De gelukzalige toestand van een demissionair kabinet en een trage formatie

Het spel en de knikkers

Wat is fijner dan een demissionair kabinet en een trage formatie? Althans, als de economie fijn op stoom is en er zich geen acute internationale crises aandienen? In zo'n situatie is het nog fijner als het demissionaire kabinet nog struikelt ook.

Deze gelukzalige toestand ligt binnen handbereik. Lodewijk Asscher (PvdA), vicepremier in het demissionaire kabinet-Rutte, ligt op aanvaringskoers met fractieleider Halbe Zijlstra (VVD). Het gaat om extra begrotingsgeld voor leraren. Met een beetje goede wil houdt Zijlstra de poot stijf, stapt de PvdA uit het demissionaire kabinet en past een rompkabinet van VVD'ers nog een tijdje op de winkel. De formerende partijen waren al op zomervakantie, allicht dat ze ook vast een weekje herfstvakantie kunnen plannen.

Waarom zo opgetogen? Omdat de economie floreert bij ontstentenis van Haagse sturingskunst.

Floreren? Ja, een dikke 2 procent economische groei dit en volgend jaar mag in de historische context geen uitschieter heten - in de jaren negentig van de vorige eeuw zaten we weleens boven de 4 - maar voor het Nederland van de 21ste eeuw is zo'n groeipercentage hoogconjunctuur. De werkgelegenheid groeit sterk en de werkloosheid, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onlangs, is onder de 5 procent gedoken. Alle conjunctuurindicatoren staat op groen.

Het economische hoogtij brengt de schatkist in snel tempo op orde. Voor dit en volgend jaar verwacht het Centraal Planbureau een oplopend begrotingsoverschot, waardoor de staatsschuld volgend jaar zal uitkomen op zo'n 55 procent van het nationaal inkomen, ruim onder de 60-procentsnorm uit Brussel. Zo bouwt Nederland een buffer op voor als de conjunctuur omslaat - en omslaan doet de conjunctuur nu eenmaal altijd.

Deze combinatie - een hoogconjunctuur waarin de schatkist voller wordt - is even ideaal als zeldzaam. In zijn tijd als minister van Financiën, in diezelfde jaren negentig waarin de economische groei weleens 4 procent was, heeft de huidige formateur Gerrit Zalm (VVD) dit ideaal luidkeels bezongen.

Dat het ideaal zelden wordt bereikt, komt door bestedingsdrang bij politieke partijen. Als de economie lekker draait en de schatkist een overschot vertoont, ontstaat er maatschappelijke en politieke druk om deze of gene misstand te smoren met een kruiwagen euro's. De misstand van de dag heet dus lerarensalarissen. Maar het had net zo makkelijk iets anders kunnen zijn, afhankelijk van de lobbykracht van gevestigde partijen en het alom aanwezige toeval.

Voor politici is de verleiding nauwelijks te weerstaan. Niet alleen omdat de maatschappelijke druk groot kan worden, en ook niet omdat partijen hopen dat met extra geld extra loyaliteit wordt gekocht bij de kiezer - al zijn dat belangrijke voordelen. Zwichten doen politici uiteindelijk omdat ze zelf de consequenties van de extra bestedingen niet hoeven dragen. Een overschot kweken in een hoogconjunctuur is vooral fijn voor het volgende kabinet dat moet regeren in een crisis. Formeler geformuleerd: de tijdshorizon van verstandig begrotingsbeleid (in principe: de eeuwigheid) is langer dan de tijdshorizon van een formatie (4 jaar).

En daarom is het dus een zegen dat er nu even geen missionair kabinet zit om voor de verlokkingen van de sirenen te bezwijken en dat de begroting voor 2018 'beleidsarm' in elkaar wordt geschroefd, zonder nieuwe grote plannen.

In dit licht is ook goed te begrijpen dat juist de PvdA nu bestedingsdrang voelt: de partij kan gratis geld uitdelen, want ze draagt de komende jaren geen verantwoordelijkheid. Daarom de komende tijd liever een rompkabinet van VVD'ers en een recordformatie met herfst- en, waarom niet, kerstvakantie.

Meer over