De fluiter is de ultieme zomerbode

Beestje van de week

Met zijn gezang tussen de boomtoppen is de fluiter de ultieme zomerbode. Je kunt heel dichtbij komen en dan weet je niet wat je ziet, zegt Rob Bijlsma, die in de zang ook tragiek hoort: er is een groot mannetjesoverschot.

Beeld Anne Geene

'Er is niks fluffy's aan de fluiter. Een klein beestje. Wit van onderen met een gele keel, en van boven olijfgroen. De handpennen van de vleugels hebben heldere streepjes langs de rand; alles is strak aan dit beest.

'Om de fluiter te zien moet je naar de bossen op zandgronden, in Drenthe, Brabant, Limburg en de Veluwe. Er zijn misschien een paar duizend paartjes in Nederland. Die zang, met die versnellende triller, is mooi, maar de fluiter is vooral de ultieme zomerbode. Als de bomen in het blad komen, de berk eerder dan de zomereik, dan barst het los. Dan loop je in een zonbeschenen bos, je kijkt tegen het licht in naar een fluiter die zijn baltsvluchtjes maakt, die langzame bibbervlucht van takje naar takje, en je weet niet wat je ziet, het is onwaarschijnlijk prachtig.

'Je kunt hem makkelijk bekijken. Als hij aan het foerageren is, kun je er gewoon onder gaan staan. De nesten zitten op de grond, goed verborgen in de vegetatie, maar het vrouwtje vliegt opvallend met pijpenstrootjes op en neer. Je kunt er naast gaan staan, op 30 meter afstand, geen probleem.

De fluiter

(Phylloscopus sibilatrix)
Algemeen Kleine (10-12 cm) bosvogel, fameus vanwege de zang
Verspreiding Broedvogel in Noord- West-, Oost-Europa
Broeden Mei-juli. Doorgaans 1 legsel, 5-7 eieren.

Eenduidig

'Zijn gedrag is eenduidig. Als je iets van hem afweet, hoor je onmiddellijk: die is gepaard, die heeft een nest, die heeft jongen. Als ze aankomen, gaan de mannetjes direct zingen. Op het moment dat hij gepaard raakt, verkort hij de zangstrofe of valt hij stil. Als je in de buurt komt kun je hem nog wel verlokken om geluid te maken, een enkelvoudig 'pju'. Dan weet je: die heeft een vrouw. Ga tegen een boom zitten en je ziet al snel dat ze inderdaad met zijn tweeën zijn.

'Er is bij fluiters een groot mannetjesoverschot. Ik kijk nu veertig jaar naar fluiters en ik heb meerdere jaren meegemaakt waarin honderd procent van de mannetjes ongepaard bleef. Je hoort weleens: het is een goed fluiterjaar. Dat is alleen gebaseerd op zingende fluiters. Maar als je fluiters voluit hoort zingen weet je zeker dat het ongepaarde mannetjes zijn. Met meer recht zou je dus van een slecht fluiterjaar kunnen spreken, met weinig nesten. Die ongepaarde mannetjes blijven doorzingen, tot eind juni. Dan gaan ze ruien en trekken ze, onverrichter zake, weer weg. Dat heeft iets tragisch.

'De fluiter overwintert in tropisch Afrika, vooral in het Congobekken. De meeste langeafstandstrekkers doen het slecht in Europa. De overheersende verklaring is klimaatverandering. Van de bonte vliegenvanger wordt gezegd: hij overwintert in Afrika, hij kan niet anticiperen op warmer wordende voorjaren in Europa, daardoor komt hij te laat voor de naar voren geschoven rupsenpiek, et voilà, in de problemen. Ik heb dat verhaal altijd gewantrouwd. Dus dacht ik: ik ga naar een andere soort kijken die ook in tropisch Afrika overwintert en laat aankomt. De fluiter dus. Met de fluiter gaat het trouwens, net als met de bonte vliegenvanger, helemaal niet zo slecht als wel wordt beweerd.

'Op Planken Wambuis, op de Veluwe, waar ik in de jaren zeventig al naar fluiters keek, was het een echte zomereikenvogel. Nu is het een vogel van het gemengd bos geworden. Dat kan een aanpassing zijn. In zomereiken is er gewoonlijk een steile voedselpiek met veel rupsen. In gemengd bos met meer naaldbomen is misschien minder voedsel, maar het is wel gevarieerder en meer gespreid over de tijd beschikbaar.

'Ik wilde weten: komen fluiters werkelijk in de problemen als er geen of weinig rupsen zijn? Of vangen ze dat op met ander voedsel? Ik observeer hoe en wat hij waar eet. Hij reikhalst, vanaf een zitpost, meestal hoog in de boom, naar insecten die hij van bladeren kan lezen. Of hij fladdersnapt, pikt en bidt, een repertoire van jewelste. Ik heb ook prooitjes gegapt uit de snaveltjes van de fluiters die ik ving om te ringen, en ik heb naar prooiresten in hun poepjes gekeken.

'En wat bleek: fluiters pakken werkelijk ieder insect dat in hun snaveltje past: haften, vliegen, dazen, sluipwespen, wantsen, bladluizen, motjes, allerlei soorten rupsen. Ook spinnen. Die beesten zijn waanzinnig veelzijdig. Dat sterkt mij in de gedachte dat het rupsenverhaal niet klopt.

Pieken en dalen

'Daarmee zijn de enorme pieken en dalen in aantallen fluiters van jaar tot jaar nog niet verklaard. Een theorie is dat de fluiter doorvliegt als er lokaal veel muizen zijn. De fluiter is als grondbroeder gevoelig voor grondpredatoren, zoals muizen. En hij is sowieso een nomade, want de plaatstrouw is bij mannetjes gering en bij vrouwtjes afwezig.

'Die correlatie, veel muizen betekent weinig fluiters, is in het buitenland wel gevonden, maar hier zie ik het niet. Sterker: afgelopen jaar was in mijn gebied een bumperjaar voor muizen én een heel goed broedjaar voor fluiters. Bovendien zouden de fluiters die hier niet zijn ergens anders in Europa moeten opduiken, en omgekeerd. Maar ook dat zien we niet.

'Veel antwoorden op raadsels rond langeafstandstrekkers liggen in Afrika, denk ik. Onderzoekers kijken heel goed in Europa, maar geen hond keek tot voor kort in Afrika. Terwijl daar toch van alles aan de hand is. Zo is de afname van tropisch regenwoud fenomenaal. Ik heb meegemaakt dat een studiegebied, een bosplot, een half jaar nadat we er vogels hadden geringd, was platgegooid.

'Fluiters leven op het scherp van de snede. Ze kunnen veel, maar er kan zoveel fout gaan. In koele, vochtige voorjaren kunnen ze zomaar het slachtoffer worden van naaktslakken. Die kruipen op die jonge fluitertjes in het nest, slijmen ze onder, en raspen die jongen in feite kaal. En dan heb je een reproductief rampjaar.

'Alles moet dus kloppen, in Afrika, op de weg hiernaartoe, het voedsel, het weer. Het luistert nauw, daar moet je niet te lichtvaardig over denken. En ook daarom vind ik het mooi als ik ze hoor zingen tussen die boomtoppen, als ze toch weer terug zijn. Tien gram, hè.'

Rob Bijlsma (60) is zelfstandig vogelonderzoeker.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.