De Gentse Rocky

Eindelijk heeft Jan Hoet het voor elkaar: zijn Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent gaat open. Het heeft hem bijna 25 jaar strijd gekost....

door Paul Depondt

'JA, HIJ TRAINT. Tenminste, hij rookt wat minder', hoor je in het museum. 'De conditie van onze Jan is uitstekend.'

De Gentse museumdirecteur Jan Hoet, ooit gepolst voor het directeurschap van het Stedelijk Museum in Amsterdam en van Boijmans in Rotterdam, weert zich in het leven 'als een duivel in een wijwatervat'. Na bijna een kwart eeuw knokken, heeft hij nu eindelijk een museumgebouw.

Ooit liet hij in een huis-aan-huis-blad een betaalde annonce zetten: museumdirecteur zoekt museum. Want hij was 'directeur zonder museum'. Al die tijd bivakkeerde hij in enkele zalen van het Museum voor Schone Kunsten omdat het stadsbestuur maar geen oplossing kon bedenken. Toen het niet-bestaande museum voor hedendaagse kunst zijn tienjarig bestaan vierde, hing Hoet alle plannen die door de politici in al die jaren waren bedacht aan de kale wanden van zijn spookmuseum. Nu hij eindelijk onderdak heeft, gaat hij binnenkort met pensioen.

In zijn jonge jaren is hij nog bokser geweest. Hoet heeft een onuitputtelijke wilskracht en een onstuimig temperament. Elke dag slaat hij met zijn vuisten op een punchball. Hoet oogt sportief, sexy zelfs; hij heeft echte boksershanden, met stevige knokkels. The Bulletin portretteerde hem ooit als 'Belg met het meeste sex-appeal', een charmeur en eeuwige verleider, 'een geboren versierder', die altijd en overal zijn zin krijgt.

Soms, vooral wanneer hij praat, brengt hij dat kleine mannetje met de blonde snor en de ouderwetse hoornen bril in herinnering uit Hans Magnus Enzensbergers Lofrede op de eigenzinnigheid. 'Allemaal puree', zegt dat mannetje. 'Soms weet ik zelf niet meer wat ik denk.' De brij in zijn hersens is taai en volumineus, maar tegelijk ook scherp en uitdagend. Niets dan aarzelen, lang wikken en wegen, ontwijken maar uiteindelijk toeslaan. Zoals in het boksen.

Je kunt er geen vat op krijgen. Hij praat veel, heel veel. Hoet is geen schrijver. Voor sommigen is hij 'een gorilla die vrolijk op zijn borst roffelt' en 'eindeloos buffelachtige onzin' vertelt. Het orakel van Gent. 'Jan Hoet peinst er het zijne van', schreef Hugo Claus in Paean voor Jan Hoet, 'en verandert zijn peinzen naar gelang.' Zijn leven 'leest als een schelmenroman', zegt Hoet-biograaf Max Borka. Hij werkt aan een boek over de museumdirecteur, maar de brij is te volumineus. Dikke puree - zoals bij het mannetje van Enzensberger.

'Jan Hoet is geen museum maar een kerk', vertelt Borka. In de in 1989 verschenen Monologen met Jan Hoet zegt de Gentse directeur: 'Voor priester spelen bevalt mij wel. Ik wil mij uitdrukken, voortdurend alles meedelen wat ik voel en denk. (...) Ja, ik wil bekeren, ben een missionaris in hart en nieren. Het heeft ook te maken met mijn duizenden twijfels.' Habemus Papam, schreef zijn tegenstander Frans Boenders in het vlijmscherpe Kunst zonder kader, museum zonder hoed (1991), toen Hoet artistiek directeur was van de Kasselse Documenta, de grootste manifestatie voor hedendaagse kunst. 'Uit het bataljon elkaar in de weg lopende cultuurkardinalen kiest het buitenland af en toe een regionale mascotte.' Maar Hoet is strijdvaardig, slaat terug: 'Ik ben bang van fans, dan nog liever vijanden.'

De 63-jarige Jan Hoet neemt weer de handschoen op. 'In de ring hebt ge maar één ding nodig', zegt hij, 'en dat is uw hart.' De Amerikaanse kunstenaar Dennis Bellone, 'die veel jonger is, zeker twee keer zo jong', heeft hem uitgedaagd ter gelegenheid van de opening van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst. Het S.M.A.K. - 'schoon eh, prachtig toch, smak!' - organiseert op 8 mei een bokswedstrijd in het beroemde Gentse Kuipje, 'waar de groten nog hebben gebokst', de kunstenaar versus de museumdirecteur, Bellone tegen Hoet.

Het wordt een olympisch gevecht. 'We gaan winnen, ja, winnen!', vertelt Hoet geestdriftig. Hij is geen verliezer. Hoet wordt daarom weleens met de legendarische Belgische voetbalcoach Raymond Goethals vergeleken, zijn evenbeeld, 'als twee druppels water'. Daar is hij 'wreed blij' mee. 'Fantastisch: kijk, daar loopt Goethals. Raymundo!'

Ex-bokskampioen Freddy de Kerpel, die Hoet coacht, stond onlangs weer eens tussen de touwen, oog in oog met Jean-Pierre Coopman, de beruchte 'leeuw van Vlaanderen' die ooit in San Juan tegen Mohammed Ali heeft gebokst. Ook Hoet was er weer, bij de boksring, enthousiast en zoals altijd swingend: 'Wreed schoon, eh? Fantastisch!' Hij traint, elke dag hardlopen en boksen, 'en minder sigaretten roken'. Hoet is een kettingroker, maar De Kerpel is strikt: zes of zeven, meer niet, 'geen twee pakjes meer per dag.'

De Gentse Rocky heeft Karel Seys nog zien boksen, 'de kampioen onder de Belgische kampioenen', en zelfs Marcel Cerdan. 'Dat was een prachtige bokser met een uitzonderlijk charisma, die op zijn tegenstander toestapte zonder enige dekking, zonder zijn borstkas met zijn armen te beschermen. Met open garde. Hij stond tegenover zijn tegenstrever, kwetsbaar, en dacht: wat doet gij nu?' Mohammed Ali was ook zo'n bokser. 'Vaak liet hij maar kloppen en slaan, en doen en hup, en dan in één keer hop, en 't is gedaan.'

De boksring is voor de museumdirecteur een metafoor voor de kunsten: boksen is, net zoals het maken van een tentoonstelling, 'een subtiel spel'. Je laat je op sleeptouw nemen, je bent de speelbal van je tegenstander en van het publiek. 'Je neemt risico's, je vecht. Het is ontwijken en toeslaan, zoals in de ring. Cerdan straalde een autoriteit uit waarmee hij zijn tegenstander nog voor er één klap was gevallen psychologisch al had gevloerd.'

Hoets vader was psychiater en tandarts. Hij keurde ook boksers. Zijn vader, die kunstverzamelaar was en met zijn zoon Jan kunstenaarsateliers bezocht, heeft zelf gebokst en 'kon daar meeslepende verhalen over vertellen'. Cerdan en Edith Piaf kwamen bij hem thuis. En Joseph Beuys, en Constant Permeke. 'Mijn vader was een moeilijk en veeleisend man. En ik mocht van mijn ouders niet boksen.'

De familie woonde in het Vlaamse Geel, in de psychiatrie bekend omwille van zijn 'open inrichting'. De psychiatrische patiënten woonden bij de dorpelingen. Daar leerde Hoet 'de zotheid' kennen, het irrationele. 'Tijdens de oorlog, in een dorp met zeven- of achtduizend gekken, zag ik de Duitsers binnenkomen, in perfect gelid. Er is toch geen groter contrast mogelijk? En wij bootsten de patiënten na, tegenover de Duitsers, geestig, ze vonden hun weg niet in Geel, dat was schitterend.' Er woonden 'vijf zotten' bij hem thuis. Zijn vader was psychiater en directeur van de inrichting in Geel. Op een dag sloeg een van de inwonende vrouwen de ramen aan diggelen, 'en ik werd toen door mijn moeder in haar bebloede armen gelegd, onvergetelijk'.

Speelgoed kreeg Jan nooit. 'Zelfs Sinterklaas werd zonder pardon overgeslagen.' Geen zakgeld ook. Als kind verzon hij allerlei middeltjes om aan geld te komen. 'Ik heb goocheltrucs uitgevoerd, wormen opgegeten, touwtjes in mijn neus gestopt en ze er langs mijn mond weer uitgetrokken, de gekste dingen.' Hij is ook nog vuurspuwer geweest. Toen klom hij op een van de tafels van het deftige Oostendse restaurant Hotel du Parc om vuur te spuwen. 'Dankzij de vlammen kon ik iedereen op een afstand houden.'

Niemand heeft hem ooit knock-out kunnen slaan, 'maar af en toe was ik wel behoorlijk groggy na een gevecht'. Boksen, zegt Hoet, 'heeft net als kunst met ruimtegevoel en ritme te maken. Waarom heeft een boksring de afmetingen die hij heeft? Als hij groter zou zijn, zou je kunnen gaan lopen. Als hij kleiner zou zijn, zou je niet goed meer kunnen vechten. Boksen is een van de lastigste sporten die ik ken. Altijd is er de spanning van winst en verlies, van absolute eenzaamheid ook. En vooral: je kunt niet wegvluchten, want je staat in een ring.'

HIJ MOEST altijd opboksen tegen de Gentse politici, tegen het Vlaamse ministerie van Cultuur en tijdens de organisatie van de Documenta tegen de deelstaat Hessen, de stad Kassel en de plaatselijke maffiosi. Na bijna een kwart eeuw strijd, ook met de vuisten, gaat nu eindelijk het museum open. Hoet is een vechter. Hij ging zelfs de Gentse burgemeester Jacques Monsaert te lijf. 'Er was veel volk in het museum, bij een of andere opening, en ik was trots. De burgemeester zei streng: ge moet niet zo hoog van de toren blazen. Ik werd kwaad en heb hem uit het museum gebokst.'

Op de vijfde Kasselse Documenta stond Joseph Beuys tussen de touwen tijdens zijn Boxkampf für direkte Demokratie, een adembenemende en spectaculaire happening. 'Dat ging over de oorlog, de bevrijding, de zuiverheid, het Duitse verleden. En nu, nu is het weer oorlog, en daarom ga ik ook boksen. Dat is fair, een oorlog niet. Er is een scheidsrechter. Er zijn afspraken. Er zijn gewichtsklassen. Dat heb je niet in een oorlog. Nu verbazen Amerikaanse militairen zich over het feit dat er drie soldaten zijn gevangengezet, maar het is toch oorlog zeker?'

Een vuistkamp, dat moet het worden. 'Wie kent er nu nog zijn geschiedenis? Weinig mensen. De Egyptenaren of de oude Grieken organiseerden bij de inhuldiging van hun tempels altijd een vuistkamp. Op reliëfs, zelfs ceremoniële reliëfs, staan zulke gevechten afgebeeld. De Romeinen hadden geen eerlijke vuistkampen; dat waren gladiatoren in een arena. Die hadden ijzeren handschoenen.'

Een vuistkamp heeft een ongelooflijke zuiverheid. Er zijn regels. 'Dat is niet gewoon kloppen en slaan. Het heeft veel te maken met karakter, met concentratie, met reflexen. Je moet alert zijn, zoals in een museum of bij het maken van een tentoonstelling. Weet je dat Edy de Wilde van het Stedelijk Museum en ook Pontus Hulten (eerste directeur van het Parijse Centre Pompidou) nog hebben gebokst? En ook kunstenaars, de dadaïstische dichter-bokser Arthur Cravan, Jörg Immendorff, Armando. Boksen is een performance.'

Je leert je beheersen. 'Coopman, dat is een heel goede mens, ongelooflijk zachtaardig. Een kermisexploitant. En hij spreekt drie talen. Je leert door boksen respect hebben voor anderen. Die Mike Tyson was in heel verkeerde handen. Hij dacht dat hem niks meer kon overkomen. Zoiets loopt uit de hand. Wablief? Dat ik Tyson, toen hij werd veroordeeld, heb verdedigd? Iedereen kan door de politie opgepakt worden, en dan zeggen ze: Jan Hoet meent dat het iedereen kan overkomen dat je verkracht. Dat heb ik nooit gezegd. Ik zei: ik kan morgen ook opgepakt worden.'

Begin jaren vijftig is hij een keer 'blind geslagen'. Hij kreeg een slag op een zenuw. Drie dagen lang zag hij niets. Maar 'we waren met ons twaalven thuis, dus dat viel niet op'. De opstandige Hoet wilde kunstenaar worden, en zijn werk werd zelfs bekroond. Maar in de trein naar het West-Vlaamse Adinkerke, een willekeurige dag in de vroege jaren zestig, besloot hij ermee op te houden. Vanuit de trein had hij een prachtig Cézanne-landschap gezien, een Manet, maar geen Jan Hoet. En hij besloot kunstgeschiedenis te studeren. 'Ik wilde een groot kunstenaar zijn, maar was het niet. Je moet je werk kunnen beoordelen, judgement.' Dat doet hij nu tegenover het werk van anderen. Oordelen.

Vriendschap met kunstenaars is moeilijk. 'Rudi Fuchs heeft kunstenaars als vrienden. Dat kan ik niet. Met een vriend maak ik altijd ruzie. Ik zou verkommeren in een situatie waarin niemand mij een strobreed in de weg legt. Ik zoek sparringpartners, mensen die het met mij oneens zijn.'

Onlangs was Hoet een paar dagen in een 'regenachtig en winderig' Oostende, waar hij werkte aan de museumcatalogus. Hij was gelukkig en nerveus tegelijk, 'een beetje zoals een toekomstige moeder zich allicht voelt wanneer de bevalling nadert.' Tijdens het eten in het hotel boog een forse en zware man zich plots over Hoets tafel en begon hem de huid vol te schelden. 'Dat ze kerels zoals ik op een goeie dag wel klein zouden krijgen, met al mijn gezwets over kunst, dat ik een gevaarlijke vent was, dat hij me wel zou vinden, enzovoort.' De dikke man hield maar niet op.

'Even suggereerde mijn stijgende adrenalinepeil me om met hem op de vuist te gaan. Maar ik bleef wonderlijk kalm en vroeg alleen maar, en steeds opnieuw: maar waarom?'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden