De geliefde stemmen van Juan Rulfo VERZAMELD WERK VAN EEN POETISCHE MEXICAANSE VERTELLER

WIE AAN DE HAND van de Mexicaanse schrijver Juan Rulfo naar Mexico reist, belandt in contreien die hij in werkelijkheid vermoedelijk nooit zou durven bezoeken....

De vraag is ook of het kán, anders gezegd: of de vlakten die Rulfo schildert met hun subtiele kleurschakeringen, het moordende licht en de mensen in wier leven de macabere grijnslach van de dood even aanwezig is als de altijd zeurende honger, nog bestaan zoals Rulfo ze heeft gezien, want het is alweer enige tijd geleden dat hij erover schreef, en zelfs dit binnenland van Mexico verandert, neem ik aan, al zou ik afgaande op de hopeloosheid, vergeefsheid en treurigheid die Rulfo eraan verleent, niet weten hoe.

Op een bepaalde manier wordt met de vraag naar het werkelijkheidsgehalte van Rulfo's werk de essentie ervan aan de orde gesteld. Was hij een schrijver die zijn geboortestreek zo ontwapenend evoceerde dat de huiveringwekkende kanten ervan een haast pittoreske, om niet te zeggen aantrekkelijke gestalte aannamen? Of schiep hij met de hulp van zijn verbeelding een oeuvre dat ten eeuwigen dage boven die indringend geschetste, maar veranderende werkelijkheid hangt, een wereld op zichzelf, een luchtspiegeling, altijd in beweging, en telkens weer een uitdaging voor lezers om zich te verdiepen in de vraag wát Rulfo ons probeert duidelijk te maken?

Er is, voor lezers op grote Europese afstand, geen andere mogelijkheid deze vraag te beantwoorden dan door een andere vraag te stellen: de vraag niet naar het wat, maar naar het hoe. Hoe slaagde Rulfo erin bijvoorbeeld een vertelling als Pedro Páramo die merkwaardige poëtische kracht te geven die menige lezer - en onder hen niet de geringsten - tot lyrische exclamaties bracht (Gabriel García Márquez) of tot de eenvoudige constatering dat hier sprake was van een 'meesterwerk' (de emeritus hoogleraar Spaans in Leiden, Jan Lechner, die het boek vertaalde en het voorrecht heeft gehad Rulfo in Mexico persoonlijk te ontmoeten)?

In Nederland kenden we Rulfo tot voor kort maar van twee boeken: de verhalenbundel El Llano en llamas (De vlakten in vlammen), die in 1953 voor het eerst in Mexico werd gepubliceerd, en de roman Pedro Páramo uit 1955. Het zijn boeken die - voor degenen die in de jaren zestig en zeventig de Spaanse (en Portugese) literatuur van Latijns Amerika ontdekten - net zo adembenemend waren als het werk van de grote negentiende-eeuwse Russen indertijd voor westerse lezers moet zijn geweest.

Wie ze niet las, moet het enthousiasme van degenen die je deze boeken bij wijze van spreken opdrongen, ondergaan hebben als een lichte vorm van verstandsverbijstering. Zo geestdriftig werden wij in Nederland, schools gedresseerd in literair gezeur over thema's en motieven, niet geacht te reageren op boeken uit zulke landen, waar het revolutionaire elan, steevast door tirannen en hun generaals in bloed gesmoord, uiteraard wel een flinke scheut exotica aan de letteren toevoegde, maar dat was geen reden zulke boeken ook meteen serieus te nemen.

Die reactie, die gaandeweg door de ontdekking van werkelijk ongeëvenaarde schrijvers als Octavio Paz en Carlos Fuentes - om bij Mexico te blijven - in haar tegendeel omsloeg, trof bij uitstek Rulfo, niet hier, o, ironie, maar dáár in zijn eigen land. In de 'Autobiografische uitspraken' die in het nu gepubliceerde Verzameld werk zijn opgenomen, licht hij aan de hand van interviews die hij heeft gegeven, zijn doopceel. Daar zegt hij: 'Men heeft gezegd dat ik een boerse schrijver ben', waarmee bedoeld werd dat hij een streekromanschrijver zou zijn, en daar laat hij op volgen: 'Het kan me niet schelen dat er van me gezegd wordt dat ik een streekromanschrijver ben. Want ik weet niet wat ze ermee bedoelen.'

En terwijl hij nader ingaat op wat hij dan aan het schrijven is, De bergketen bijvoorbeeld, een roman die hij maar niet voltooid krijgt, druk als hij is met zijn werk op het Instituut voor Indiaanse Zaken, besluit hij zijn defense of poetry met deze zinnen: 'Mijn werk is niet dat van een journalist, een etnograaf of een socioloog. Wat ik maak is een literaire omzetting van de feiten uit mijn bewustzijn. De omzetting is geen deformatie, maar de ontdekking van speciale vormen van gevoeligheid.'

En met die laatste woorden schaart Rulfo, de bescheidene, de schrijver die elk woord wikt en weegt, die de taal van de mensen uit zijn jeugd tot klinken wil brengen (zoals die geklonken heeft en voorgoed vervluchtigd is als de damp van de schaarse regen in zijn land, Centraal-Mexico) zich onder de grote modernistische auteurs van deze eeuw.

Wie De vlakte in vlammen voor het eerst leest, zal nog vaak moeten denken aan de 'streekromanschrijver', want de vraag is of deze vertellingen je niet meer het gevoel bezorgen een verre reis door een onmogelijk land te maken dan dat ze je die speciale vormen van gevoeligheid doen ontdekken waarvan de auteur in zijn 'Autobiografische uitspraken' rept. De eerste keer. De tweede keer denk je er al anders over, hoewel je niet aan de indruk ontkomt dat het Nederlands zich niet voegt naar de simpele, 'eigen' taal die Rulfo tot de zijne maakte.

In zijn nawoord licht vertaler Lechner een tipje van de sluier op, als hij (iets te lang) uitweidt over de problemen die hij had met een zin waarin 'klitten' (huizapoles) 'opwaaien' in de wind. Mexicaanse klitten - het is met eigen ogen door Lechner geconstateerd - kunnen niet opwaaien in de wind, maar dat laatste woord (aventar) gebruikt Rulfo wel, mede door de associatie met levantarse, opstijgen, maar ook in opstand komen, waarmee hij verwijst naar de opstandelingen over wie het in dit verhaal gaat.

0 LS EEN VERTALER al bijna machteloos is op het strikt linguïstische niveau, hoeveel meer moet een Nederlandse lezer dan niet tekortschieten als hij ten volle wil beleven hoe Rulfo de taal gebruikt op een manier die recht doet aan wat hij wil zeggen, aan zijn pogingen om wat buiten ons gezichtsveld blijft naar voren te halen, aan wat dit land, en niet te vergeten deze mensen uit de streek waar hij in 1918 werd geboren, bezielt: hoe kariger zijn taal, moet hij gedacht hebben, des te zuiverder breng ik dit schrale land en zijn verzengde bewoners tot leven.

Misschien is hem dit - althans voor ons - nog het best gelukt in Pedro Párama, een korte roman, die na drie, vier keer lezen als een klankspel van stemmen in je gaat gonzen, pure poëzie die om de wonderschone klanken zelf genoten wil worden, als muziek, zonder dat je ooit de neiging hebt je af te vragen wát hier eigenlijk wordt verteld. O, het is een aangrijpend verhaal, over Juan Preciado, die van zijn moeder op haar sterfbed te horen krijgt dat hij op zoek moet gaan naar zijn vader, Pedro Páramo, een landeigenaar, die zijn eigen wetten stelt, een hardvochtige cacique, die pakt wat hij pakken kan. Preciado's moeder heeft hij alles afgenomen en het is dan ook aan de zoon iets van die rijkdom terug te halen.

Maar Juan komt nooit bij Pedro Páramo aan - die is dood - en zo wandelt de lezer met Juan niet Páramo's door (seksueel) geweld geregeerde koninkrijk binnen, maar een dodenrijk, dat niets dan herinnering is, een koor van stemmen, dat een voorgoed van de aardbodem verdwenen gemeenschap tot klinken brengt, ongetwijfeld via de herinnering van de mooie Dolores (Preciado's moeder).

Die complexiteit, die vorm, die eigenlijk zo eenvoudig is als je hem doorhebt, maakt Pedro Páramo tot een ondraaglijk mooi kunstwerk.

Van zo'n schrijver wil je meer lezen, streekroman of niet, maar Rulfo, die al heel jong als wees naar Mexico-Stad kwam en zichzelf leerde schrijven om de grondeloze eenzaamheid waaraan hij leed, te bestrijden (in dat opzicht lijkt hij op Franz Kafka, met wie Márquez hem vergeleek), slaagde er maar niet in iets soortgelijks aan zijn geest te ontwringen. Hij schreef wel, hij moest blijven schrijven, denk ik, maar wat het opleverde was niet veel meer dan fragmenten.

Nu zijn Verzameld werk is gepubliceerd, kan geconstateerd worden hoe klein dit oeuvre is gebleven en je kunt je zelfs afvragen of het nodig was Nederlandse lezers met al dit onvoltooide, al die fragmenten waaruit het Verzameld werk - op die twee voltooide boeken na - bestaat, op te schepen. Begrijpen we er Rulfo beter door?

In zeker opzicht kan die vraag met 'ja' worden beantwoord, want er is nu eenvoudigweg méér. Aan De vlakte in vlammen zijn drie verhalen toegevoegd die Rulfo zelf al in latere Mexicaanse edities had opgenomen. Voorts krijgt de lezer een aantal 'teksten' die met het oog op verfilming werden geschreven, zoals De beroving en De gouden haan, en in een deel 'Nagelaten verhalen en fragmenten' kunnen we de veelal onvoltooide stukken lezen die acht jaar na zijn dood in Los cuadernos de Juan Rulfo ('De cahiers van Juan Rulfo') werden gepubliceerd.

Men kan ook kennis nemen van de eveneens nooit voltooide roman La Cordillera (De bergketen), die in fragmenten is overgeleverd. Toen Lechner de schrijver er in 1968 naar vroeg - het was in de tijd dat de studenten in Mexico in opstand waren gekomen, wat tientallen op 2 oktober met de dood moesten bekopen bij het bloedbad op het Tlalelolco-plein - antwoordde hij, geëmotioneerd, zegt Lechner: 'Die komt, die komt. . .' Maar gekomen is hij nooit, zoals uit het Verzameld werk blijkt.

Niettemin valt er nog heel wat te lezen. In de eerste plaats die scenario's voor de films die daadwerkelijk tot stand kwamen. Het script voor De gouden haan bijvoorbeeld is een prachtig verhaal over een arme, maar ambitieuze man, die 'carrière' maakt door de hanengevechten, het gokken en het kaartspel, waarmee in Mexico, althans in dit verhaal, forse kapitalen kennelijk in een handomdraai van eigenaar kunnen verwisselen.

Maar het is alsof dit verhaal niet werkelijk geschreven is, zoals bijvoorbeeld Pedro Páramo. Het gaat hier minder om de taal dan om de (ongetwijfeld) enerverende success-story van de arme sloeber, die alles aan die sensationele hanengevechten te danken heeft. Het zou overdreven zijn in dit geval wél van een streekroman te spreken; daarvoor is Rulfo ook nu te genuanceerd, of betrapt hij een werkelijkheid die ook zonder literaire verfijning al boeiend genoeg is om over te vertellen. Maar laten we niet vergeten dat deze tekst was bedoeld om verfilmd te worden en beeldend is Rulfo's proza in De gouden haan zeker.

0 EZE EN ANDERE, nog onbekende teksten maken wel iets anders duidelijk: het kwam Rulfo, als elke grote schrijver, niet aangewaaid. Wie het voltooide met het onvoltooide werk vergelijkt, ziet het verschil dat ontstaat wanneer een schrijver geen klank in zijn verhaal meer aan het toeval overlaat en wanneer hij min of meer rechtstreeks een verhaal vertelt, stukjes verhaal, want dat zijn die fragmenten. Misschien fragmenten gebleven omdat Rulfo geen vat meer kreeg op zijn taal.

In zijn 'Autobiografische uitspraken' zegt hij: 'Ik ben geen beroepsschrijver, ik ben een eenvoudige amateur. Ik schrijf voor mijn plezier en anders niet. . . dat is de reden waarom ik De bergketen niet afkrijg. . . puur voor het plezier, en niet voor het succes, de angst, al die dingen waar de mensen het over hebben.'

Feitelijk is die mededeling juist. Rulfo was geen beroepsschrijver. Hij had immers zijn 'tamelijk drukke werk op het Instituut voor Indiaanse Zaken'. Het putte hem allemaal nogal uit, zoals hij liet weten. Maar een schrijver was hij wel, een kunstenaar, die heel goed wist wat hij deed (en wat hij wilde).

Daardoor rijst uit de ontboezemingen van deze 'frêle man' (Lechner in zijn nawoord) als vanzelf het beeld op van iemand die was voorbeschikt om schrijver te worden, een Mexicaanse schrijver, gezien zijn voorgeschiedenis, waarvan hij haast achteloos de bizarre kanten laat zien: 'In de familie Pérez Rulfo - de Rulfo's waren een zeer uitgebreide familie, vooral wat betreft de vrouwen - heerste nooit veel rust; ze stierven allemaal jong. . . en ze werden allemaal in de rug gedood. Alleen David, de laatste, slachtoffer van zijn hobby, werd door een paard gedood. Mijn vader is niet door een knecht gedood, hij had geen knechts, zoals Seymour Menton abusievelijk in zijn boek De Latijnsamerikaanse vertelkunst heeft vermeld. . . Hij is op een dag op de vlucht gedood. . . en mijn oom is vermoord en anderen zijn vermoord, en nog vele anderen. . . en mijn opa werd aan zijn grote tenen opgehangen en raakte die daardoor kwijt. . . allemaal zijn ze jong gestorven, op hun drieëndertigste. Het was, het is, althans tot voor kort een gewelddadig gebied.'

'Een gewelddadig gebied' - het klinkt bijna alsof hij wil zeggen: waar maken jullie je druk om. Zo gaan die dingen hier, in de tierra caliente, die hij tot en met leerde kennen en later, toen hij na de dood van zijn moeder aan het zwerven raakte, heel Mexico, waar hij datgene wat zijn werk doordrenkt, de dood, in al zijn hoedanigheden en gestalten mocht aanschouwen.

Octavio Paz heeft erover geschreven, over de rol van de dood in de Mexicaanse cultuur; de kunstenaar José Guadeloupe Posada (1852-1913) heeft hem, met zijn grijnzende skeletten, gevierd, maar Rulfo heeft hem, in Pedro Páramo, gebruikt om de geliefde stemmen in zijn hoofd het eeuwige leven te schenken. Misschien mocht hij om die reden twee keer zo oud worden als zijn mannelijke familieden. Hij stierf op 8 januari 1986.

Willem Kuipers

Juan Rulfo: Verzameld werk.

Vertaald uit het Spaans door J. Lechner en Mariolein Sabarte Belacortu.

Meulenhoff; 525 pagina's; ¿ 100,-.

ISBN 90 290 5419 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.