De goudquaestie

In Zwitserse kluizen zou nog voor 10 miljard gulden aan door de nazi's geroofd goud kunnen liggen, zo bleek deze week....

In de zeer vroege ochtend van zaterdag 22 november 1947 arriveert een nogal ongewone kolonne bij de grensovergang Beek. Het is pikdonker. Van dat onbestemde weer, tussen herfst en winter in. Twee Amerikaanse legerjeeps en drie personenwagens escorteren vijf zichtbaar zwaar beladen vrachtauto's van het Utrechtse transportbedrijf ATO. Twee van de personenauto's hebben een Amerikaans kenteken. Op de derde prijkt een nummerbord met de Noordhollandse 'G'. Ze komen uit Duitsland.

Een van de inzittenden, de controleur-generaal van De Nederlandsche Bank, W.C. Roest van Limburg, merkt dat hij de in- en uitvoerpapieren ter plaatse in orde moet maken. 'Aan de Nederlandse grens stonden een personenauto en een motor met zijspan van De Nederlandsche Bank, met in totaal 6 man, gewapend met pistool F.N. en Stengun. Mijn chauffeur en ikzelf waren voorzien van een pistool F.N., zodat het gewapend geleide in Nederland uit 8 man bestond', schrijft hij in zijn rapport. Het traject Beek-Amsterdam wordt zonder enig probleem afgelegd en de volgende dag om een uur 's middags staat het konvooi voor de deur van de Nederlandsche Bank, dan nog gevestigd aan de Amsterdamse Oude Turfmarkt, in het gebouw waar tegenwoordig het Allard Pierson Museum is gehuisvest.

De lading van de vijf vrachtwagens bestaat uit goud.

Goud, geroofd door Hitlers nazi's.

De afvaardiging van De Nederlandsche Bank had het opgehaald uit Frankfurt am Main. De Amerikanen hadden het goud bij de verovering van Duitsland gevonden in een ongebruikte mijn, temidden van een onvoorstelbare hoeveelheid uit heel bezet Europa geroofde schatten.

Tussen mei 1940 en mei 1945 sleepten de Duitsers bijna alle goud uit Nederland weg. Het grootste deel was afomstig uit diverse vestigingen van De Nederlandsche Bank. Rond 14 procent van de voorloorlogse voorraad, tegen een huidige waarde van 1,7 miljard gulden, is nooit meer teruggekomen. 'Het blijft natuurlijk altijd te veel maar men kan er vrede mee hebben', zo meent de officiële geschiedschrijver in deel vijf van de Geschiedenis van De Nederlandsche Bank.

Dat berustende oordeel dateert uit 1994. Maar in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog werd daar totaal anders over gedacht. De Nederlandse regering en De Nederlandsche Bank voelden zich, zo niet bedrogen dan toch op zijn minst gepasseerd. Den Haag zou nog jarenlang hoogst verontwaardigd blijven. Want het allergrootste deel van het geroofde goud bleek door de Duitsers in Zwitserse bankkluizen te zijn gedeponeerd. Zes jaar lang zou Den Haag op het hoogste niveau proberen dat terug te krijgen. Geheel tevergeefs. De Zwitsers gaven geen krimp.

Den Haag was al even boos op de drie grote bondgenoten, Amerika, Engeland en Frankrijk. Met name op Washington.

Hoe kon dat? Op 25 mei 1946 hadden de drie grootste geallieerden een akkoord met Zwitserland gesloten dat verreikende gevolgen zou hebben voor alle landen waar de nazi's hadden huisgehouden. Dit Verdrag van Washington kwam na opvallend korte onderhandelingen tot stand en behandelde de Zwitsers met een coulantie die zijn weerga niet kent.

Terwijl de drie geallieerden wisten dat het om veel en veel grotere bedragen ging, werd dit het cruciale punt in het verdrag: Zwitserland betaalt 250 miljoen Zwitserse francs aan goud als bijdrage voor de reconstructie van Europa. In ruil daarvoor zien de geallieerden af van alle verdere claims.

Het gaat vooral om die laatste zin. Daarachter hebben de Zwitsers zich tientallen jaren kunnen verschuilen. Uit een deze week bekend geworden Brits rapport blijkt dat de Zwitsers slechts eentiende hebben terugbetaald van wat ze feitelijk aan door de nazi's geroofd vermogen in beheer hadden.

De voorgeschiedenis aan Nederlandse kant: aan het eind van de jaren dertig had De Nederlandsche Bank al meer dan de helft van haar goud uit de kluizen laten overbrengen naar de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Groot-Brittannië. Het 'gaat u maar rustig slapen' van minister-president Colijn was bij de bankdirectie op argwaan gestuit, die achteraf meer dan terecht bleek.

Na de Duitse inval ging in de nacht van 10 op 11 mei 1940 alsnog een partij goud van 78 duizend kilo met twee KNSM-schepen van Amsterdam naar Londen. Diezelfde nacht vertrok ook een loodsboot met ruim negenduizend kilo goud aan boord van Rotterdam richting Engeland. Deze boot liep al in de Nieuwe Waterweg op een mijn en zonk. Nog in de oorlog werd een groot deel van dat goud geborgen en door de Duitsers verbeurd verklaard. De Nederlandsche Bank ging in hoger beroep, maar dit werd door de nazi-justitie zelfs niet in behandeling genomen. Het restant van het 'Maasgoud' werd na de oorlog opgebaggerd.

Eind 1940 bevond zich 477.000,3 kilogram goud uit de bankvoorraad in het buitenland, terwijl 107.159,2 kilogram in Nederland was achtergebleven.

Gaandeweg de oorlog sleepten de Duitsers ook dit achtergebleven goud uit Nederland weg, onder meer via krankzinnig hoge aanslagen wegens 'uitwendige bezettingskosten'. In 1941 werd deze Abschlagszahlung vastgesteld op vijfhonderd miljoen Reichsmark, in de huidige verhouding rond 25 miljard gulden. De Nederlandsche Bank was gedwongen deels met goud te betalen: 36 duizend kilogram.

Particulieren moesten hun goud en zilver inleveren. Ook dat ging naar de Berlijnse Reichsbank. Op 20 augustus 1942 kreeg de NSB-president-directeur van de Bank, Rost van Tonningen, een briefje van het bureau van Rijkscommissaris Seyss-Inquart: 'Ich bitte Sie, das in der Niederländischen Bank noch ruhende Gold umgehend an die Deutsche Reichsbank, Berlin, versenden zu lassen, das Gold für Rechnung der Niederländischen Bank in Depot zu nehmen.'

Bij de bevrijding was er dus nauwelijks nog goud in Nederland aanwezig. Ook de gewone gouden tientjes waren via de Reichsbank verdwenen.

Pas in december 1946 accepteren de geallieerde bezettingsmachten in Duitsland dat De Nederlandsche Bank controleur-generaal Roest van Limburg en keldermeester Schuurman op onderzoek naar Duitsland stuurt. Deze twee weten inmiddels dat de nazi's in totaal 432,6 miljoen gulden aan monetair goud hebben weggehaald. Roest en Schuurman stellen van 357,4 miljoen nauwkeurig vast wat er mee gebeurd is. De boekhouding van de Reichsbank is perfect: voor 333,9 miljoen gulden aan Nederlands goud blijkt in Zwitserland te zijn terechtgekomen.

Maar deze wetenschap komt voor Nederland te laat. Het Verdrag van Washington is dan al een half jaar van kracht.

Toch had er in Washington een flinke claim van Nederland gelegen waarmee de geallieerden niets hadden gedaan. Waarom niet? Dat raadsel is nog steeds niet opgelost.

De Nederlandsche Bank gaat in 1947, ferm gesteund door het ministerie van Financiën, alsnog aan het Zwitserse goud trekken. Al eerder had de Bank bij Buitenlandse Zaken geklaagd dat ze niet eerder een groep experts naar Duitsland had mogen zenden. In dat geval had de claim in Washington wellicht meer gewicht gekregen.

Buitenlandse Zaken sondeert voorzichtig bij de Grote Drie en probeert dan in het voorjaar van 1947 rechtstreekse onderhandelingen met de Zwitsers aan te knopen. Maar de diplomaten trekken er naar de zin van prof. mr. P. Lieftinck, de minister van Financiën, niet hard genoeg aan. Op 15 december 1947 schrijft hij zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken, Baron van Boetzelaer van Oosterhout, over een ontwerp-nota: 'In het algemeen zou de toon dezer nota's, voor zover tot de Zwitserse regering zijn verricht, iets forser kunnen zijn. Ik zie echter niet voorbij, dat een forsere nota de Zwitsers wellicht aanstonds kopschuw zal kunnen maken en voor de uitnodiging zou kunnen doen bedanken met verwijzing naar de bepalingen van het accoord van Washington, reden waarom ik mij met de gekozen redactie kan verenigen.'

De Amerikanen blijken al snel in het geheel niet content met de Nederlandse wensen. Op 22 januari meldt mr. E.N. van Kleffens, die na zijn Londense ministerschap van Buitenlandse Zaken terug is in de diplomatieke dienst en nu als Nederlands ambassadeur in Washington fungeert, dat de Amerikaanse autoriteiten 'zeer onaangenaam getroffen' zijn, omdat Nederland blijkbaar de bevoegdheid van de Grote Drie in twijfel trekt tot het sluiten van het Verdrag van Washington in mei 1946.

Er worden ook fouten gemaakt. In Nederlandse krantenberichten - nooit door Den Haag tegengesproken - wordt er voortdurend op gehamerd dat Nederland, op het moment dat de onderhandelingen in Washington werden gevoerd, nog niet precies kon weten hoeveel goud er zoek was. De regering in Bern schrijft in juli 1948 een geharnaste brief aan de Nederlandse regering, waarin staat dat Nederland in Washington op de lijst voorkwam met een exacte eis van 161 miljoen dollar. Dat de geallieerden met die eis niets hebben gedaan, kan toch bezwaarlijk Zwitserland worden aangewreven, zo meende Bern. Letterlijk zegt de brief: 'Daarom is het onjuist in Nederlandse kranten te lezen dat Nederland in Mei 1946 niet wist hoeveel goud er zoek was.' De Zwitserse pers dient al even hard van repliek. 'Lieftinck semper idem' kopt de Neue Zürcher Zeitung - 'nog altijd dezelfde Lieftinck'. 'Unverschämt' knalt de Finanz-Revue zijn lezers tegemoet.

19 juli 1948 wordt een precaire datum. Den Haag denkt op die dag eindelijk de Zwitsers aan de onderhandelingstafel te krijgen. Ook vertegenwoordigers van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk zullen mee aanzitten. De tijd dat de Nederlanders de bevoegdheid van de Grote Drie aanvochten tot het sluiten van het Verdrag van Washington lijkt voorbij. Want enkele maanden eerder had minister Van Boetzelaer zijn ambassadeur Van Kleffens per telegram geïnstrueerd: 'U zoudt kunnen doen uitkomen dat bij de Nederlandse regering nimmer de intentie heeft bestaan bij besprekingen met Zwitserland de bevoegdheidskwestie te berde te brengen.'

De Zwitsers komen niet. Tien dagen voor de fatale datum had de Zwitserse gezant in Den Haag al laten weten dat de kwestie door Nederland 'ongelukkig' was aangepakt. Er was zonder meer een uitnodiging naar Bern gestuurd, zonder hierover de Zwitserse regering eerst voorzichtig te polsen. Minister Van Boetzelaer schrijft gepikeerd in de kantlijn van het betreffende rapport: 'Zwitsersche gezant in Washington werd volledig ingeschakeld gedurende de laatste maanden.'

Maar Nederland geeft nog lang niet op. Van Boetzelaers opvolger, Mr. D.U. Stikker, krijgt in augustus 1948 van zijn ambassadeur in Washington - nog steeds Van Kleffens - te horen dat de Amerikanen nu ronduit toegeven dat ze bij het Verdrag van Washington geen enkele rekening hebben gehouden met het Nederlandse goud. Het State Department erkent dat de 250 miljoen Zwitserse francs waarmee Bern alle toekomstige claims mocht afkopen, een 'vrij arbitrair' bedrag was.

Maar veel heeft Nederland niet aan deze ontboezeming. De Amerikanen vinden de Nederlandse vasthoudendheid steeds vervelender. De kwestie omtrent de 'bevoegdheid' duikt steeds weer op. Washington laat weten geen enkele steun aan 'de overigens moreel juist geachte claim' te zullen geven wanneer Nederland de Amerikaanse bevoegdheid alsnog in twijfel trekt. In Den Haag wordt nu overlegd of men naar het Internationale Hof van Justitie zal stappen dan wel een vorm van arbitrage moet aanvragen. De Zwitsers zien wel brood in een gerechtelijke uitspraak. De Amerikanen niet, want die vrezen na een vonnis eventueel het al door de Zwitsers betaalde goud weer in te moeten leveren.

Op 21 december 1948 zet de chef Directie Economische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken eindelijk de grote angst op papier die tot dan binnenskamers is gehouden: 'Ik geloof dat het zaak is, dat Buitenlandse Zaken een rem aanlegt aan de activiteiten van Financiën op dit gebied. Het zou wel uitermate ongelukkig zijn als juist onder de tegenwoordige omstandigheden wij naast de Indonesische kwestie ons nog bovendien het ongenoegen van de Amerikanen op de hals haalden met betrekking tot de goudkwestie Zwitserland.'

Voor de politionele acties van juli 1947 en december 1948 in Indonesië had Washington, zacht gezegd, weinig begrip. Ook in andere hoofdsteden krijgen Nederlandse diplomaten van hun Amerikaanse collega's te horen dat Washington op het punt staat geïrriteerd te raken of misschien al over dat punt heen is.

Ambassadeur Van Kleffens geeft dan een soort college-op-schrift in Amerikaanse politieke verhoudingen voor het thuisfront in Den Haag. Zaken waarbij de VS niet rechtstreeks betrokken zijn, plegen op een zeer laag niveau te worden afgedaan, doceert de ambassadeur. Als Den Haag verneemt dat de Amerikaanse regering 'ontstemd' is of 'strong notes' uitdeelt, dan is dat bedacht door een ambtenaar die in Den Haag referendaris dan wel hoofdcommies zou zijn en die hebben 'hier te lande (in Amerika) veel meer feitelijke macht dan ten onzent'.

Korte tijd later meldt Van Kleffens dat 'het State Department telefonisch de indruk wekte bevreesd te zijn dat zij in de laatste bespreking haar standpunt wat te scherp had geformuleerd. Thans begreep men, dat men Nederland niet kon verbieden tegen een derde staat gerechtelijke actie te ondernemen.' Het klinkt opgewekter dan het in feite is.

Er is ook enig intern ongenoegen bij BZ. Van Kleffens klaagt over de al te straffe onderhandelingsstijl die vertegenwoordigers van het department van Financiën in 'zijn' Washington aan de dag leggen. En Van Kleffens vindt ook dat de man die op zijn eigen ambassade de 'goudquaestie' behandelt, al te eigengereid optreedt. De ambassadeur twijfelt zelfs hardop aan diens intelligentie en zou graag zien dat deze diplomaat naar Den Haag wordt teruggeplaatst. Dat gebeurt overigens niet.

Minister Lieftinck, nog maar kort geleden succesvol met zijn befaamde 'tientje', wil per se het goud terug. Er worden herhaaldelijk brieven geschreven waarin Financiën bij BZ informeert waarom er geen schot in de zaak komt. Zelfs de gelijkmoedige Stikker raakt enigszins geïrriteerd. Maar de zaak zit muurvast.

Bij Financiën worden voortdurend mooie plannen gesmeed, die geen van alle een lang leven hebben. Een ambtenaar stelt Lieftinck voor: 'Wij moeten de Zwitserse credieten niet aflossen doch deze verrekenen met de claim die wij op Zwitserland hebben uit hoofde van het geroofde goud.'

De minister schrijft terug dat hij er 'voorshands sterk afwijzend' tegenover staat. Lieftinck wil 'allereerst proberen te bereiken dat Amerikanen hetzij de Zwitsers tot een offer brengen, hetzij zelf ten onze behoeve een offer brengen'.

Financiën is zelfs bereid met particulieren in zee te gaan. Met gejuich begroet het departement in Nederland wonende Zwitsers die ons standpunt in hun vaderland willen uitdragen. Ook duikt de figuur op van H. Salomons, in de jaren twintig Nederlands consul in Zürich. Deze denkt via zijn oude contacten de zaak weer los te kunnen wrikken. De Zwitsers horen hem geamuseerd aan en ook deze poging mislukt.

Nog wat later ontwikkelt Salomons het stoutmoedige plan de Zwitsers angst aan te jagen door te wijzen op een overeenkomst tussen de Deutsche Reichsbank en de Zwitserse Nationale Bank waarin de laatste instantie zich bereid zou hebben verklaard uit de geallieerde landen afkomstig goud over te nemen. De tekst van de overeenkomst zou in Berlijn zijn gevonden en door een Amerikaanse kolonel aan de Zwitsers zijn verkocht. Salomons denkt aan een fotokopie te kunnen komen, maar moet enkele weken later toegeven dat dit te veel gevraagd is.

In juli 1950 spreekt de Nederlandse ministerraad toch weer over een mogelijke procedure bij het Internationale Hof van Justitie. Een maand later heeft minister Stikker een informeel onderhoud met zijn Zwitserse collega dr. Stucki. Deze Stucki is een sleutelfiguur in de hele goud-affaire. In de oorlog was hij gezant bij de Franse Vichy-regering en daardoor bij zijn latere gesprekspartners bij voorbaat enigszins verdacht. Stucki maakte ook deel uit van de zo succesrijke onderhandelingsdelegatie bij het Verdrag van Washington.

Telkens stuiten Nederlandse onderhandelaars in laatste instantie weer op deze steile Bundesminister. Mr. H.L. s' Jacob, secretaris-generaal van Financiën, kwalificeert hem terstond als een 'diplomaat van het oude stempel' maar 'moeilijk om zaken mee te doen'. Dat is een eufemisme. Met Stucki valt in het geheel geen zaken te doen. Hij staat onwrikbaar op het strikt juridisch-formele standpunt: met 'Washington' is alles finaal geregeld. Voor de morele kant van de Nederlandse claim heeft hij Verständnis. Maar meer niet.

Steeds weer laait de persoorlog op. Ook ex-consul Salomons doet er aan mee. Zijn klaagbrief van 27 december 1951 over 'onzakelijke berichtgeving in de Nederlandse media' is tevens een sterk staaltje zelfpromotie: 'Eene uitzondering dienaangaand vormen de in de 'Nieuwe Courant', 's Gravenhage, dd. 15 Juli en 14 en 18 Augustus 1948 gepubliceerde artikelen, benevens een verslag in het 'Algemeen Handelsblad', Amsterdam dd. 5 October 1948, van den finantiëlen redacteur, na diens terugkeer uit Zwitserland. De artikelen in de 'Nieuwe Courant' waren, gevolg gevend aan een desbetreffend verzoek van den toenmaligen hoofdredacteur, van mijn hand.' Wat nog opvallender is: Salomons haalt voorbeelden aan die inmiddels drie jaar oud zijn - zo weinig schot heeft er al die tijd in de zaak gezeten.

Halverwege 1952 heeft het Nederlandse kabinet er genoeg van. Op 7 juli krijgt de Vaste Kamercommissie van Buitenlandse Zaken het bericht: 'Door de regering is het besluit genomen dat t.a.v. deze Nederlandse goudclaim geen verdere stappen zullen worden ondernomen.' Op 2 september van dat jaar treedt het kabinet-Drees II aan. Twee hoofdrolspelers in het goud-drama maken er geen deel meer van uit. Lieftinck is al op 1 juli vertrokken omdat hij voor de Wereldbank een opdracht in Turkije zal uitvoeren. Stikker wordt secretaris-generaal van de NAVO. Beide benoemingen hebben de hartelijke instemming van de Amerikanen.

Omdat de Zwitsers onbuigzaam bleken, vroeg Nederland om 145.649 kilogram goud uit de 'pot' van het Verdrag van Washington. De Tripartite Commission, die over de verdeling van het goud waakt, weigerde daarvan 35.475 kilogram als bankgoud te erkennen; het was van particulieren afkomstig en viel daarom buiten de bevoegheid van de commissie. De slotuitkering van 1958 weigerde Nederland aanvankelijk in ontvangst te nemen want men wilde alsnog de hele claim gehonoreerd zien. Pas in 1973 werd die laatste uitkering geaccepteerd. In totaal kreeg Nederland rond 70 duizend kilogram goud terug.

Ruim 75 duizend kilogram bleef dus zoek, waarmee toen een bedrag van 222 miljoen gulden gemoeid was, omgerekend in huidige valuta 1,7 miljard. Het was veertien procent van de totale goudvoorraad van De Nederlandsche Bank van voor de oorlog. De geschiedschrijver van de Bank had er vrede mee, 'vooral als men bedenkt hoe hoog het percentage zou zijn geweest indien de Bank voor de Tweede Wereldoorlog niet een zo grote hoeveelheid goud buitenslands in veiligheid had gebracht'.

In 1952 viel voor Nederland het doek over het Zwitserse goud. Het was van het allereerste begin een flop, die zich desondanks zes jaar voortsleepte. Maar door de recente ontdekkingen in Washington en Londen zal er in Den Haag en aan het Amsterdamse Frederiksplein toch weer aan een vervolg op dit onzalige drama moeten worden gedacht.

Want het gaat, zoals met zoveel oorlogsaffaires, nog steeds om onvoltooid verleden tijd.

Henk Strabbing

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden