De gemanagede aap. Het brein sjokt achter de ontwikkelingen aan.

Het grootste deel van de evolutie leefde de mens in kleine, overzichtelijke groepen. De afgelopen decennia heeft de managerscultuur de mens van zijn overzichtelijke omgeving ontdaan. Wat doet dat met ons?

Wanneerfisfhetfbegonnen? Dat je, wanneer je in je nieuwe huis licht, water of televisie wilde hebben, eerst via een 0900-nummer naar een fokking computer moest bellen die je tien tot vijftien tergende minuten kwelde met een fokking keuzemenu voor hij je eindelijk doorverbond met een levend mens? En dat dat levende mens vervolgens zei dat je niet bij haar moest wezen maar bij haar collega, voor wie je een drie had moeten intoetsen in plaats van een twee, waarna het hele fokking circus opnieuw kon beginnen?


Dat je, als je vijftig euro naar je zusje wilde overmaken voor het verjaardagscadeau voor je moeder, niet meer naar het plaatselijke postkantoor wandelde, maar geacht werd met je laptop of je mobiel in te loggen op de bank, kopje 'internetbankieren' waarna je drie invoercodes moest intoetsen op de speciaal daartoe verstrekte 'random reader'?


Een kennis laat het stadje zien waar hij geboren is. Een mooi, klein vestingstadje is het; begin 13de eeuw kreeg het stadsrechten, eind 19de eeuw een treinstation. Bastions en kanonnen herinneren aan spannende belegeringen. Kijk, wijst de kennis. Daar was ooit de rechtbank. Iets verderop had je het ziekenhuis. In deze straat zat de school, en dat statige witte gebouw met die trappen - mooi hè - was vroeger het stadhuis.


Was, zat, had: al zijn zinnen staan in de verleden tijd. De scholen zijn allang gefuseerd tot onderwijsfabrieken, voor een bezoek aan het ziekenhuis moet je tegenwoordig een half uur rijden en het gemeentehuis ligt twee dorpen verderop. Het station is in de jaren zeventig van de vorige eeuw verdwenen. Er rijden nog wel bussen.


Lang geleden bouwden mensen steden om zich te beschermen tegen de gevaren van buiten. Hoge muren, stevige omheiningen en grachten markeerden de grenzen. Buiten de grenzen lag de grote boze buitenwereld; binnen de grenzen was je min of meer veilig. Als om tien uur 's avonds het papklokje klingelde, wist je dat de stadspoorten gingen sluiten en dat je snel je laatste bord pap naar binnen moest werken: bedtijd!


Nu wordt de boze buitenwereld door niemand meer tegengehouden. In de stad rent de schaalvergroting schaterend door de straten. Hij draait de slager, groenteboer, postkantoren en kleine ziekenhuisjes de nek om en zet in hun plaats grote, betonnen gebouwen neer die sprekend op elkaar lijken en waarvan je de ingang nooit kunt vinden. Eindeloos lange gangen hebben die gebouwen, met kamers die zo zijn genummerd dat na kamer 1.47 nooit kamer 1.48 komt, en je na een half uur zoeken alleen nog maar zin hebt om zachtjes te huilen.


In zijn boek Vloeibare tijden - Leven in een eeuw van onzekerheid wijdt de Poolse socioloog Zygmunt Bauman een hoofdstuk aan de hel van de moderne stad. 'Door een merkwaardige omkering van hun historische rol, en in tegenspraak met de oorspronkelijke bedoelingen van de stedenbouwers en de verwachtingen van de stadsbewoners, veranderen onze steden tegenwoordig snel van schuilplaatsen tegen gevaar in de voornaamste bronnen ervan', schrijft hij. 'Zwaar bewapende loopgraven (ontoegankelijke toegangswegen) en bunkers (versterkte en zwaar bewaakte gebouwen of complexen), bedoeld om vreemden af te zonderen, weg te houden en de toegang te versperren, worden steeds meer een van de opvallendste aspecten van moderne steden. Scheiden en afstand houden is de gebruikelijke strategie geworden in de stedelijke strijd om het bestaan.'


In de moderne stad creëert de mens zijn eigen getto, op veilige afstand van 'de ander', want die ander is een engerd. Gated communities suggereren veiligheid en overzicht die misschien nep zijn, maar die wel een lekker gevoel geven. Dat komt door de biologie.


Groepen

Mensen voelen zich goed in niet al te grote groepen, zegt Mark van Vugt, hoogleraar psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en gasthoogleraar aan de University of Oxford. Van Vugt schreef vorig jaar samen met natuurkundige Anjana Ahuja het boek De natuurlijke leider, gebaseerd op de lessen van de twee miljoen jaar oude geschiedenis van de mens.


De groepen waarin we ons behaaglijk voelen, zegt Van Vugt, hebben dezelfde omvang als de groepen waarin wij ongeveer 99 procent van onze evolutionaire geschiedenis hebben doorgebracht. 'Dat zijn overzichtelijke gemeenschappen van jagers en verzamelaars, bestaand uit families die bij elkaar zijn gevoegd tot wat ze in de antropologie bands noemen. Die groepen waren semi-nomadisch: ze trokken elke paar maanden naar een andere plek om daar een nieuw kamp op te richten.'


Door de schedelinhoud van de vroegste mens te vergelijken met die van andere apensoorten, kun je nagaan hoe groot die groepen ongeveer zijn geweest. Het gedeelte van het brein dat in onze evolutionaire geschiedenis het meest is gegroeid, is de neocortex. Die neocortex zorgt dat je kunt onthouden wie met wie ruzie had en waarom, voor welk mannetje je als vrouwtje enorm moet uitkijken en welke je best kunt vertrouwen. Een handig middel daarbij is de taal, die ons in staat stelt met elkaar te communiceren over mensen die niet aanwezig zijn.


Vergeleken met andere apensoorten is de neocortex van de mens erg groot. Die is zo gegroeid omdat we in grotere, gecompliceerde sociale groepen zijn gaan leven. Van Vugt: 'Chimpansees leven in gemeenschappen van dertig, vijfendertig individuen; bij ons komen we op 150. Dat is nog altijd ongeveer het aantal mensen dat je maximaal kunt kennen. Het aantal mensen met wie je werkelijk intiem verbonden bent, is veel kleiner: vier, vijf stuks.'


Miljoenen jaren trok de mens in zijn groepje rond; pas ongeveer tienduizend jaar geleden stopte hij met achter het wild en de bessen aan te rennen, vond hij de landbouw uit en ging hij zich vestigen, aanvankelijk in Mesopotamië en inmiddels over de hele wereld. Een nieuw menstype deed zijn intrede: de manager. Mark van Vugt: 'Dorpjes en nederzettingen moesten worden verdedigd, het voedsel verdeeld, er moesten ingewikkelde systemen worden bedacht. De eerste institutionele leiders dienden zich aan.'


En er ontwikkelde zich een hiërarchie. 'Mensen gingen bezit vergaren. En zodra mensen rijkdommen gaan vergaren, willen ze ermee pronken, willen ze hun status laten zien. Er ontstonden machtsverschillen.'


De jagers-verzamelaars waren nog tamelijk egalitair; daar kon niet echt een big man of een leider geïdentificeerd worden. Dominantie en arrogantie werden niet getolereerd. Je was afhankelijk van de groep - we zijn primaten, we leven in de groep en gaan erin dood - dus paste je je aan.


In het huidige tijdsgewricht is die hiërarchie er nog altijd. Maar ze is niet meer voorspelbaar en ook niet stabiel. Niet alleen de steden zijn van functie veranderd; volgens de socioloog Zygmunt Bauman is de hele samenleving diffuus geworden, 'vloeibaar', zoals hij dat noemt. De moderne gemeenschap kent geen vaste structuur meer, maar is een matrix van toevallige verbintenissen waarop je geen peil kunt trekken.


En die samenleving wordt 'gerund' door managers met vage titels op hun visitekaartje. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett, die sinds begin jaren zeventig onderzoekt hoe mensen werken, beweert dat nieuwe technologieën, mondiale markten en bureaucratische omgangsvormen de gemiddelde werkende mens vooral ongelukkig maken. Zijn carrière verloopt zo grillig dat hij zijn werkzame leven niet meer als één verhaal kan zien, maar alleen in stukjes. 'Zonder een duidelijk gevoel voor hoe zij hun werk in de tijd moeten structureren, raken de mensen verward, zo niet gedeprimeerd over wat ze moeten doen', schrijft hij in De mens als werk in uitvoering.


Wanneer zijn we gestopt met leven volgens onze natuur?


Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden, meent Mark van Vugt. 'Aan de ene kant kun je zeggen: we leven nog steeds op een manier die bij ons past en in een omgeving die we prettig vinden. We zijn op zoek naar een seksuele partner en kiezen die uit ons sociale netwerk; we zorgen dat we intieme contacten hebben, te eten krijgen, enig aanzien genieten.'


Aan onze basisbehoeften wordt nog altijd voldaan. 'We kunnen niet beweren dat onze soort samenleving, met de structuren die we hebben opgebouwd, geen succesformule is. Dwars door alle schaalvergroting heen zijn we bovendien voortdurend op zoek naar manieren om direct met elkaar te communiceren. Facebook, Twitter en de mobiele telefoon stellen ons in staat verder van elkaar te wonen en toch een gevoel van intimiteit te ervaren.'


Vervreemding

Tegelijk kun je je afvragen in hoeverre eigenschappen die in lang vervlogen eeuwen nuttig waren, dat in deze tijd en omgeving nog zijn. 'Tot tienduizend jaar geleden, in die jagers-verzamelaarsgroepen, beheerste een individu alle facetten van zijn bestaan. Hij kon een beetje jagen, hij wist hoe hij een zwijn moest bereiden. Als gevolg van de landbouwrevolutie en later de industriële revolutie is er een enorme specialisatie ontstaan. Nu heb je mensen die zelfs niet eens meer een punaise maken, maar alleen nog het dópje op die punaise doen. Dat werkt heel vervreemdend. Tussen de manier waarop we nu leven en het leven dat we het grootste deel van onze evolutionaire geschiedenis hebben geleid, bestaat beslist een mismatch. De culturele veranderingen gaan veel sneller dan de biologische evolutie, en soms gaan ze ook té snel.'


Op een prettige manier overleven kan een mens alleen als rekening wordt gehouden met de beperkingen van ons sociale brein. Van Vugt: 'Je kunt best grotere sociale structuren creëren, zolang je er maar voor zorgt dat die toch iets kleins houden. Bij mijn Vrije Universiteit werken ruim 20 duizend mensen. Dat kan alleen goed gaan doordat die mensen zijn verdeeld over faculteiten en vervolgens over afdelingen. Voor mij is de VU mijn eigen afdeling, die inderdaad ongeveer 150 mensen telt. Organisaties kunnen groter groeien, onder druk van concurrentie en competitie, maar als ze niet óók dat kleinschalige houden, gaat er iets fout. En dat zie je in deze tijd van schaalvergroting nogal eens gebeuren.'


Ook de 'middenmanager' is een evolutionaire noviteit die geregeld tegen de mismatch aanloopt. Van Vugt: 'Als hoofd van de afdeling zit je tussen twee vuren. Je bent niet de echte baas, die zit hoger; maar je kunt ook niet één met je afdeling zijn. Vandaar dat al die middenmanagers zoveel stress ervaren en dat daar zoveel ziekteverzuim heerst.'


Willen bedrijven en overheden succes hebben, dan moeten ze in alles wat ze doen rekening houden met de aap in ons. En die wil tegenstrijdige dingen. Van Vugt: 'Aan de ene kant is er behoefte aan voorspelbaarheid en controle, wat tot zoiets als schaalvergroting leidt; aan de andere kant houden we een ontzettend sterke behoefte aan intieme relaties en informele contacten, met weinig machtsverschillen. Die verdragen elkaar niet goed.'


De truc is om manieren verzinnen om direct en informeel te communiceren, zegt Van Vugt. 'Leiders moeten zichzelf zichtbaar maken, blootgeven, want zo zijn we biologisch nu eenmaal geprogrammeerd: we willen graag iemand volgen, maar alleen als we denken dat we hem redelijk kennen, en vermoeden dat hij ons iets te bieden heeft. Persoonlijk contact, of op zijn minst de suggestie daarvan, is ongelooflijk belangrijk. Laat je zien.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden