De gloed van Watou

Als de gedichten Watou zouden verlaten, is de ziel van het Belgische dorp weg, zegt de ene bewoner. Maar niet iedere autochtoon is blij met de jaarlijkse festival, dat ook tal van Nederlanders trekt....

Ludo Lepee fietst graag. Hij is niet alleen pastoor van Watou, maar ook wielerpastor van West-Vlaanderen. Dagelijks fietst hij langs Krombeke, langs Proven en Roesbrugge, allemaal dorpen hier in de Westhoek van België. Wat hij ziet? Eigenlijk niets. Niets behalve hoge hopplanten en wuivend graan. ‘Nergens in die dorpen is wat te beleven. Je kunt er amper een boterham krijgen. In Watou is dat anders. Hier leeft het.’

In Nederland is Watou bekend. Je hebt de Nacht van de Poëzie, je hebt Poetry International en er is de Poëziezomer van Watou , een festival van beeldende kunst en poëzie, waarbij het hele dorp als toonzaal wordt gebruikt. Dat festival bestaat 25 jaar. Het bracht het dorp kunst en voorspoed. Dankzij de Poëziezomer is Watou anders dan alle andere dorpen in de buurt. Toch is er geen innige band tussen de meeste dorpelingen en het festival. Hoe zou dat komen?

We zitten in de achterkamer van de pastorie, zowat het grootste huis van Watou. Ga je de voordeur uit, dan loop je zo de kerk binnen. En vanuit de achterkamer heb je uitzicht op de grote tuin, met in de verte Frankrijk. In die achterkamer houden een twintig jaar oude tortelduif en een parkiet die de klok kan luiden de pastoor gezelschap.

‘West-Vlamingen’, zegt de pastoor, ‘dat zijn ondernemers. Hier in Watou zijn de mensen dat niet. Ze houden de boel wel aan de gang, maar zelf iets beginnen, dat doen ze niet. En ‘t zijn smokkelaars. Ze weten alles, maar ze zeggen niks.’ Hij lacht verontschuldigend. ‘Ga je hier op huisbezoek, dan hoor je veel over een ander, en nooit wat over de mensen zelf.’

In het dorp heeft de poëzie intussen diepe sporen achtergelaten. Er is horeca en middenstand die er zonder de poëziezomer nooit geweest zou zijn. Het dorp heeft een Hugo Clausplein, een Rutger Koplandstraat, een Paul Snoeckstraat en zo meer. En er zijn blijvende herinneringen. Aan de kerk hangt een plaquette met een gedicht van Christine d’Haen, op de Douviehoeve hangt een ode aan de ezel Izegrim, op de markt staat een gedenkteken voor Hugo Claus. En op dezelfde markt staat al jaren – tamelijk plompverloren – een betonnen kubus.

De pastoor moet weg, – ‘er wacht een dode op mij’ - maar wil eerst nog wat kwijt: ‘Ze kunnen Guido en Agnes hier missen als water in hun schoenen. Maar langs de andere kant: mochten die mensen weggaan, dan zouden ze verontwaardigd zijn. Wat gaan die nou weer doen, zouden ze zeggen. Dat kan toch zomaar niet.’ Voor hij zijn habijt aantrekt geeft hij nog een cd met een opname van een BRT-radiodocumentaire, gewijd aan Watou. ‘Hier, dit geeft u een beeld.’

Guido (68) en Agnes (64) zijn samen het echtpaar Mandelinck, bedenkers, aanstichters, inspirators en uitvoerders van de Poëziezomer. Guido wordt liever Gwij genoemd, bij voorkeur op z’n middeleeuws uit te spreken als Gwie, maar dat is weer een ander verhaal. Zo’n dertig jaar geleden zijn ze in Watou komen wonen. Hij was bibliothecaris van de stad Poperinge, maar ook dichter. Ze zochten de rust van het platteland. Die rust vonden ze in Watou. ‘Kijk hier. Een huis tegen de vlakte aan, de totale verstilling. Een bedreigende rust, het dorpje lag op sterven’, zegt hij nu, met nog steeds iets van verontwaardiging in zijn stem. ‘De stilte was hier om te snijden.’

Vanuit die rust zijn ze gaan organiseren. Op 17 augustus 1980 kwamen er twintigduizend mensen naar Watou, om vijftien dichters en een jazzorkest te zien. De eerste Poëziezomer was een feit. Sindsdien is het uitgegroeid tot een twee maanden durend fenomeen met werk van de beste dichters en beeldend kunstenaars van België, Nederland en geleidelijk – sinds Jan Hoet zich mede ontfermde over de selectie – van de hele wereld. José Vermeersch, Jan Fabre, Hugo Claus, Mark Manders, Ateliers van Lieshout, Marcel Broothaers, Bruce Nauman, Marlène Dumas, Robert Gligorov, Christian Boltanski – allemaal presenteerden ze hun werk in dat dorpje in de uithoek van België. ‘Ik wilde de hele wereld afreizen. In plaats daarvan is de hele wereld bij ons gekomen’, zegt Gwij. ‘Wij kunnen op wereldreis door ons eigen huis. Ik zie hier de fjorden, ik voel het gras van de steppen, ik ruik de tuinen van Toscane.’

Dat zintuiglijke is voor hem het belangrijkste van het festival. Hij herleidt dat tot een moment uit zijn eigen jeugd. ‘Het sneeuwde op de binnenplaats, vader citeerde Dostojevski zoals hij zo vaak deed, en ik zat aan de keukentafel te krassen, in een drang om iets met woorden te doen. Ontgoocheld door wat ik had gemaakt draaide ik het papier om, en ziedaar: een blad, even wit als de binnenplaats. Voilà, ik had een heel mooi gedicht geschreven. Uit die drang om te kijken is Watou ontstaan.’

Terwijl het festival almaar groter en beroemder werd, is aan de infrastructuur door de jaren heen nooit wat veranderd. Nog steeds organiseren Gwij en Agnes Mandelinck alles samen, vanuit hun huis aan de Kapelaanstraat. Vergaderen doen ze niet – of eigenlijk de hele dag door: in de auto, bij het eten, tot in het echtelijk bed worden de plannen besproken. En nog steeds is de financiële huishouding een kwestie van pleisters, plakwerk en een schietgebed. De beeldende kunst is vaak afkomstig uit particuliere collecties, dichters krijgen op de kop af 50 euro voor hun deelname.

De Poëziezomer heeft Watou veel goeds gebracht. Twee hotels, twee brouwerijen, twee galerieën en zes cafés telt het dorpje nu, binnenkort wordt het derde restaurant geopend. Christof Dejaegher (31), binnenkort de jongste burgemeesteer van Vlaanderen, maar nu nog even schepen van cultuur van Poperinge, de gemeente waartoe Watou behoort, geeft dat grif toe. ‘We kunnen niet onder stoelen of banden steken dat het festival volk naar de streek haalt’, zegt hij. ‘Veel Nederlanders ook, wat goed is voor de hotelovernachtingen.’

Tegelijk weet hij ook dat de belangstelling uit de eigen streek ver achterblijft. ‘Niemand is sant in eigen land’, is zijn verklaring. ‘West-Vlamingen hebben een nuchter boerenverstand. Die moeten wennen aan beeldende kunst.’ Patrick Giele, uit het naburige Abeele, ploegbaas van de gemeentewerkers van de stad Poperinge, is een trouwe Watouganger. ‘Je moet er feeling voor hebben’, vindt hij. Sommige mensen kijken door een paardenbril, die zien niet graag andere culturen.’ Als zoon van de streek herkent ook hij de mengeling van haat en liefde waarmee het festival wordt bejegend. ‘De mensen pikken er graag een graantje van mee. Maar er is ook veel onwetendheid en onbegrip. Waar leven die mensen van, wat voor doel heeft dat allemaal, zeggen ze dan. Ach, als het gebeurt is ’t niet goed. Maar mocht het stoppen, dan is ’t nog minder. Ik bewonder Gwij en Agnes om hun moed en energie.’

Dan gaat hij voor naar het achterste deel van zijn grote tuin, waar schuin tegen een forse boom een groot gedicht staat, gegoten in polyester. Het heet Reünie en is van Erwin Mortier:

Klap de tafels open op de schragen

Zet de stoelen in een cirkel op het gras

Stof de glazen af*

Zo begint het. Gekregen van Agnes, vertelt Giele. Omdat we zulk goed werk hadden gedaan.

In de gang naar de toiletten in de Hommelhof aan de Grote Markt van Watou hangen foto’s. We zien Stefaan met Jan Hoet, Stefaan gearmd met Jan Fabre, Stefaan naast de een tikje wantrouwig kijkende Rutger Kopland. Maar ook: Stefaan met het Belgisch koningspaar en met de Duitse president Herzog. Stefaan Couttenye is een begrip in Watou en wijde omgeving. In 1983, toen er in Watou nog nergens ook maar een caféstoeltje op de stoep stond, kwam hij op terug naar het dorp waar zijn grootmoeder geboren was. Hij was kok, op zoek naar een eigen nering, en Watou was het dorp waar zijn grootmoeder was geboren. Hij viel er midden in de persconferentie voor de Poëziezomer. In één middag viel het besluit. De oude disco die voorheen in het pand had gezeten werd uitgemest. Het Hommelhof werd een hot spot van de poëziezomer: daar vloeit het Hommelbier en het Sint Bernardus triple, daar worden de hammetjes verkocht – grote stukken varkensham met been, gestoofd in lokaal bier. Op een mooie zomer gaat er zo 5000 kilo varkensvlees doorheen.

Vooral in de beginjaren was zijn restaurant geliefd bij brassende kunstenaars. Stefaan denkt met weemoed terug aan de nachten met José Vermeersch. En allemaal hebben ze hier hun hammetje gegeten. Allemaal, behalve Panamarenko, die met de helikopter uit Antwerpen kwam en alleen kaviaar wilde. ‘Het contact met de kunstenaars is minder geworden nu ze van verder weg komen. De jonge artiesten zijn hautain’, vindt Stefaan.

Wie je ook spreekt, of dat nu Bernadette Claus-Deconinck is, brouwster van het fameuze Sint-Bernardus triplebier en gastvrouw van hotel Het Brouwershuis, of Christiaan en Carin Vermeulen van slagerij Vermeulen aan de Grote Markt, of Erna Masschelein van restaurant de Korenbloem en hotel Een huis tussen dag en morgen (genoemd naar een regel van Hugo Claus): ze zijn er allemaal van overtuigd dat Watou zonder Poëziezomer zijn ziel kwijt zal zijn.

Toch, ondanks al die blijken van genegenheid hangt er spanning tussen dorp en festival. Hoe hevig die spanning kan zijn, klinkt door in de van de pastoor gekregen BRT-radiodocumentaire van Wilfried Bertels. Daar hoor je de dorpelingen fulmineren, anoniem, tegen die vreemde kerel van een Mandelinck, tegen al die culturele flauwekul en tegen de gedichten van Hugo Claus die op hun broodzakjes gedrukt staan en hun eetlust bederven.

Gwij en Agnes Mandelinck herkennen die spanning. In de jaren tachtig hebben ze een tijdje politiebewaking gehad toen uit een café naar zoon Jan was gebeld: ‘Jouw vader maakt ons dorp kapot. We gaan hem vermoorden.’ Nog steeds gaat Gwij bij voorkeur niet alleen het dorp in. ‘Ik ben geen dorpsmens’, zegt hij. Agnes: ‘Nee, jij zult nog niet aan de buurvrouw vragen hoe het gaat als ze haar been gebroken heeft.’

Aan de blinde muur die naar het huis van de Mandelincks leidt hangen drie gedichten op plexiglas, van Rutger Kopland, Anton Korteweg en Hugo Claus, evenzovele gedenktekens voor Herman de Coninck. En volg je het weggetje dat langs hun huis en het korenveld de weilanden ingaat, dan kom je bij een gladgeschoren grasveldje, met in het midden een groot raam. Op dat raam staat een gedicht van Eddy van Vliet, waarin hij de dood binnenroept, mits die eerst zijn voeten veegt. Hier op deze plek, heeft Gwij op diens uitdrukkelijke verzoek de as van de dichter verstrooid. ‘Nooit eerder hebben mijn handen zo’n pijn gedaan.’

Aan alles komt een einde, ook aan de energie en de moed van het echtpaar Mandelinck. Wat dan? Vraag het de pastoor of de schepen, vraag het Bernadette van het Sint-Bernardus, of het slagers-echtpaar, of Stefaan van de Hommelhof: iedereen denkt dat het dan met Watou gedaan is. Maar zelf denken ze niet aan stoppen. ‘Wij voelen nog de gloed’, zegt Agnes. ‘Ik heb dit nodig, hier in dit kleine dorp. De kinderen, Jan en Miet, helpen ons steeds meer.’

En Gwij: ‘We kijken nooit achterom. We doen niet aan terugblikken, wij vieren geen jubileum. Op mijn sterfbed zal ik nog eens de catalogi bekijken, als ik ze tenminste terug kan vinden. Maar nu kijk ik eerst naar de toekomst. Dit houdt ons gezond.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden