De grenzen van het uitingsrecht

De Belgische rechter vindt dat schrijver Herman Brusselmans de modeontwerpster Ann Demeulmeester heeft beledigd en heeft diens boek voorlopig verboden....

ROODKAPJE bracht haar grootmoeder een mandje met wijn en eten. In twee schooldistricten in Californië sprak het bestuur zijn bezorgdheid uit over het alcoholgebruik in dit sprookje en Roodkapje was niet langer welkom. Via eenzelfde procedure ging onlangs in een aantal Amerikaanse staten Romeo en Julia in de ban, omdat het toneelstuk aanzet tot tienerseks en ongehoorzaamheid aan het ouderlijk gezag. Er kwamen klachten over Roald Dahl, over Uncle Tom's Cabin en over de Bijbel. En in Washington D.C. werd Huckleberry Finn van school verwijderd, wegens racistisch taalgebruik.

Vijftien jaar geleden werd het aantal censoren in Russische overheidsdienst geschat op zeventigduizend. Tegenwoordig wordt dit aantal in de VS waarschijnlijk nog overtroffen binnen de burgerlijke gemeenschap: in schoolbesturen, kerkgemeentes en comités van verontruste ouders.

Natuurlijk staat het heil van de kinderen bij dit alles voorop. Ze moeten worden beschermd tegen de duistere kanten van het leven, tegen armoede en depressie. Zo vroegen vier leden van het Alabama State Textbook Committee aan plaatselijke bibliotheken het dagboek van Anne Frank van de plank te halen omdat, en hierin kunnen we ze geen ongelijk geven, 'it is a real downer'.

Er zijn verder nog tal van aandoenlijke redenen waarom een boek ongeschikt wordt geacht voor de schoolgaande jeugd. Omdat in de tekst een koe bevalt van een kalf. Omdat de hoofdpersoon huishoudelijke artikelen (zoals zeep) verhit, wat leidt tot een onaanvaardbaar veiligheidsrisico. Omdat een meisje haar problemen helemaal zelf oplost, wat niet goed is voor haar sociale ontwikkeling.

Tegelijk klinkt er in de Amerikaanse samenleving luid protest tegen deze ingrepen. Er is een tegenbeweging op gang gekomen die zich met veel elan inzet voor de vrijheid van meningsuiting. In september werd zelfs een 'Banned Books Week' gevierd, onder verwijzing naar ieders grondwettelijke recht vrij te lezen. In het belang van de democratie, de individuele ontwikkeling en de politieke besluitvorming: Roodkapje terug in het lespakket!

Sinds kort heeft België zijn eigen Banned Book en zijn eigen controverse. Op last van de rechter is de roman Uitgeverij Guggenheimer van Herman Brusselmans uit de handel gehaald. Modeontwerpster Ann Demeulmeester voelde zich beledigd door een aantal passages in het boek en had gevraagd om een verspreidingsverbod. De rechter oordeelde dat het recht op vrije meningsuiting door Brusselmans is misbruikt; totdat er uitspraak is gedaan in een grondprocedure, mag het boek in België niet worden verkocht.

'Pure boekverbranding', volgens Brusselmans, en vele schrijvers vallen hem bij. Petities, handtekeningenlijsten, stukken in de krant: de beroepsgroep is boos.

De algemene verontwaardiging lijkt terecht, wanneer je kijkt naar de Amerikaanse ontwikkelingen. Wat begint met Brusselmans, eindigt met de zeven geitjes. Wie nazistische pamfletten wil verbieden, loopt het gevaar dat ook Floddertje van de leeslijsten verdwijnt. Maar toch is de zaak minder eenvoudig dan alle verontwaardigde schrijvers vermoeden, en het kan nooit kwaad eerst eens na te denken alvorens te gaan mokken.

We moeten beseffen dat niemand een onbeperkt recht heeft op vrije meningsuiting. In Nederland bepaalt de Grondwet slechts dat niemand 'voorafgaand verlof' nodig heeft om gedachten of gevoelens te openbaren. Dat wil zeggen dat we alles mogen schrijven wat we willen, maar achteraf kunnen we ter verantwoording worden geroepen. Het internationale recht lijkt op het eerste gezicht iets royaler, maar ook daarin zijn beperkingen opgenomen.

Verschillende verdragen verbinden 'bijzondere plichten en verantwoordelijkheden' aan uitoefening van de vrijheid. Die uitoefening kan daarom onder meer worden beperkt 'in het belang van de rechten of de goede naam van anderen'. Ik heb begrepen dat de advocaat van Demeulmeester zich op zo'n internationaal verdrag (het Europese mensenrechtenverdrag) heeft beroepen.

Natuurlijk wil het bestaan van zulke clausules nog niet zeggen dat een grondrecht in het wilde weg beperkt kan worden. Het betekent alleen dat de grenzen van de uitingsvrijheid steeds opnieuw moeten worden opgespoord, afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen en afhankelijk van het bijzondere geval. Het is niet zo dat een verbod op Brusselmans automatisch leidt tot een verbod op de gebroeders Grimm.

Het uitingsrecht is overigens ook niet het enige grondrecht dat beperkingen kent. Ten aanzien van de vrijheid van godsdienst, bijvoorbeeld, is in moderne tijden vastgesteld dat religieuze groeperingen daaraan niet de vrijheid ontlenen een eredienst te houden op de snelweg. De grondrechten zijn kortom onderwerp van voortdurende onderhandeling.

De aanklacht van Ann Demeulmeester betekent nu niet veel meer dan dat zij die onderhandeling is aangegaan, en dat valt haar met een beetje goede wil niet kwalijk te nemen. Zeker niet als ook de schrijvers zelf nog zoekende zijn. Joost Zwagerman moppert nu wel op de actie van Demeulmeester, maar in 1991 schrapte hij zelf vrijwillig een paar passages in zijn roman Vals Licht, omdat een personage daarin al te herkenbaar was afgebeeld.

Intussen is niet iedereen doordrongen van het feit dat grondwettelijke bescherming maatwerk is. Zo weet Sander Pleij in De Groene heel zeker te melden dat het boek van Brusselmans in Nederland niet verboden zal worden. Want, schrijft hij, 'we hebben een precedent: op 20 maart 1952 stond de schrijver W.F. Hermans voor de rechter vanwege een passage uit zijn roman Ik heb altijd gelijk. De geschiedenis is bekend: Hermans werd beschuldigd van belediging van het katholieke volksdeel en werd van die aanklacht vervolgens vrijgesproken. Pleij meent nu dat met die ene uitspraak uit 1952 de zaak voor de eeuwigheid is beslist.

De zaak-Hermans biedt overigens slechts in zeer beperkte mate een 'precedent' voor de zaak-Brusselmans. De enige overeenkomst is dat in beide gevallen de beledigingen niet door de auteur zelf worden uitgesproken, maar door een van zijn personages. De rechter oordeelde indertijd dat 'de geïncrimineerde passage geenszins zo is gebezigd, dat een onbevooroordeelde lezer de indruk zou moeten krijgen, dat de schrijver met haar inhoud instemt'. Hermans werd dan ook vrijgesproken omdat hij zich niet in beledigende vorm had uitgelaten.

Verder is het verschil met de kwestie-Brusselmans zo groot dat we van de vrijspraak van Hermans niet veel wijzer worden. De zaak tegen Hermans was een strafzaak, tegen Brusselmans loopt een civiele zaak. Hermans zou een heel volksdeel hebben beledigd, Brusselmans een met naam en toenaam genoemd individu. Andere partijen, andere rechten, andere bepalingen en andere beperkingsgronden. Op 'Ik heb altijd gelijk' kunnen we ons voor het gemak niet beroepen.

Er zijn niettemin in Nederland en omringende landen wel andere (civiele) rechtszaken geweest tegen literaire auteurs die beschuldigd werden van belediging van een bestaande persoon. In al die gevallen hebben we te maken met een ingewikkeld probleem: mag een literair auteur of een fictief personage een bestaand personage beledigen?

In het geval van Brusselmans is ter verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van een bestaand personage. Dat zijn personage 'Demeulemeester' niet dezelfde is als de bestaande Demeulmeester. In deze eeuw zijn de grenzen tussen feit en fictie vervaagd, luidt het argument: een bestaande modeontwerpster kan gemakkelijk door een auteur in fictie worden omgezet. Dit is nogal een riskante lijn van verdediging, want juist wanneer de grens tussen feit en fictie verdwenen is, kan niemand nog volhouden dat zijn personage 'puur verzinsel' is.

We moeten dus maar aannemen dat het in 'Uitgeverij Guggenheimer' wel degelijk om de echte Demeulmeester gaat. En dan is vervolgens de vraag hoe zwaar het belang van de kunstzinnige belediging moet wegen. Moet een modeontwerpster buigen voor de literaire kunst?

Wie de vakliteratuur erop naslaat, zal zien dat er op deze vraag nog geen eensluidend antwoord is gegeven. Er zijn gevallen bekend waarin de bescherming van de eer en goede naam de voorrang kreeg boven de kunstvrijheid; er zijn gevallen bekend waarin de kunstvrijheid prevaleerde boven de goede naam. Er zijn juristen die vinden dat de kunstvrijheid gemakkelijk beperkt kan worden, er zijn juristen die vinden van niet.

En er is een enkele jurist die onverbloemd tot belediging aanzet, omdat beledigen wordt gezien als een vorm van grote kunst. Zo schrijft Jessurun d'Oliveira na een voorzichtige rechterlijke uitspraak: 'Ons recht stelt zich kennelijk scribenten voor als bloedeloze boekhouders die met karnemelk in d'ad'ren ook bij bloedstollende misstanden en hooglopende conflicten zakelijk en terughoudend, bezield van alle denkbare egards, met de hoed in de hand een schuchter kritisch geluid laten horen. Wie boven deze maat uitsteekt, kwetst en beledigt.'

Hier wordt aan de kunst een naïef-romantische maat opgelegd, ook al zijn alle juristen het erover eens dat het recht geen inhoudelijke beoordeling van kunst mag geven. Hoe dan ook, men stemt algemeen in met de woorden van voormalig advocaat-generaal Leyten die de beperking van uitingsvrijheid in de kunst heeft beschreven als 'een van de moeilijkste problemen van het recht'.

In het licht van al deze subtiliteiten en onzekerheden is het op zijn minst vreemd dat zoveel Vlaamse en Nederlandse auteurs de zaak-Brusselmans al hebben beslist voordat de discussie is begonnen. Tom Lanoye heeft een petitie opgesteld onder de dwingende titel 'Burgers tegen censuur', waarmee alle nuances van de zaak in één zwaai onder het tapijt worden geveegd.

Helemaal kwalijk wordt het wanneer de verontwaardiging zich richt op Ann Demeulmeester persoonlijk. Volgens Het Parool is Martin Bril een schrijversactie begonnen om Demeulmeester flink dwars te zitten. 'Men' hoopt dat zij bij alle steun voor Brusselmans besluit 'in te binden', en de procedure niet verder doorzet. 'Tot die tijd wordt het haar ook op andere manieren moeilijk gemaakt.' Dat is geen actie van verontruste burgers, dat is een samenzwering van de moreel minderbedeelden.

Serieuze steun aan Brusselmans zou moeten uitgaan van het belang van uitingsvrijheid. De vrijheid van meningsuiting is ingesteld omdat de samenleving belang heeft bij vrije communicatie: die kan de uitwisseling van tegenstrijdige meningen mogelijk maken, het democratische proces bevorderen en de gemeenschap binden. Vooral wanneer het gaat om 'bloedstollende misstanden en hooglopende conflicten' mag aan vrije communicatie geen haarbreed in de weg worden gelegd. De steun die Brusselmans in feite heeft gekregen, staat volledig haaks op al deze maatschappelijke doelen.

Martin Bril wilde ter verdediging van de grondrechten Brusselmans eerst een appeltaart sturen, maar bij nader inzien besloot hij een artikel te schrijven over de beharing van Demeulmeester. Alleen om te zien of zij ook hem voor het gerecht zou dagen. In Humo verscheen een gefingeerd interview met Demeulemeester waarin het woord kut een prominente rol speelde. De hele kleuterklas joelend over de speelplaats: 'Pak me dan, als je kan.' Literatuur infantiliseert wanneer niemand haar nog serieus neemt.

Kunstzinnige verbeelding en literaire inspiratie zijn niet zulke dwingende krachten dat de schrijver er machteloos tegenover staat. Niemand wordt door de muze verplicht te schrijven dat zijn medeburgers 'standrechtelijk gefusilleerd' moeten worden. Misschien heeft een schrijver een antimaatschappelijke poëtica en goede redenen om zijn medeburgers te beledigen, maar dat wil nog niet zeggen dat die medeburgers het recht ontnomen kan worden hem daarvoor ter verantwoording te roepen.

Wie Demeulmeester van een rechtszaak wil afhouden door het 'haar moeilijk te maken', heeft afscheid genomen van de democratie en trekt zich terug in de ivoren toren van het onfatsoen.

Wie geïnteresseerd is in een vrije communicatie en in een uitwisseling van tegenstrijdige meningen, moet Demeulmeester dankbaar zijn: ze heeft een uiterst interessante discussie aangezwengeld. Het heeft dan ook geen enkele zin die discussie af te kappen, 'censuur' te roepen, in de verontwaardiging te schieten, en ons maar meteen in een woord als 'boekverbranding' vast te bijten.

Ik weet intussen niet of Demeulmeester haar zaak moet winnen of verliezen; mij heeft het nadenken over deze zaak vooral een toenemende onzekerheid opgeleverd. En dat terwijl ik aanvankelijk nog van plan was met geslepen pen en kolkend bloed het hooglopende conflict voor eens en voor altijd te beslechten door de argumenten van alle betrokkenen af te doen onder verwijzing naar de geschatte omvang van hun intieme lichaamsdelen. Het is een verleiding waarvoor ik inmiddels niet meer bezwijk.

M. Februari is juriste en schrijfster.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden