De gangsters houden van Count Basie Robert Altman verfilmt zijn herinneringen aan Kansas City

In Kansas City, de nieuwe film van Robert Altman, keert de Amerikaanse regisseur terug naar de jazzclubs van zijn jeugd....

SINDS BURGEMEESTER Emanuel Cleaver twee jaar geleden op een veiling in Londen voor 250 duizend gulden de witte altsaxofoon van Charlie Parker kocht, schijnt het verpieterde jazzleven in Kansas City weer wat bij te trekken. Slechter kon ook moeilijk; bij zijn ambtsaanvaarding trof de eerste zwarte burgemeester van Kansas City een stad aan waarin de jazz tot zijn onuitsprekelijke ergernis haast onvindbaar was.

Zelfs de herinnering aan de grote saxofonist Charles Christopher Parker (1920-1955) leek geheel verbleekt. Kansas City's beroemdste muzikant werd eind jaren tachtig weliswaar geëerd met een Charlie Parker Memorial Foundation, maar die had afgezien van haar grootse naam voornamelijk wat aan de muur geprikte krantenknipsels te bieden.

Cleaver heeft nu plannen voor een serieus jazzmuseum aangekondigd, waarin Parkers instrument natuurlijk een ereplaats krijgt. Kansas City moet weer trots worden op zijn jazzverleden; er was een tijd waarin geen plaats in Amerika zo'n bruisend muziekleven kende als het Paris of the Plains, zoals de stad aan de Missouri in de jaren dertig heette. K.C. was de thuishaven van grote muzikanten als Count Basie, Herschel Evans, Oran Hot Lips Page, Jimmy Rushing en Mary Lou Williams. Wie in de uitgaansbuurt muzikaal vertier zocht kon terecht in tientallen bars en clubs, waarin de beste bands tot 's ochtends vroeg tegen elkaar opboden.

De gerenommeerdste clubs bevonden zich in de 12de straat, waar voor elke smaak en portemonnee iets was te vinden: de exotische, in Japanse stijl gedecoreerde Cherry Blossom, het Sunset Crystal Palace met de zingende barkeeper Joe Turner, of de fameuze Reno, de 'Queen of the K.C.-Clubs' waar de laatste floor show om vier uur 's nachts begon. Wie nog meer vrolijkheid wenste kon terecht in The Jail, waar de serveersters gestreepte pakjes droegen, of in de Hey-Hay Club, waar de gasten op balen hooi zaten en het personeel in overalls liep.

In dit milieu van gokkers, dansers en drinkers ontstond een kruidige jazzstijl, die zich steeds meer verfijnde en van een lokale variant uitgroeide tot een vitale hoofdader van de Amerikaanse jazzmuziek. Muzikanten als Count Basie, Jo Jones en Walter Page werden de architecten van de ontspannen swingende Kansas City Jazz, die vanaf het midden van de jaren dertig - mèt de opkomst van de radio - langzaam maar zeker de Verenigde Staten veroverde.

De meeste historici zijn het er over eens dat de opkomst van de Kansas City Jazz in hoge mate te danken was aan het optreden van een enkele man, die geen piano van een drumstel kon onderscheiden, volgens de overlevering zelfs niet híeld van muziek en die bovendien elke avond stipt om negen uur in bed lag. Die merkwaardige figuur heette Tom Pendergast; een eigengereide, volledig corrupte bullebak die officieel een onbetekenen baantje in het stadsbestuur had, maar in werkelijkheid ruim tien jaar lang, tot zijn val in 1938, de stad volledig in zijn macht had.

Pendergast verkeerde hoog in de hiërarchie van de democratische partij (Harry Truman begon als zijn protégé), werkte tegelijk met grote inzet aan een carrière in de onderwereld, en rustte niet tot alle gangsters en ambtenaren in de wijde omgeving uit zijn hand aten.

In de jaren van de Drooglegging, tussen 1919 en 1932, zag Pendergast er op toe dat de drank in alle bars en goklokalen open en bloot kon blijven vloeien - 24 uur per dag, want sluitingstijden had Pendergast uit praktische overwegingen afgeschaft. De combinatie van geldzucht en illegaal genot resulteerde in openlijke criminaliteit die kon wedijveren met die in het Chicago van Eliot Ness. Maar het leverde ook een welig tierende amusementssector op, met een in de crisisjaren hoogst welkome vraag naar vakbekwame muzikanten. Elders door de massale sluiting van clubs getroffen muzikanten trokken tijdens de Depression naar de hoofdstad van Missouri, waar de muziek dag en nacht doorging. De jam-sessie, een informele muzikale krachtmeting in nachtelijke uren, werd Kansas City's specialiteit.

Het standaardwerk Jazz Style in Kansas City van Ross Russell wemelt van de sterke verhalen over die vaak urenlange sessies. Beroemd is de ontmoeting waarin Coleman Hawkins, tot dan de onbetwiste koning van de tenorsaxofoon, in het abusievelijk voor provinciaal gat versleten K.C. diep in het stof beet.

Hawkins was eind 1933 op doorreis met het orkest van Fletcher Henderson uit New York, en trof in de Cherry Blossom de hem onbekende collega's Lester Young, Herschel Evans en Ben Webster. Hoewel de grote tenorist er na uren zwoegen zelfs zijn hemd bij uittrok, vond hij zijn meerdere in de ogenschijnlijk dromerige Lester Young, die met zijn lichte stijl toch verraderlijker improviseerde dan zijn gespierde rivaal.

Minstens even befaamd is de vernedering van de jonge Charlie Parker, die na zijn mislukte debuut in de Reno Club door slagwerker Jo Jones met een gemene klap een bekken voor de voeten geworpen kreeg. Clint Eastwood verhief het incident tot Leitmotiv in zijn Parker-film Bird.

In Kansas City, de jongste creatie van Robert Altman, komt die episode niet voor. In deze gangster-film, die zich afspeelt op een verkiezingsdag in 1934 in Kansas City, vervult de jazz een essentiële rol, maar Altman had geen zin Eastwood nog eens dunnetjes over te doen. 'Aanvankelijk was ik het wel van plan', vertelt de regisseur telefonisch vanuit de Verenigde Staten, 'maar later bedacht ik dat over dat cymbal-incident nu wel genoeg is gepraat en geschreven.'

Een gemis is het allerminst. Kansas City hoort tot de geslaagdste jazzfilms die Hollywood heeft opgeleverd - minder kunstmatig dan Bird, meer recht voor zijn raap dan Round Midnight, waarin Bertrand Tavernier het levensverhaal van Lester Young en Bud Powell verdichtte.

De kracht van de film schuilt in de merkwaardige omstandigheid dat de muziek weliswaar een hoofdrol vervult, maar toch niet direct bij de handeling is betrokken. Kansas City is allereerst het verhaal van een kidnapping, waarin niet alleen de onderwereld maar ook de politieke top van de stad betrokken raakt en waarin natuurlijk ook Tom Pendergast zijn zegje doet.

DE GANGSTER Seldom Seen, een smakelijke vertolking door Harry Belafonte, die coke-snuivend en vloekend afrekent met zijn Bananaboat-verleden, speelt de baas van een gokimperium. Seen is gewetenloos en sinister, maar bezit ook filosofische trekjes. Bovendien heeft hij een zwak voor de muziek van Count Basie, die in zijn club achter de piano zit.

Count Basie in Hollywood - wie de filmgeschiedenis een beetje kent weet genoeg om bij voorbaat een lichte huivering te voelen. Voorbeelden te over van a-muzikale acteurs die schmierend voor een jazz-cat door moeten gaan, of van muzikanten die door een slecht script tot een tenenkrommend uncle-tomming worden gedwongen.

Altman bezondigt zich niet aan dergelijke missers. Hij laat Count Basie spelen door de jonge pianist Cyrus Chestnut, die geen tekst van betekenis heeft, maar louter door zijn noten duidelijk maakt dat de jazzmuzikanten ook voor criminelen als Seldom Seen een vitaal belang vertegenwoordigden.

Alle muzikale sleutelposities in de film zijn op deze wijze bezet: met muzikanten die nauwelijks praten, hooguit door hun oudmodische bretels iets toneelmatigs hebben, maar verder - niet gestoord door regie-ingrepen - springlevende muziek maken, vaak in minutenlange sequenties.

'Alle muziek in de film wordt live gespeeld', licht Altman toe. 'Ik heb de muzikanten nauwelijks geregisseerd. Hooguit zorgde ik ervoor dat ze wat losser werden voor de camera. Tekst heb ik ze niet gegeven. Ik was bang dat het anders te veel showing off zou worden. Musicians shouldn't talk, they should blow.'

Volgens dat principe stelde Altmans muzikale adviseur Hal Willner, ook verantwoordelijk voor de muziek in Short Cuts, een orkest samen waarin de grootste talenten uit verschillende stijlen zijn verenigd. Alleen al de saxofonisten vormen een eregalerij: James Carter speelt Ben Webster, David Murray vertolkt de rol van Herschel Evans, Joshua Redman is Lester Young, en Craig Handy kruipt in de huid van Coleman Hawkins. Charlie Parker krijgen we ook te zien, maar zijn rol blijft beperkt tot die van een veertienjarig jochie, dat nog droomt van een toekomst als muzikant.

In de volwassen rollen zien we verder Geri Allen als de pianiste Mary Lou Williams, trompettist Nicholas Payton als Hot Lips Page, slagwerker Victor Lewis als de immer grijnzende 'Papa' Jo Jones, trompettist Olu Dara, baritonsaxofonist/klarinettist Don Byron en contrabassist Christian McBride.

Dit sterrengezelschap speelt stukken die in de jaren dertig ook in de Reno Club hebben geklonken: Moten Swing, Pagin' the Devil, I Left My Baby. De solisten laten zich inspireren door hun rol (James Carter maakt Ben Websters alias, 'The Brute', heel aannemelijk), maar waken voor historische reconstructies. Een hoogtepunt is het duel tussen 'Coleman Hawkins' en 'Lester Young' in Yeah Man! Hun vuur maakt de soundtrack tot meer dan een herinnering aan de film: de cd Kansas City is een van de leukste jazzplaten van de laatste tijd.

Kansas City behoort tot Altmans persoonlijkste films, bekent de regisseur: 'Toen ik opgroeide in Kansas City was jazz de eerste muziek die ik hoorde. We hadden thuis een zwarte dienstmeid, Glendora, die me op een dag voor de radio zette en zei: nu moet je goed luisteren, dit is Duke Ellington die Solitude speelt.

'In 1934 was ik nog te jong om de clubs te bezoeken, maar toen ik een jaar of veertien, vijftien was heb ik er heel wat bezocht. Je zag er alleen zwart publiek en wij mochten er eigenlijk niet in, maar ze waren aardig voor ons, ook al waren we minderjarig.

'Ik vermoed dat ik Lester Young heb zien spelen, maar de beroemde namen van toen kan ik me eerlijk gezegd niet voor de geest halen. Ik heb levendige jazz-herinneringen, maar ze zijn door de jaren meer veranderd in dromen.'

Ook de Hey-Hey Club, waarin Altman zijn verhaal situeert, hoort tot die droomwereld. Het is een mengeling van alle clubs die de regisseur als tiener bezocht. De naam komt natuurlijk van de Hey-Hay Club, de nep-boerenschuur waar de chic van Kansas City de bloemetjes buiten zette. Altman: 'De aankleding heb ik gelaten voor wat ze was. Ik had geen zin twee weken lang met de ploeg in het hooi te zitten.'

Kansas City van Robert Altman opent het North Sea Jazz Festival, vanmiddag om 13.00 uur in het Nederlands Congresgebouw, Den Haag. Om 14.45 uur volgt een optreden van muzikanten uit de film, onder wie Nicholas Payton.

Kansas City draait vanaf 15 augustus in de Nederlandse bioscopen.

Cd:

Kansas City, Original Motion Picture Soundtrack. Verve 529 554-2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden