De filosoof en de globalisering

Zoals alles ergens is, is ook iedereen ergens. Dat brengt met zich mee dat niets en niemand ooit overal kunnen zijn....

Zoveel volkeren of desnoods zoveel individuen er zijn, zoveel culturen zijn er ook. De politisering en economisering van het dagelijks leven mogen de indruk wekken dat die in hun gedrag, verlangens en mogelijkheden steeds meer deel gaan uitmaken van eenzelfde geheel, het is de vraag of dat geen illusie of publicitaire list is. Anders gezegd, zit er geen principiële tegenspraak in het hele begrip globalisering en is het verschijnsel zelf daardoor niet ten dode opgeschreven?

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski is zich deze vragen gaan stellen en in zijn essay Hoeveel globalisering verdraagt de mens? probeert hij er een antwoord op te geven, of ten minste de vraag zo aan te scherpen dat ze beantwoordbaar wordt. Dat essay is een mengeling van filosofie en nurksheid, van nieuwsgierigheid en een slecht humeur. Safranski analyseert, maar dat doet hij vanuit een gevoel van onrust. De globalisering baart hem zorgen en die zorgen gaat hij filosofisch te lijf, maar het blijven bovenal zorgen. De filosoof is een bedreigde burger.

Het scherpst is Safranski wanneer hij begrippen analyseert. Mogelijk heeft hij dat geleerd in een verleden in de linkse Duitse studentenbeweging - zijn moeiteloze omgang met het neo-marxistische idioom doet zulks vermoeden -, maar waarschijnlijker is nog dat hij daarin getraind is geraakt toen hij de biografieën van Friedrich Nietzsche en Martin Heidegger schreef. Geef hem een filosofisch, moreel of politiek idee, laat hem er even lekker op kauwen en er komt altijd een scherpe analyse uit. In Hoeveel globalisering verdraagt de mens? levert dat een tiental hoofdstukken, kleine constituerende essays op, waar elke columnist en commentator zijn voordeel mee kan doen. Terwijl zij met elkaar en hun deadlines vochten, heeft hij zitten lezen - en dat merk je. Hij citeert even achteloos Kant als Fichte, Schelling als Nietzsche.

Maar zijn grote probleem is dat de globalisering geen filosofisch idee of stelsel is en dat er ook eigenlijk geen doordachte filosofie van de globalisering bestaat. Zijn scherpe filosofische instrumentarium richt hij, anders gezegd, op een verschijnsel dat zich goeddeels aan die analyse onttrekt. Hij heeft de energie en de vaardigheid om scherpzinnig te polemiseren, er is alleen geen uitgesproken tegenstander. Globalisering is een maatschappelijk en economisch verschijnsel waarvan vooral kooplui en misdadigers zich bedienen en dat politici en bestuurders met apathie slaat, maar dat geen aanwijsbare verdedigers kent, lui die op enig niveau willen en kunnen uitleggen dat het hier een goed idee betreft.

Dat maakt Safranski's analyse enigszins wezenloos. Het grote probleem van de globalisering is dat er niemand voor aansprakelijk lijkt. Met de teloorgang van de gedachte dat de wereld maakbaar is - een opvatting die velen vanzelfsprekend goed uitkomt, kooplui en politici voorop -, worden historische processen oncontroleerbaar en onbeïnvloedbaar. De geschiedenis wordt een natuurverschijnsel en vandaar is het nog maar een stap naar de overtuiging dat politiek bedrijven ook niet veel meer is dan besturen, naar wat wij 'paars' zijn gaan noemen. Regeringen zijn er om de post te behandelen en op een dag zat er globalisering bij de post.

Dat is vreemd en onrustbarend, want de geschiedenis is mensenwerk, de globalisering dus ook. Safranski is op zijn best als hij het verschijnsel fileert. Hij doorziet dat de parmantige ideologie van het neoliberalisme in feite niets meer is dan de vulgaire management-variant van het neomarxisme: alle waarden zijn in laatste analyse economische waarden en economische waarden bepalen uiteindelijk de hele werkelijkheid. Het ontzenuwen van de onzin van het economisme is bij hem in vertrouwde handen. Hoe geniepig de kooplui en de managers en in hun voetspoor de verwarde politici zich ook bedienen van de retoriek van het anti-nationalisme (de globalisering zou daar een remedie tegen zijn), Safranski heeft wel door hoezeer dat een gelegenheids & argument is. Een wereldvisie is bijna altijd een tunnelvisie die haar zelfrechtvaardiging uit de weg gaat.

Het is een uitkomst dat Safranski die overwegingen heeft opgeschreven en geanalyseerd. In de discussie over de globalisering wordt door degenen die orthodox lijken te geloven in het primaat van de markt of de heilzaamheid van het anti-nationale, het feitelijke immers al te gemakkelijk verward met het normatieve. Economie is de wetenschap van het tellen van andermans geld en het achteraf verklaren van diens kastekorten, maar de retoriek waarvan economen zich bedienen suggereert vaak dat zij exacte kennis in huis hebben. Dat hun voorspellingen meestal niet uitkomen en zij die zelf onbekommerd iedere zoveel weken herzien, doet daar vreemd genoeg niets aan af. Safranski fileert hun bijgeloof.

Ook op politiek niveau staat hij zijn mannetje. Zijn bespreking van de Kantiaanse gedachten over een 'eeuwige vrede' heeft door de oorlog in Irak een grote actualiteitswaarde gekregen. De spanning tussen macht en wet en de hang die de machtige heeft naar het legitimeren van zijn handelen met hogere, nobele motieven raakt de kern van het debat dat zich de afgelopen maanden tussen Europa en de Verenigde Staten heeft afgespeeld. Globalisering ontkent grenzen, maar vraagt om regels - en dus weer om beperkingen. Het is altijd een genoegen om iemand dat zo helder en erudiet onder woorden te zien brengen als Safranski doet.

Maar al die samenhangende essays en analyses schieten net langs hun doel, namelijk het concreet beantwoorden van de vraag die in de titel wordt gesteld. Dat komt doordat de tegenstander zich niet heeft uitgesproken en het daardoor lijkt of er geen tegenstander is. De globalisering komt over ons als een meteorologisch verschijnsel, de geschiedenis is een natuurverschijnsel. Die houding, die er een van ontgoocheling en verlamming is, is in laatste aanleg net zo modieus als de globalisering zelf: ze komt voort uit de desillusie over de maakbaarheid van de samenleving, uit het taboe dat over de utopie is afgekondigd. Met de Franse revolutie begon de politisering van het openbare leven, met de Fluwelen revolutie lijkt ze te zijn geëindigd.

Dat kan niet waar zijn - en dat is het ook niet. Maar in het oog van de economische stormen die het economisch liberalisme heeft ontketend, hangt een oorverdovende stilte. Het weerwoord daartegen kan nooit alleen in termen van filosofische analyse worden gegeven, maar vereist ook filosofische vindingrijkheid. De moed die stap te doen heeft nog niemand gevonden, ook Safranski niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden