De grote ego's van de Tory's JOHN RAMSDEN BESCHRIJFT TWEE EEUWEN HISTORIE VAN DE BRITSE CONSERVATIEVE PARTIJ

DE BRITSE Conservatieven zijn er beroerd aan toe sinds de smadelijke verkiezingsnederlaag van 1997. Maar ze zijn in de vorige en ook in deze eeuw uit diepe dalen teruggekomen....

Met dit opbeurende betoog besluit de Londense historicus John Ramsden een doorwrocht en hoogwaardig overzicht van de geschiedenis van de Tory's sinds de vroege jaren dertig van de vorige eeuw. Toen kwam de partij voor de opgave te staan een eerlijker en voor hen ongemakkelijker stelsel van kiesdictricten en een uitbreiding van het

kiesrecht (in 1832) te overleven.

Ramsden leidt de geschiedenisfaculteit van de Universiteit van Londen. Hij geldt als dé autoriteit op het gebied van het Tory-verleden. In mei 1997 had de partij zo'n slechte naam dat zelfs de trouwste partijgangers niet hardop durfden te zeggen dat ze toch weer op John Major zouden stemmen. Daarna zijn de Tory's vooral in de

belangstelling van beschouwers en historici komen te staan, zoals in Nederland het CDA sinds de duikeling van 1994.

Eerder verscheen het striemende The Tories van Alan Clark, ex-minister van Margaret Thatcher, die alle gevechten om de macht en het verraad aan de principes van zijn partij uitbeende. Ramsden's An Appetite for Power is in veel opzichten daarvan een tegenhanger. Waar

Clark subjectieve micro-geschiedenis (beginnend in 1922) schreef, brengt Ramsden milde en sterk sociologische macro-historie van bijna twee eeuwen. Clark is leuker en toegankelijker; Ramsden laat zijn lezers harder werken, maar beloont dat ook: een monumentaal boek.

Wellington, de held van Waterloo, werd in 1828 premier. Na zijn eerste ministerraad was hij verbaasd: 'Ik gaf hen bevelen, maar ze wilden erover discussiëren.' De Tory's waren toen al flink verdeeld, terwijl ze wat later in de oppositie weinig konden doen tegen een kiesrechthervorming die veel onbestreden zetels van landeigenaren ophief.

Toch kwamen ze geleidelijk uit dat dal, maar in de jaren veertig brak

de partij finaal, toen minister-president Robert Peel onverwacht de graanwetten - zeer voordelig voor landbezitters - afschafte. Peel's gedrag geldt sindsdien als het klassieke voorbeeld van verraad en gebrek aan loyaliteit. Dat laatste is een van de dierbaarste deugden onder de Tory's. 'Damn your principles, stick to your party' werd een

gevleugeld woord van premier Benjamin Disraeli.

Ramsden laat zien dat Peel toch veel historisch gelijk aan zijn zijde

had. De Conservatieven konden in de tijd van koningin Victoria alleen

overleven, als ze de sterk opkomende handelskringen van de Whigs aftroggelden: de door Wellington nog zo verachte 'winkeliers'. Disraeli profiteerde van Peel's 'verraad', maar moest later toch zelf

de winkeliers gaan paaien. Ramsden portretteert deze uitzonderlijke figuur zeer fraai.

Hij toont tevens aan dat de Conservatieven zulke buitenbeentjes (ook Churchill en Thatcher) vaak een kans gaven, hoezeer ook met tegenzin.

Hun 'trek in macht' overwon hun natuurlijke sympathie voor de 'nice, decent chap' die minder succes en regeerkansen oogst. De 'grote ego's' deden het beter dan Eden, Home en Major.

Een boeiend deel van het boek beslaat de twintig jaar (na 1885) van Robert Salisbury en Arthur Balfour. Beiden behoorden tot de familie Cecil, die tijdens het bewind van koningin Elizabeth I al veel hoofdrollen bezette én uitdeelde. Neven en (schoon)zonen werden gemakkelijk in Salisbury's kabinetten opgenomen.

Balfour ging er na het vertrek van de pater familias (1902) mee door.

Met vijf Cecils in het kabinet werd wederom van 'Hotel Cecil' gesproken, maar nu ontbrak de hand van de grote Salisbury zelf. Ramsden waardeert de lichtzinnige Balfour al even weinig als diens tijdgenoten deden; zij bezorgden begin 1906 de liberalen een recordwinst.

Ook op een andere manier waren de bordjes verhangen. De wijze waarop Salisbury en Joe Chamberlain in de hoogtijdagen van het imperialisme te werk gingen (vooral veroveringen met machinegeweren), was razend populair bij de lezers van de nieuwe sensatiepers. Zolang dat alles niet te veel kostte. Maar de (peperdure) Boerenoorlog brak de droom van een fier en onbekommerd Brits rijk. Zouden India en andere koloniën straks ook zo in opstand komen?

De Edwardians hadden het economisch toch al moeilijk. Ze moesten op maritiem vlak met Duitsland de wapenwedloop aangaan en werden op technologisch gebied door Duitsland en de VS overvleugeld. De definitieve neergang begon rond 1900 en betekende tevens een langdurige verzwakking van de Conservatieve Partij.

Ramsden heeft, anders dan Clark, grote waardering voor de simpele en gematigde Stanley Baldwin, die met onderbrekingen premier was in de jaren twintig en dertig. Hij wijst erop dat Tory-leiders met uitgesproken ideeën zelden geliefd waren in hun eigen partij. De aanhang had meer vertrouwen in tradities dan in intellectuele uitstapjes of ideologieën. De vroege Thatcher, die - afgezien van de Falkland-oorlog - voorzichtig was, kreeg meer krediet dan de latere scherp-rechtse ideologe.

Baldwin was geen doctrinaire leider, wel de eerste zeer goede mediapoliticus. Hij was een prettige pijproker, die niet verzuimde voor de microfoon een lucifer af te strijken. 'Hij dacht eerder in zinnen dan in alinea's', wat ook voor het filmnieuws beter was. Hij was eerlijk en bescheiden en kreeg veel vertrouwen, wat de partij tot

nieuwe hoogten bracht. Pas onder de veel drammeriger Neville Chamberlain ging het weer mis. Die was een binnenlandspecialist, maar

meende een alleskunner te zijn toen hij met Hitler te maken kreeg.

Ramsden oordeelt verrassend zuinig over Churchill, die direct na de oorlog als partijleider compleet faalde. Macmillan (rond 1960) noemt hij echter een van de grote leiders. Heath klungelde en Thatcher's ijdelheid deed veel kwaad. Thatcher maakte, aldus Ramsden, van een nationale partij een partij voor Zuidoost-Engeland. De al te middelmatige Major kon het Europaspook evenmin de baas.

De neergang van de Tory's van de laatste vijftien jaar is volgens Ramsden vooral een morele kwestie. Thatcher duldde op den duur slechts jaknikkers en was weinig loyaal tegenover gematigde partijgenoten die haar revolutie niet volledig steunden. Ze gingen stuk voor stuk voor de bijl. Aan het eind (1990) was Thatcher de enige minister, die ook aan het begin (1979) al regeerde. Ze was zo 'macho' dat ze vrouwelijke stemmers wegjoeg.

Onder Major waren het vooral de vele schandalen rond Conservatieve ministers en parlementariërs die op verder zedenverval wezen. Ramsden's optimisme over herstel van de Conservatieve partij is het enige speculatieve onderdeel van zijn prachtige boek.

Jan Joost Lindner

John Ramsden: An Appetite for Power - A History of the Conservative Party since 1830. HarperCollins, import Nilsson & Lamm; 562 pagina's; * 90,95. ISBN 0 00 255686 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden