De geslagen klas

In Den Haag kwamen leerlingen na de koranles thuis met blauwe plekken. Jeugdzorg was bezorgd, maar de Marokkaanse ouders wilden geen aangifte doen....

Tussen een stuk of vijftien Marokkanen zit ik in een lokaaltje in het Franse Instituut in mijn woonplaats Kenitra, een kustplaats niet ver van de hoofdstad Rabat. We krijgen Franse les van monsieur Alj en hij laat ons discussiëren over het onderwijs in Marokko. Ik geef graag mijn mening. ‘Het is verschrikkelijk’, zeg ik. Mijn medecursisten keren hun hoofd naar mij toe. ‘Er wordt zo veel geslagen’, leg ik uit.

Er valt een stilte waarin de anderen mij niet-begrijpend aankijken. Ik heb het probleem buiten lestijd weleens met monsieur Alj besproken en hij voelt zich gedwongen toe te lichten wat ik bedoel. ‘Nederlanders vinden slaan niet normaal’, zegt hij, met een hoofdknik naar mij.

Nu ontstaat er geroezemoes in het leslokaal. Naima, een onderwijzeres, wil graag reageren. ‘Het zijn de ouders die willen dat ik sla’, zegt ze. Doet ze het niet, dan wordt zij daarop aangesproken. ‘Jij bent veel te aardig. Waarom is mijn kind niet bang voor jou?’, vragen de ouders.

Anderen in het leslokaal vallen haar bij. Abdellah, een economiestudent, vertelt wat hij op zijn lagere school een vader eens tegen een leerkracht heeft horen zeggen over zijn kind. ‘Slacht jij hem, dan maak ik thuis het karwei af.’

Nu wil de jongen achter mij iets kwijt. Hij is een jaar of 18 en ook hij herinnert zich een voorval uit zijn lagereschooltijd: ‘Wij mochten tijdens de les nooit naar de wc. Ik was elke dag bang dat ik in mijn broek zou plassen.’

Monsieur Alj loopt naar hem toe. ‘Sahabi’, zegt hij, plotseling vergetend dat hij ons Frans moet bijbrengen. Sahabi betekent ‘vriend’ in het Marokkaans. De jongen wordt rood. Zijn lip trilt.

Twee jaar woon ik nu in Marokko en mijn verbazing over wat hier met kinderen gebeurt, kent geen grenzen. Ik heb drie kinderen, een dochter van 11 en twee zonen van 7 en 5, en zij weten hier soms niet wat ze meemaken. Wij, hun ouders, evenmin.

Mijn man is Marokkaan en hij heeft vroeger op Marokkaanse scholen klappen gehad. Toen hij thuis eens vertelde wat hem was overkomen, ging zijn vader ogenblikkelijk naar school, waar hij de betreffende leraar een dreun verkocht. ‘Zo, nu weet je hoe het voelt als je mijn zoon slaat’, zei zijn vader.

Ik keek nogal op van dit verhaal, maar niet van het feit dat vroeger in Marokko werd geslagen. In de jaren zeventig maakte ik op een lagere school in Friesland mee hoe meester De Ruiter de jongens in mijn klas in het gareel kreeg: met een grote meetlat tegen hun achterste. De klasgenoot die dit het vaakst overkwam, stopte zijn broek dagelijks vol met kranten.

Maar dat was allemaal vroeger en wij dachten dat het ook in Marokko wel afgelopen zou zijn met de lijfstraffen. Ja, zelfs Said, mijn man, dacht dat na een verblijf van dertig jaar in Europa. Voor alle zekerheid vroeg hij het aan de directeur van de eerste Marokkaanse basisschool die wij hadden uitgezocht voor onze kinderen – een privéschool, omdat het overheidsonderwijs niet best bekendstaat. ‘Er wordt hier toch niet meer geslagen?’, vroeg Said. ‘Natuurlijk niet’, was het antwoord.

Maar na anderhalve week in Marokko waren de kinderen met geen mogelijkheid meer naar school te krijgen, want er werd geslagen. Niet elke dag, maar elk uur van de dag.

Voor er driekwart jaar voorbij was, waren ze toe aan hun derde school, toen gaven we het op. We hadden informatie ingewonnen over nog tien scholen en onze conclusie was dat vermoedelijk in het hele Marokkaanse basisonderwijs wordt geslagen. Op de ene school meer dan op de andere, maar slaan is in principe normaal.

Van onze kinderen horen we dat hun docenten lesgeven met een stok of meetlat, waarmee ze in de klas rondlopen ‘alsof het een mitrailleur is’. Wie niet keurig op het lijntje heeft geschreven of de verkeerde ballpoint heeft gebruikt, wie op zijn handen heeft gekleurd of niet de goede schoolboeken bij zich heeft, wie zijn bril thuis is vergeten of tegen een klasgenootje fluistert, krijgt met de stok of de meetlat een flinke tik op zijn hoofd, handen of rug. Er zijn ook leerkrachten die schoppen of met de hand meppen, die slaan met boeken en ook eens met een tekenbordje dat op het hoofd van een kind doormidden brak.

Uit onderzoek van de Marokkaanse overheid en Unicef blijkt dat in Marokko 87 procent van de kinderen tussen 8 en 14 jaar op school fysiek geweld ondergaat. Ook mentaal geweld wordt niet geschuwd – iets wat wij al hadden begrepen. Een jongetje in de klas van mijn dochter krijgt te horen dat hij ‘een ontzettende baby’ is en een luier om moet. Kinderen zijn stom als ze iets niet snappen: ‘Waar zitten je hersens’, wordt er tegen hen gezegd. Ze krijgen te horen: ‘Ik gooi je uit het raam’, of: ‘Ik trek je tanden uit je mond.’ Vaak mogen ze niet naar de wc terwijl ze enorm nodig moeten of, in de hogere klassen, ongesteld zijn.

Wel leren de kinderen dat mensen goed moeten zijn voor de dieren. ‘We mogen ze niet slaan en niet doodtrappen’, vertelt mijn oudste zoon na de les. Ook zegt zijn juf dat kinderen elkaar onderling niet mogen slaan. ‘Maar jij slaat toch ook?’, merkt mijn zoon op. ‘Dat is iets anders’, antwoordt de juf geërgerd.

We hadden onze kinderen graag opgegeven voor de Amerikaanse school, maar die kost ons een half jaarsalaris. Een Franse school was ook goed geweest, maar die stelt als eis dat de kinderen vloeiend Frans kunnen spreken, en dat beheersen ze nog niet alle drie goed genoeg.

Een Frans regime is trouwens ook geen garantie dat er niet wordt geslagen, ontdekken we. Een van de drie scholen die onze kinderen bezoeken draagt de geruststellende naam ‘Le Nid’, het nest. De directie bestaat uit een Française en een Belgische. De Française sluit haar ogen voor wat er in haar gebouw gebeurt. ‘Hier wordt niet geslagen’, houdt zij vol, terwijl wij dagelijks verhalen horen over het tegendeel. De Belgische slaat zelf.

Wij beschermen onze kinderen en zeggen tegen iedere docent dat ze hen met geen vinger mogen aanraken. Maar toch gaat het een enkele keer fout. Onze dochter vergeet haar schoolboeken en krijgt met een liniaal een klap op haar hand. ‘Het was maar een grapje’, zegt de leraar. Onze zoon van 7 krijgt eenzelfde behandeling omdat zijn juffrouw de klas te rumoerig vindt en dus de leerlingen maar stuk voor stuk begint af te rossen. Hoewel zij weet dat zij onze zoon met rust moet laten, wil zij hem niet als enige sparen. Ze zegt: ‘Dat zou sneu zijn voor de andere kinderen.’

Beide keren ontploffen wij. Ik zeg tegen de leraren dat we toch zeker niet meer in de Middeleeuwen leven, maar beide keren beginnen ze te huilen na de boze woorden van Said. Hij zegt dat ze zwak zijn; zij hadden nou juist gedacht dat ze sterk waren.

Heel wat directiekamers zien wij van binnen en daarnaast bezoekt Said meestal de ouderavonden. Voortdurend is hij in discussie over de didactische methoden in Marokko. Maar hij merkt al gauw dat inderdaad de ouders een rol hebben in het geweld. Als hij tijdens die bijeenkomsten oproept te stoppen met slaan, krijgt hij van andere ouders geen bijval. Het is duidelijk dat hij wordt gezien als een nieuwlichter uit Europa, het continent waar de slecht opgevoede kinderen vandaan komen – ook de slecht opgevoede Marokkaanse kinderen.

Schreeuwt een kind dwars door een gesprek van volwassenen, kan dat kind nog niet eens de simpelste beleefdheidsfrasen uitbrengen, dan is het voor mensen in Marokko duidelijk: die komt uit Europa. Zulke toestanden willen zij niet. Hun kinderen moeten zich later kunnen handhaven in een harde, strikte wereld en ze moeten het beter doen dan zijzelf. Daarom liggen ze krom voor de beste privéscholen en als hier de lesstof met tucht wordt bijgebracht, des te beter.

‘Doe met mijn kinderen wat jullie willen’, zegt een moeder op een van de ouderavonden tegen de leraren. ‘Jullie hebben carte blanche. Ik sla zelf ook. Mijn man is vaak niet thuis en dan sta ik er alleen voor met vier kinderen. Wat moet ik anders?’ Zij is degene die bijval krijgt, en niet Said.

In Nederland onderzoekt het openbaar ministerie of er tijdens koranlessen in Den Haag kinderen zijn mishandeld. Jeugdzorg had hierover al eerder met de ouders gesproken, aldus de Volkskrant, maar die wilden geen aangifte doen.

Veel is in deze kwestie nog onduidelijk, maar één ding weet ik door mijn verblijf in Marokko intussen wel: opvoeden op zijn Marokkaans is doen wat mama, papa, juf of meester zegt, en anders moeten Aicha of Ahmed het maar voelen.

Nooit wordt er iets uitgelegd en andere straffen dan fysiek pijnigen, bestaan nauwelijks. Marokkanen hebben zelfs een handgebaar voor slaan, dat ze gebruiken bij wijze van waarschuwing.

Als ik op een dag voor straf mijn zoontje op de gang zet terwijl mijn 60-jarige buurvrouw op bezoek is, begint ze tegen me te roepen: ‘Hachouma, schaam je!’ Op haar gezicht lees ik afkeer, hoe kan ik zo hardvochtig zijn? Maar zij slaat haar kleinkinderen, open en bloot op straat zodat ik het vanuit mijn huis kan zien. Dat vindt zij kennelijk geen hachouma. Mijn kinderen hebben klasgenoten die dagelijks door hun ouders met een riem worden afgetuigd. Ook geen hachouma.

Slaan kweekt een bepaald soort gedrag, heb ik gemerkt. Als ik hier in een deuropening ga staan kijken naar spelende kinderen doen ze vaak betrapt. Ze houden op met stoeien, onderlinge gesprekken gaan plotseling over iets anders. Het lijkt of ze voortdurend op hun hoede zijn voor volwassenen. Hun gedrag wordt beheerst door angst, de angst voor slaag. Daarom vertellen de klasgenoten van mijn kinderen thuis nooit wat ze meemaken. Daarom liegen ze en verraden elkaar in de klas.

Maar op verjaardagsfeestjes kunnen de Nederlandse kinderen nog iets van hun leeftijdsgenootjes in Marokko leren. Marokkaanse kinderen zijn dolblij met een bekertje Fanta, nog blijer met een bakje chips en als ze een cadeautje uit een grabbelton mogen vissen, geloven ze hun ogen niet. Aan elk spelletje doen ze enthousiast mee en na afloop bedanken ze me omstandig en beleefd voor de fijne middag.

Maar die beleefdheid is er wel ingeramd. En het vermogen tot zelf nadenken is er zoveel mogelijk uitgeramd. Het gekke is: bijna iedereen in Marokko kan vertellen dat slaan officieel bij wet verboden is. Maar niemand die ingrijpt. Kennelijk heeft de Marokkaanse overheid er belang bij dat de toestand zo blijft.

Onze kinderen zijn intussen van de eerste schrik hersteld, omdat hun derde school relatief liberaal is. Niettemin moeten ze nog steeds zo nu en dan aanzien hoe hun klasgenoten pijn lijden. ‘Het is zo zielig’, zeggen ze tegen ons. Wij leggen uit dat we niets met al dat geweld te maken willen hebben en dat we hier tijdelijk zijn. Soms zijn we hoopvol gestemd. Laatst werd Said bij school aangesproken door een moeder. ‘Ik heb gehoord dat jullie tegen slaan zijn’, zei ze. Dat kon Said beamen. De moeder ging verder: ‘Mijn kind is gisteren geslagen, wat moet ik doen?’ Soms is het leven simpel. ‘Ga naar de leraar en de directie en eis dat het nooit weer gebeurt’, zei Said.

Wat ook opvalt, is dat de Nederlandse Marokkanen die wij treffen onze verhalen over het slaan bijna nooit geloven. Ze hebben zelf allemaal klappen gehad en ze vertellen hoe ze bont en blauw uit de koranles in Nederland kwamen. Maar net als Said twee jaar geleden denken ze dat het iets van vroeger is, ook in Marokko.

In de trein spreek ik een Nederlandse Marokkaan. Hij is bezig te verhuizen naar Casablanca. ‘Hebben jullie ook gemerkt dat hier op de scholen wordt geslagen?’, vraagt hij. ‘Het is toch idioot’, zegt hij. ‘Je betaalt hier voor het onderwijs en in ruil daarvoor worden je kinderen geslagen. Laten we actie ondernemen.’

Graag. Maar één ding staat voor ons vast: wij wachten niet tot de mores in Marokko zijn veranderd. Wij zijn al veel eerder terug in Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden