De gemiddelde natuurliefhebber is pessimistisch

Nieuwe natte natuur weegt niet op tegen verdwijnen boerennatuur

Vraag de gemiddelde Nederlander naar zijn favoriete natuur en hij begint over het agrarische cultuurlandschap.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Tijdens de presentatie van het Living Planet Report over de ontwikkeling van de Nederlandse natuur sinds 1990, vorige week in Naturalis in Leiden, sprak ik kort met de Wageningse hoogleraar Frank Berendse. Hij was, zo zei hij, nogal sceptisch over de voorzichtig positieve uitleg van de uitkomsten in het rapport. Maar ja, mompelde hij er achteraan: 'Ik ben dan ook een pessimist.'

Ik schoot onwillekeurig in de lach, want ik herkende hierin de basishouding van veel mensen die de natuur een warm hart toedragen, namelijk: de mens is geneigd de natuur te vernietigen, als liefhebbers doen we ons best om die vernietiging af te remmen of te stoppen, maar dat is ongetwijfeld vergeefs. Koos van Zomeren schreef al, in zijn boek Naar de natuur, dat hij doorgaans in de natuur rondliep met 'een knagend gevoel van verlies'.

Ik denk weleens dat een licht melancholisch - en pessimistisch - levensgevoel het kenmerk is van de gemiddelde natuurliefhebber. Tot aan het begin van de jaren negentig had hij daarbij de feiten ook nadrukkelijk aan zijn zijde. Want de soortenrijkdom is bijna nergens ter wereld zo gekelderd als in Nederland, sinds het begin van de vorige eeuw. En ook het natuurareaal werd almaar minimaler. Natuurbescherming was dan ook voornamelijk een defensieve bezigheid, letterlijk behoudzuchtig. De naam van de grootste Nederlandse natuurorganisatie, Natuurmonumenten, zegt eigenlijk al genoeg.

Maar in de jaren negentig van de vorige eeuw kwam er vrij plotseling een ommekeer. Niet alleen viel de beslissing - met dank aan een aantal verlichte, liberale politici - om het natuurareaal uit te breiden, ook was daar opeens een nieuwe lichting natuurbeschermers. Nou, natuurbeschermers, dat nu juist niet, natuurmakers is het woord. Geheel in de Nederlandse traditie dat de mens - in ieder geval de Nederlander - eigenlijk alles kan maken, verschenen er bulldozers en graafmachines in het landschap. De natuurbouwers groeven nevengeulen in de uiterwaarden, zetten weilanden om in moeras, brachten grote grazers in als goedkope natuurbeheerders en ziedaar: nieuwe natuur. Voor veel klassieke natuurbeschermers was het gruwel, maar het enthousiasme van de natuurmakers was aanstekelijk; er viel weer wat te winnen, straalden ze uit.

Het rapport van vorige week, over de ontwikkeling van dierenpopulaties van 1990 tot 2013, ademt die veranderingen sinds de jaren negentig. Nieuwe natte natuur, de verbetering van de waterkwaliteit, vangstbeperkingen op de Noordzee. De meeste watergerelateerde soorten - vissen, libellen, watervogels - gingen er op vooruit. Voeg daar, simpel gezegd, de gemiddelde stabiliteit van dierenpopulaties op het land aan toe en je komt netto uit op een 'licht herstel'.

Waarom dan toch dat gevoel van verlies, niet alleen bij Frank Berendse, maar bij wel meer bezoekers van de bijeenkomst vorige week? Een deel van het antwoord is te vinden in het rapport zelf. Eigenlijk gaat het overal op het land slecht. In het agrarische cultuurland is de achteruitgang dramatisch, in natuurgebieden eigenlijk ook, en ook in stad en dorp lopen de dierenpopulaties gemiddeld in aantallen achteruit.

Alleen in de bossen is de toestand min of meer stabiel. En het gaat alleen beter met diersoorten die toch al algemeen waren, die zich op meerdere plekken thuis voelen. En dat kun je eigenlijk zien als slecht nieuws. Het zegt iets over ons landschap, dat almaar uniformer wordt.

Maar het echte antwoord zit diep in onszelf, vermoed ik. Vraag de gemiddelde Nederlander naar zijn favoriete natuur en hij begint over het agrarische cultuurlandschap. Dat geldt net zo goed voor natuurliefhebbers. Een kerkepad in het coulissenlandschap, een bosrand met akkertje, een bloemrijke weide met vlinders, een eikensingel met roggeveldje, orchideeën op de natte heide.

Het is de natuur van de pioniers van de natuurbescherming, Jac. P. Thijsse en Eli Heimans. En die van plantenman Victor Westhoff. Natuur die diep verweven was met het boerenland.

Fijn natuurlijk, zo'n moeras, en leuk dat het goed gaat met de zilverreiger, de lepelaar en de bever, maar het weegt toch lang niet op tegen verdwijnen van kemphaan, grauwe gors en ortolaan, en tegen het verstommen van het gejubel van de veldleeuwerik. Die boerennatuur verdwijnt, in het hele land. Dat verklaart, vermoed ik, het overheersende gevoel van verlies.

Dát, en die basishouding natuurlijk: het vermoeden dat de mens sowieso geneigd is om de natuur te vernietigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden