De gehate zuster begraven

W.F. Hermans had een oudere zus, Corrie. Op een bekende foto staat het duo afgebeeld, hij een dromerige kleuter, zij met een afstandelijke blik, beiden een streepmond, niet tot lachen geneigd. Corrie Hermans, met haar grote hoofd, lijkt op deze foto meer op de latere schrijver dan het jongetje naast haar.


Zij was overal beter in. Ze was gehoorzamer, ijveriger en haalde hogere cijfers op school. Hun ouders stelden Corrie ten voorbeeld aan Wim. Die voelde daardoor de enorme drang om iets te doen waarmee hij zijn ouders zou verbluffen en zijn zus zou overtreffen: hij zou een groot schrijver en wetenschapper worden! Maar de zus troefde hem af met een daad waartegen niet viel op te boksen: ze pleegde, nadat de bezetter in mei 1940 was binnengevallen, zelfmoord.


Aan Hermans en zijn zus wijdt Jan Fontijn een van zijn essays in Opgebouwd uit hetzelfde - broers en zusters in de literatuur. Het is een van de beste stukken in de bundel. Was Corrie de motor achter Hermans' verbeten schrijverschap? In 1936, vier jaar voor Corrie's dood, was de gymnasiumleerling Hermans zeer onder de indruk van een schooluitvoering van het toneelstuk Antigone. Fontijn schrijft: 'Was het misschien omdat Antigone de onvoorwaardelijke liefde van de zuster voor haar broer liet zien?' Misschien. Zoals vaker in deze essays zet Fontijn achter zijn eigen observaties en conclusies een voorzichtig vraagteken. In Hermans' tragedie werd de gehate zuster gedood, en moest hij haar begraven, maar niet met liefde. Mooie tegenstelling.


Boeiend is ook 'Mijn zusters en ik, een preambule', waarin Fontijn vertelt over zijn eigen familiegeschiedenis - een katholiek gezin met twaalf kinderen, van wie zes zussen - en over zijn groeiende fascinatie voor de broer-zusverhouding. Hij werd een 'ervaringsdeskundige' op het gebied van siblings - daar is geen Nederlands woord voor - en was bij het lezen van romans en egodocumenten altijd gespitst op de relaties tussen broers en zussen.


Ook op de jonge gymnasiast Fontijn maakte Antigone indruk, vooral de woorden 'Als de goden inslaan op je huis blijft de ellende generaties wonen'. Zo was het bij hem thuis ook. Een zuster, twee broers en zijn moeder stierven toen hij een puber was - de dood kon altijd zomaar toeslaan. De oudere zusters werden surrogaatmoeders voor hun broertje: 'Als broer te midden van zes zusters had ik meer mogelijkheden om een profiel van mijn toekomstige vrouw te maken.'


Maar schrijven over pijnlijke gebeurtenissen ligt in een familie vaak gevoelig. Toen Fontijn in 2003 een 'autobiografische familieroman' schreef, Biefstuk en benzine, kreeg hij de woede van zijn zusters over zich heen. Families: kleine kerncentrales van liefde, maar ook kruitvaten.


Na deze 'preambule' stelt de rest van het mooi uitgegeven boek, op het Hermans-stuk na, ietwat teleur. Het is geen eenheid, de essays houden nauwelijks verband met de persoonlijke preambule. De stukken zijn ongelijksoortig van aanpak, invalshoek en belang, en je komt er niet altijd achter hoe de broer-zusrelatie werkelijk was. In het lange essay over Arthur en Isabelle Rimbaud wordt druk geciteerd uit hun briefwisseling, maar we krijgen geen beeld van die zuster, behalve dat ze haar broer verafgoodde en zijn dichtwerk onbezoedeld wilde laten voortleven.


In het stuk over Louis Couperus gaat het niet over Couperus en zijn zussen, maar om de famielieverhoudingen in zijn romancyclus De boeken der kleine zielen. Boeiend, maar wie die vier magistrale boeken gelezen heeft, leest weinig verrassends.


Dat is een terugkerend probleem: voor wie zijn deze essays geschreven? Wie het werk kent van Jacob Israël de Haan en zijn zus Carry van Bruggen leest in het korte essay over hun treurige levens niets nieuws, maar als je hun werk niet kent, is het stuk moeilijk te volgen en krijg je te weinig prikkels om geïnteresseerd te raken. Hetzelfde geldt voor het essay over Gertrude Stein en haar broer Leo.


Fontijn baseert deze biografische portetten niet op eigen onderzoek, maar op bestaande biografieën en brievenedities. Daar maakt hij geen geheim van, en hij geeft de biografen doorgaans alle eer. Behalve Frédéric Bastet, de biograaf van Couperus, die bij Fontijn niet eens een voornaam krijgt, en zijn biografie geen titel. Als je nu tóch uitvoeriger uit goede biografieën citeert: in Louis Couperus - Een biografie schetst Bastet een hartverscheurend beeld van een jongetje dat een meisje had moeten zijn - hij werd opgezadeld met de voornamen van zijn drie overleden zusjes - en werd kapotgeknuffeld door zijn moeder en zussen. Dat had prachtig aangesloten bij Fontijns weergave van de verhouding tussen Constance uit De boeken der kleine zielen en haar broers.


Stuk voor stuk zijn de essays in deze bundel de moeite van het lezen waard, maar de belofte van de weidse titel en bevlogen inleiding wordt jammer genoeg niet ingelost.


Jan Fontijn: Opgebouwd uit hetzelfde - Broers en zusters in de literatuur.


De Bezige Bij; 256 pagina's; € 23,90.


ISBN 978 90 2346 023 7.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden