. Vermoedelijk was het die kracht die, als een soort laatste verdedigingslinie van de humaniteit, de poëzie- en verhalenmachine aan het draaien zette. 'My subject is War, and the pity of War. The Poetry is in the pity', schreef Wilfred Owen, misschien wel de grootste van de War Poets.


Zeker na de Slag aan de Somme, die begon op 1 juli 1916 en die uitgroeide tot de grootste veldslag uit de historie van de mensheid, veranderde alles. In november was na maanden van nutteloze gevechten H.G. Wells' illusie dat 'deze oorlog een eind zal maken aan alle oorlogen' gesneuveld, samen met meer dan een miljoen soldaten. 'De oorlog had gewonnen, en zou doorgaan met winnen', schreef Edmund Blunden.


'Idealisme sneuvelde aan de Somme', schreef de historicus A.J.P. Taylor, 'patriottisme veranderde in cynisme en woede.' In het begin van 1915 verschenen de oorlogssonnetten van Rupert Brooke, 1914 and Other Poems. Brooke wordt gezien als de eerste van de grote oorlogsdichters en tevens de eerste dichter-martelaar: drie weken na verschijning was hij dood. Overigens zonder het front (aan de Dardanellen) ooit te hebben gezien. Voor hij zich in de gevechten kon storten, overleed hij aan een geïnfecteerde muggenbeet op het Griekse eiland Skyros.


Niet toevallig mist zijn poëzie het cynisme en gruwelijke van de gedichten van Owen, Blunden, Graves en Sassoon, die de waanzin wel van dichtbij in de ogen hadden gekeken. Het thuispubliek wilde die werkelijkheid liefst zo lang mogelijk negeren, en ook de auoriteiten zaten er niet op te wachten dat de waarheid zou doordringen. Brookes bundel beleefde gedurende de gehele oorlog gemiddeld om de acht weken een herdruk en bleef ook na 1918 gewild. De beginregels van Brookes The Soldier zijn nog altijd beroemd, de pathetiek ervan werd pas duidelijk toen de échte waarheid over de Eerste Wereldoorlog begon door te dringen:


If I should die, think only this of me:


That there's some corner of a foreign field


That is for ever England. There shall be


In that rich earth a richer dust concealed;


A dust whom England bore, shaped, made aware.


Met de naar schatting negen miljoen doden van de Grote Oorlog stierven ook de illusies en de mythen van de tijd ervoor. De kanonnen, zou je verwachten, moeten een ontnuchterende en demythologiserende invloed hebben gehad. Maar in de literatuur, constateert de Oxfordse literatuurwetenschapper Bernard Bergonzi, was er juist een tegenovergestelde beweging, in de richting van de mythe, 'een terugkeer naar het mystieke, het heilige, het profetische, het sacramentale en universeel betekenisvolle. Kortweg, naar de fictie.'


Kennelijk was de werkelijkheid te ondraaglijk om het aan de werkelijkheid over te laten zichzelf te vertellen.


Bovendien: wat wás die werkelijkheid? Wat was waar? De Franse historicus Marc Bloch, die zelf vier jaar doorbracht in de loopgraven van het Westelijke Front, schreef dat de overheersende overtuiging onder de soldaten was dat alles waar kon zijn, behalve wat door de officiële instanties als de waarheid werd gebracht en gedrukt. Scepsis vormde de borstwering voor de geest, en in een periode van razendsnelle modernisering van communicatiemiddelen beleefde de orale traditie een wedergeboorte als enig betrouwbare bron van waarheid en moeder van mythes en legendes.


Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand werd getekend, vielen de meeste oorlogsdichters stil. Met de kanonnen zwegen ook de stemmen die de menselijkheid hadden proberen te waarborgen. Ook de lezersmarkt droogde op. Op het vasteland van Europa ontstond de dadaïstische poëzie, die benadrukte dat taal door de Grote Oorlog de taal van de leugens en de misleiding was geworden en dat er daarom een nieuwe taal gevonden moest worden: dada! Een nauwe geestverwant van die kunstvorm was de Franse dichter Guillaume Apollinaire, die in de loopgraven had gewerkt aan zijn bundel Calligrammes.


De oorlogsgedichten lezen vaak als impressionistische minireportages uit de hel, neergepend in de modder en te midden van rondvliegend staal - vooral Wilfred Owen was er een meester in. Het proza waarin auteurs/ooggetuigen van een afstandje terugkeken op de gruwelen verscheen na de wapenstilstand - het al in 1916 verschenen Le Feu waarmee Henri Barbusse midden in de oorlog de Prix Goncourt won was een uitzondering. De Franse frontarts Georges Duhamel publiceerde nog in 1918 Civilisations 1914-1917, een jaar later verscheen Les croix de bois van Roland Dorgelès. In Duitsland verheerlijkte Ernst Jünger twee jaar na de wapenstilstand de oorlog in In Stahlgewittern, in Tsjechië verscheen in 1923 Haseks De lotgevallen van de brave soldaat Svejk, nog altijd een satirisch hoogtepunt.


Maar het zou nog een aantal jaren duren voor de Grote Oorlog op grote schaal in romans werd vastgelegd. Kennelijk hadden veel auteurs tijd nodig om zich te realiseren uit welke nachtmerrie ze waren ontwaakt en hoe ze hun ervaringen in verhaalvorm moesten gieten. Zo'n tien jaar na de wapenstilstand, toen veel uitgevers al meenden dat de Eerste Wereldoorlog als romanonderwerp passé was, kwam er onverwacht een lawine van oorlogsromans op gang. Dat was vooral te danken aan één boek: in januari 1929 verscheen Im Westen nichts Neues, van Erich Maria Remarque. Voor de zomer van 1930 voorbij was waren er 2,5 miljoen exemplaren verkocht - dergelijke spectaculaire verkoopcijfers waren sinds de uitvinding van de boekdrukkunst niet eerder vertoond.


In Engeland inspireerde Remarques succes, en vooral het financiële aspect daarvan, Robert Graves. Die wilde weg bij zijn vrouw en vier kinderen, vond Engeland onverdraaglijk en wilde met zijn vriendin naar het buitenland. Maar daar was geld voor nodig. In elf weken schreef hij het schitterende Good-Bye to All That, dat verscheen in november 1929. Het succes van dat boek stelde hem inderdaad in staat alimentatie te betalen en te emigreren naar Majorca. Good-Bye to All That, in Nederland vertaald als Dat hebben we gehad, is vaak sarcastisch, soms hilarisch; je hoort Blackadder al aankomen.


Siegfried Sassoon (Memoirs of a Fox-Hunting Man, Memoirs of an Infantry Officer), Edmund Blunden (Undertones of War), Ludwig Renn (Krieg), Ernest Hemingway (A Farewell to Arms), Louis-Ferdinand Céline (Voyage au bout de la nuit), Frederic Manning (Her Privates We), Richard Aldington (Death of a Hero): de tussen 1929 en 1932 verschenen hausse aan oorlogsromans en -memoires bepaalde het beeld dat we nu nog altijd hebben van de Great War: dat van de stalen waanzin, de psychopaten die het tot generaal hadden geschopt en het waardeloos verklaarde mensenleven.


De Grote Verhalenmachine draait nog altijd. De lyrische kracht van de Grote Oorlog, gevoed door het even onbegrijpelijke als fascinerende van de slachting en de totale achteloosheid waarmee miljoenen jonge mannen werden opgeofferd, was en bleef een inspiratiebron voor generaties schrijvers, ook honderd jaar later nog.


De wereld van 1919 was een bleke schim van die van 1914. Er waren geen pastorale zomers meer, woorden hadden hun betekenis verloren, oude waarheden bleken leugens. Dat had grote invloed op de literatuur van de 20ste eeuw. Hoe kon je na de Grote Desillusie het menselijk streven anders bekijken dan met ironie, sarcasme, cynisme?


Wilfred Owen had, voor hij één week voor de wapenstilstand sneuvelde, afgerekend met Rupert Brooke en de oude wereld: 'The old Lie: Dulce et decorum est/ Pro patria mori.' Het zoete sterven voor het vaderland: het mocht wat. Voor even wist de mens wel beter. Want het zou niet zo heel lang duren voor Im Westen nichts Neues door de nazi's werd verboden en de voorbereidingen op een nieuwe slachtpartij een aanvang zouden nemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden