De gelukkige klas

Je witte kind naar een zwarte school sturen? Er zijn maar weinig ouders die het aandurven - en andersom komt het nog minder voor....

De jongste dochter van Mickelle Haest zit nog maar een paar dagen op school als ze zegt: ‘Ik ben verliefd op Abel Bakker.’ Een week later komt Haest in de klas, vraagt haar dochter om Abel aan te wijzen, verwacht een blond koppie maar kijkt in het gezicht van een Marokkaans jongetje. Aboubakr heet hij. Haar dochter zegt: ‘Hij is stoer en hij noemt me bloempje.’ Gek toch, zegt Haest, dat ze nog bijna dagelijks geconfronteerd wordt met haar eigen vooroordelen. En dat terwijl het mengen van basisscholen – van zwart naar gekleurd dankzij de instroom van autochtone kinderen – een initiatief is dat zo’n beetje bij haar is begonnen. In 2002 besloot ze samen met haar buurvrouw niet te worden als andere hoogopgeleide blanke ouders uit het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes: ‘Wel hier komen wonen omdat de huizen betaalbaar zijn, maar niet hier willen leven. Elke ochtend zagen we ze gaan, met hun kinderen in de bakfiets, op weg naar een witte school in een wit deel van de stad. Ik wilde dat Isidore, onze oudste, gewoon met kinderen uit haar klas op straat kon spelen.’ Ouderinitiatieven heten ze: autochtone vaders en moeders die gezamenlijk hun kinderen naar een zwarte school in de wijk brengen. De afgelopen jaren zijn er 54 geteld; in de vier grote steden, maar ook in Deventer, Dordrecht, Arnhem, Amersfoort. De grote steden zijn blij met de initiatieven. Ze proberen al jaren de segregatie in het basisonderwijs tegen te gaan, met als argument: in een multiculturele samenleving horen kinderen van verschillende achtergronden bij elkaar in de klas te zitten en van elkaar te leren. Het kabinet reageert halfslachtig. In plaats van de in het regeerakkoord aangekondigde vaste aanmelddagen voor basisscholen – zodat autochtone ouders hun kinderen niet eerder kunnen aanmelden dan allochtone , en witte en zwarte scholen in stand blijven – heeft staatssecretaris Dijksma een rondje pilots aangekondigd om te onderzoeken welke maatregelen het beste werken om segregatie tegen te gaan. Het gros van de autochtone ouders moet helemaal niets hebben van ouderinitiatieven. In 2006 zei slechts 12 procent zijn kind naar een zwarte school te willen sturen. ‘Ik zal eerlijk zijn’, schrijft J. de Ruijter uit Maassluis op AD.nl, ‘mijn blonde meisje gaat dus niet naar een zwarte school.’ En Marijke Fontijn uit Rotterdam: ‘Je kind naar een zwarte school sturen? Je bedoelt je kind naar een slechte school sturen! Waar heeft mijn kind in godsnaam Arabische les voor nodig?’

‘Hé, dat is de moeder van Ibrahim’, denkt Carine Holties als ze de vrouw tegenkomt die ze voorheen als ‘weer zo’n vrouw met hoofddoek’ zag. Carine Holties woont in Amsterdam-Oost, een paar honderd meter van de plek waar Theo van Gogh werd vermoord. Tweederde van de bewoners van die buurt is allochtoon. Carines dochter van 6 zit sinds een half jaar op De Kraal, aan de overkant van het plein waar ze woont. De Kraal is een zwarte school. Van de leerlingen is 37 procent van Turkse en 53 procent van Marokkaanse afkomst. Zana, Carine’s dochter, is het enige blonde meisje in groep 3. De onderbouw begint, dankzij een ouderinitiatief, sinds een jaar een beetje te verkleuren. Holties had ze allemaal gehoord, de redenen om niet te kiezen voor een zwarte school. Dat er geen andere Nederlandse kinderen op het schoolplein rondlopen. Dat alle aandacht naar de kinderen met een taalachterstand gaat. Dat je geen aansluiting vindt bij andere ouders. Familieleden hadden hun wenkbrauwen opgetrokken toen ze hoorden van haar plan om Zana bij De Kraal in te schrijven, en zeiden: ‘Als er iets misgaat, haal je haar er meteen af.’ Maar wat zou er moeten misgaan? Misschien kan ze er na een half jaar nog niet goed over oordelen, maar dit is wat Holties ziet: kleine klassen met bevlogen leraren; iedereen enthousiast over de schoolkrant die zij heeft geïnitieerd; een dochter die speelt met wie ze aardig vindt. ‘Ze heeft een goede Marokkaanse vriendin, en een Turks en een Hindoestaans vriendje. Vandaag kreeg ik koekjes van zijn moeder, omdat de vader van de god Ganesha jarig is. Ze zei: ‘Ik heb ook voor jullie gebeden.’ Dan denk ik: wat hebben wij Nederlanders toch een karige cultuur.’ Natuurlijk, in het begin heeft ze ook moeten wennen dat ze als een van de weinige vrouwen met haar haren los tussen de hoofddoekjes stond. ‘Maar we zijn allemaal moeders, met dezelfde zorgen en dezelfde wensen: dat het goed gaat met onze kinderen.’ Holties wil daarom ook niets horen van de tegenwerpingen van critici: dat allochtone ouders niet betrokken zijn bij het onderwijs van de kinderen, niet komen opdraven bij sportdagen of kerstdiners. ‘Witte ouders, en zeker de hoogopgeleide, weten allemaal heel goed wat ze willen van een school. Ze willen op de hoogte worden gehouden, ze willen inspraak via medezeggenschapsraden, ze willen veel culturele activiteiten voor hun kinderen. Heel veel islamitische ouders willen dat ook. Ze zijn alleen veel bescheidener, en niet gewend te roepen: hallo, hier ben ik, luister naar me.’

De katholieke St. Janschool, de school van de kinderen van Mickelle Haest en, met De Vierambacht in Rotterdam, de eerste school waar een ouderinitiatief werd gestart, was in 2001 een zwarte school. In de onderbouw zaten 42 ‘1.9-kinderen’: kinderen voor wie de school extra budget krijgt omdat hun ouders niet geboren zijn in Nederland, ze laagopgeleid zijn, niet de beste banen hebben. Zes jaar later is dat aantal bijna gehalveerd, zijn de klassen tot en met groep 5 gemengd in een verhouding van de helft allochtoon en de helft autochtoon, is het aantal klassen op school verdubbeld en werd de eerste baby van vijf weken op de wachtlijst geplaatst. Vraag directeur Jan Bakker wat de belangrijkste veranderingen zijn die zijn school heeft doorgemaakt en hij gaat er in de lerarenkamer op de derde verdieping eens goed voor zitten. Allereerst, waarschuwt hij, moeten we een zwarte school natuurlijk niet per definitie gelijkstellen met een slechte school. De St. Janschool had goede Cito-scores, ze deden leuke dingen, en als er één lijfspreuk virtueel in de voorgevel stond gebeiteld, dan was het deze: alle kinderen zijn gelijk. Toch, zegt Bakker, eerlijk is eerlijk: de St. Janschool van nu is niet meer dezelfde als die van zes jaar geleden. Het taalniveau van alle kinderen is sinds de witte instroom met sprongen omhooggegaan. De betrokkenheid van de ouders is vergroot, ook die van de allochtone. Het onderwijs is gedifferentieerder. Werd er vroeger klassikaal, op één niveau, lesgegeven, nu gebeurt dat op drie niveaus. De school heeft ook een profiel gekregen: veel kunst en cultuur, met als jaarlijks hoogtepunt de openluchtopvoering van een toneelstuk op het Kortenaerplein aan het einde van de straat. Maar Bakker wil niet dat zijn school te veel verwit. Hij kent de theorie van de wetenschapper Bowen Paulle die de komende jaren in Amsterdam-West wordt getest: bij welke verhouding leren kansarme en kansrijke kinderen het meest van elkaar? Paulle denkt: bij 70 procent kansrijk en 30 procent kansarm, want dan presteert die 70 procent nog net zo goed als op een witte school, en die 30 procent trekt zich daaraan op. Bakker: ‘Ik wil liever een buurtschool blijven die voor iedereen toegankelijk is. Bij 40 procent allochtoon en 60 autochtoon zetten we de rem erop.’

Toen Mohammed Sghir zijn dochter acht jaar geleden aanmeldde bij Pluspunt, een witte school in de witte wijk Prinsenland in Rotterdam, was ze een van de weinige kinderen met een kleurtje. Dat is ze nog steeds. Ook als lid van het Platform Allochtone Ouders in het Onderwijs ziet Sghir weinig mensen die zijn voorbeeld volgen. En collectieve initiatieven – van witte naar gekleurde school dankzij de instroom van allochtone kinderen – ziet hij al helemaal niet. ‘Ik vind het vreemd’, zegt Sghir. ‘Ik hoor van veel allochtone ouders dat ze het jammer vinden dat hun kind op een zwarte school zit, maar ze ondernemen geen actie.’ Goed, een allochtoon ouderinitiatief op een witte school is misschien nog te veel gevraagd. ‘Als je laagopgeleid bent, en uit een land komt waar eigen verantwoordelijkheid niet is aangeleerd, is de drempel van een witte school wel erg hoog. Want een witte school is in de ogen van veel allochtonen een school voor de elite.’ Maar een allochtoon ouderinitatief op een zwarte school? Moet kunnen, vindt Sghir. ‘Allochtone ouders willen graag dat hun kinderen met autochtone kinderen omgaan. Die vinden het erg als hun Marokkaanse zoon op school Turks leert praten in plaats van Nederlands. Maar dan moeten ze wel een extra inspanning leveren. Naar de tienminutengesprekken komen, en niet pas in groep 8, vlak voor de uitslag van de Cito-toets, maar al in groep 1. Betrokkenheid betekent ook: in oudercommissies gaan zitten, in de medezeggenschapsraad. Allochtone ouders moeten af van het idee dat de school de baas is, dat ze zelf geen invloed hebben, want die hebben ze wel degelijk.’ Voor Sghir en zijn vrouw was er destijds geen twijfel: ze woonden in Nederland, dan zouden ze ook leven tussen de Nederlanders. Dat betekende: verhuizen naar een witte middenklassewijk, en de kinderen naar een witte school. ‘Ik wilde voorkomen dat ze later, op de universiteit, voor het eerst in aanraking zouden komen met Nederlanders en dan zouden denken: hé, wie zijn dat? Ik wilde dat ze de Nederlandse cultuur leerden kennen, en vooral: dat ze accentloos Nederlands leerden spreken.’ Zeker, Sghir weet dat hij makkelijk praten heeft, met een goede opleiding, een koophuis, kortom, met genoeg bagage en de wil om in Nederland te integreren. Vaak genoeg hoort hij dat witte scholen kinderen van allochtone ouders niet graag zien komen, en dat ze die, als ze er al zitten, niet welwillend tegemoet treden. Laatst nog, een staaltje onvervalst racisme van een oud-directeur van een basisschool in Rotterdam. Die had gezegd: ‘Zolang ik hier op school zit, zal ik nooit een vwo-advies geven aan allochtone kinderen.’ Op Pluspunt heeft hij in die acht jaar heel andere ervaringen gehad. Hij wordt nooit benaderd als Marokkaan, maar als vader. Zijn dochter en zoon doen het goed op school. Hun vriendjes en vriendinnetjes zijn overwegend autochtoon, ze zijn nooit buitengesloten, ook niet van feestjes. ‘Mijn zoon vierde laatst zijn verjaardag. Er kwam één Marokkaans vriendinnetje, de rest was Nederlands. Dan ben ik trots.’ Eén keer is er een incident geweest, vlak na de moord op Theo van Gogh. ‘Jullie Marokkanen zijn gek’, heeft toen een meisje tegen zijn dochter gezegd. Dat heeft hem vreselijk geraakt. ‘Mijn vrouw en ik waren twee weken lang bang de straat op te gaan. Vroegen ons af: zullen we de kinderen naar school brengen of niet? We hoorden de reacties op tv, zagen de voorbeelden van agressie tegen Marokkanen. Er zijn dagen geweest dat we pas bij de tweede bel van school de deur uitgingen. Snel de straat over, kinderen naar binnen en terug.’

Mickelle Haest weet het best: dat niet elk verhaal van een gemengde school een succesverhaal wordt. Als oprichter van het Kenniscentrum Gemengde Scholen heeft ze contacten met directies van scholen, met gemeenten en met ouders. Wil een ouderinitiatief kans van slagen hebben, zegt ze, dan heb je, behalve een groep enthousiaste ouders en een welwillende schoolleiding, ook een buurt nodig waar dynamiek in zit. Een buurt met koop- en huurwoningen, waar hoog- en laagopgeleiden, wit en zwart door elkaar wonen, waar een sfeer heerst: we willen het met elkaar doen. ‘In het Amsterdamse Slotervaart, waar het merendeel allochtoon is en laagopgeleid, waar de huisvesting slecht is, waar de vlam regelmatig in de pan slaat – daar zou een ouderinitiatief nu niet van de grond komen. Wat ook belangrijk is: dat de zwarte school niet alleen maar Turkse of Marokkaanse kinderen heeft. Als zich dan een groep autochtone kinderen aanmeldt, krijg je twee groepen naast elkaar. Maar zitten er Turken, Marokkanen, Chinezen, Surinamers, Ghanezen, Polen en Nederlanders bij elkaar, dan mengt het beter.’ Carine Holties, lid van de klankbordgroep op haar school: ‘Nog een voorwaarde voor succes: erop hameren dat iedereen Nederlands spreekt op school, ook de moeders. Ik heb me in het begin weleens opgelaten gevoeld als ik twee moeders Turks in de gangen hoorde praten: hoe moet ik dat nu formuleren? Nu zeg ik het gewoon: wel Nederlands praten! En dan is niemand beledigd.’ Nog niet uitgesproken in de klankbordgroep is het verschil in opvoeding van islamitische jongens en meisjes. Op school zijn er duidelijke regels: tijdens het kringgesprek moeten jongens en meisjes om en om zitten. En de jongens doen gewoon mee met dansles en ze worden net zo streng gecorrigeerd als de meisjes. Holties: ‘Je moet niet bang zijn om alles bespreekbaar te maken. Ik hoorde een Marokkaans kind laatst tegen een klasgenootje zeggen: ‘Ik mag niet bij jullie komen spelen, want jullie geven kinderen taart met bier.’ Die vooroordelen over en weer kun je toch makkelijk uit de weg ruimen.

Onlangs waren alle ouders van de St. Janschool uitgenodigd voor een streetdance optreden. Isidore, de oudste dochter van Mickelle Haest, deed samen met haar klasgenootje Souraya mee. Toen na twee nummers Hey You van de Rock Steady Crew uit de luidsprekers klonk, stootte de moeder van Souraya Haest aan en zei: ‘O, dat is echt onze tijd.’ Haest: ‘Toen dacht ik: verdomd, jij bent gewoon hier geboren, wij delen samen een geschiedenis. Het is goed om je dat elke dag opnieuw te realiseren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden