De grenzen van pijn en genot

IN 'TANDEN', een van de verhalen in de bundel De fluwelen machine van Manon Uphoff, verlaat een jonge vrouw met kloppend hart het huis voor een bezoekje aan de tandarts....

Zij kwelt haar man, die haar adoreert, door hem te negeren en hem de toegang tot haar bed te ontzeggen. Ongegeneerd laat zij in zijn nabijheid winden, ze hoest hem in het gezicht en ze krabt zich tussen de benen. Maar het helpt niet. De man bewondert haar 'echtheid' en 'natuurlijkheid' en houdt almaar meer van haar.

Als de vrouw, na de vernederende behandeling bij de tandarts, troost zoekt in de armen van haar man, wijst hij haar af. Hij is inmiddels gehecht aan 'zijn eigen, ingetogen, teruggetrokken manier van genotzoeken'. Het brengt de vrouw op een idee. De volgende keer weigert ze bij de tandarts de verdoving. De man haalt zijn schouders op en verricht zijn klusje extra ruw. En de vrouw wentelt zich in de pijn. 'Witgele pijlen van venijn slaan door me heen en gunnen me minieme momenten van rust waarin ik op adem kan komen. Er wordt een boortje omgewisseld, gespoeld, een vulling ingezet. Dit gebeurt koel en zacht en ik vergeet de tijd. Als hij zegt dat hij voor deze keer klaar is, sta ik op met een bijna spijtig gevoel.' Na een tijdje gaat ze houden van haar onberekenbare beul, van 'de lijnen en groeven in zijn gezicht'. En met de verbeten liefde van haar echtgenoot heeft ze vrede.

In dit mooie verhaal, over het zoeken naar de grenzen van pijn en genot, zit alles wat het kleine oeuvre - twee verhalenbundels en een roman - van Manon Uphoff (1962) zo bijzonder maakt. De schrijfster laat snel en handig, in een paar glasheldere scènes, zien hoe het werkt bij deze drie mensen. Geleid door hun intuïtie geven ze elkaar exact waar ze naar hunkeren en creëren ze een evenwicht. Dat is Uphoffs thema: er bestaat geen emotie zonder zijn tegenvoeter. Geen voldoening zonder pijn, geen adempauze die niet vooraf wordt gegaan door ademloosheid.

Op dezelfde manier liet Uphoff in haar roman Gemis een pubermeisje 'ontsporen', een ontsporing die de 14-jarige Mara helpt iemand worden. De mooie gymnasiumleerlinge stort zich op een slome, met puisten bezaaide jongen, ver onder haar 'niveau'. Zij tart hem, geestelijk en fysiek, met haar superioriteit, tot hun beider voldoening. Pas in zulke spelletjes, blijkt Mara, opgroeiend in een onverschillig, lawaaiig huishouden vol egoïsten, in staat iets voor iemand te voelen. Door iets in scène te zetten, dwingt zij echtheid af. Zij zet een scherf in de rug van haar vriend, haar handtekening: kijk, hij is van haar, zij houdt van hem. Het zijn geen geobsedeerde griezels die ze beschrijft, maar gewone mensen met een eigenaardig, noem het pervers, trekje. Iedereen is zo iemand. Geen verklaringen, geen gepsychologiseer. De parallel tussen het platonische huwelijk en de heftige, kortstondige band in de stoel moet de lezer maar ontdekken, of niet. Niemand wordt aan het handje genomen.

In de elf verhalen in De fluwelen machine is ook telkens sprake van blikvernauwing, van moedwillig gezochte proefnemingen, die de waarheid aan het licht brengen. Dat gebeurt iedere keer op een andere manier. De hoofdpersonen lijken niet op elkaar, en al zijn ze allemaal gespitst op hun ene, definitieve kans op geluk, nergens wordt Uphoffs thema een maniertje. Wat niet wil zeggen dat alle verhalen even goed zijn. Het eerste verhaal, 'Eén', dat gaat over een Siamese tweeling, verloopt voorspelbaar. Eens moet het moment komen dat de twee harmonieuze zussen, 'een in elkaar gedraaide boom', met één rug, één bloedbaan, zich van elkaar los willen scheuren - en een man zal inderdaad de splijtzwam zijn. Ook 'Klein onderzoek naar Elize', waarin een vrouw tot krankzinnig wordens verliefd wordt op een asielzoeker in haar dorp, die haar achteloos verlaat als hem een kans op beter leven wordt geboden, blijft enigszins vlak. Deze mensen stappen wel heel snel het verhaal in en uit.

Het mooiste verhaal in deze bundel is 'De minnares. Of: een kleine grammatica'. Hierin doet Uphoff iets wat minstens zo gewaagd en gezocht is als het gegeven van de Siamese tweeling, maar hier lukt de krachttoer met glans. Zij voert als hoofdpersoon een paard op, en alle waarnemingen en gedachten in het verhaal zijn die van dit koetspaard. Het paard en de koetsier leven 'volgens de principes van een eenvoudige grammatica'. Zij lopen hun rondjes, de merrie doet haar trucjes, de man borstelt, klopt en veegt, elke dag hetzelfde. Na de dood van zijn vrouw doet de man met haar 'zijn ding', zij is zijn 'fluwelen machine'. 'Zijn hand rustte op mijn hals en hij gaf zachte klopjes op mijn huid.' Een ideale liefde, totdat een menselijke vrouw het spel bederft.

Het lijkt een kinderachtig gegeven, maar Uphoff maakte er een zeer ontroerend verhaal van. Haar paard denkt mensendingen, maar blijft beperkt door de paardachtigheid, een gebruiksding met oogkleppen. Daardoor is het op den duur mens noch paard, maar uitsluitend een gevoelige minnares, een lichaam vol liefde en verlangen. En dat lichaam kan, als het al te lang koestering wordt onthouden, onverhoeds jaloers opspelen: 'Hij heeft er geen idee van dat ik hem met koets en al over het plein zou kunnen trekken tot de wielen, de stangen en zijn botten kraken. Dat er een groter paard in mij schuilt.'

Uphoffs stijl is zoals de levens van haar personages. Laconiek, sensitief en rustig, met hier en daar ineens een woeste opflakkering, in de vorm van een opmerkelijke metafoor. Die beelden kunnen bizar zijn, zoals: 'De Amerikaanse stak haar vlezige arm in de bruine zak (. . .) en grabbelde alsof ze een arts was die een baby in stuitligging probeerde te keren'; of weinig exact, zoals in: 'Al snel werden onze levens, als de helften van een rits, ieder een kant opgetrokken.' En soms is er ineens een opvallend mooi en goed gevonden beeld 'Strakke wooncomplexen die geen enkele diepte vertoonden, maar leken op ponskaarten die her en der in de aarde waren gestoken.'

Hier en daar een minder geslaagd verhaal, een enkele stilistische misser - het schrijverschap van Uphoff kan die kleine zwakten met gemak verdragen. Zij toont een onverstoorbare manier van vertellen in verhalen waarin echt schrijversbloed stroomt. Het gedrag van de mensen die zij neerzet klopt, niet omdat ze zo herkenbaar zijn, maar omdat de schrijfster ze soeverein de wet voorschrijft, de enige manier waarop literatuur overtuigend kan zijn.

Aleid Truijens

Manon Uphoff: De fluwelen machine.

Podium; 155 pagina's; * 29,90.

ISBN 90 5859 152 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden