Opinie

'De executiefoto's zijn momentopnames'

Het politieke doel van de eerste politionele actie was een reductie van het gebied van de Republiek Indonesië en de opbouw van een nieuw Indonesisch eilandenrijk, betoogt emeritus-hoogleraar Jan Bank.

Jaarlijkse dodenherdenking bij het Nationaal Indië monument. Er worden meer dan 6200 jonge soldaten herdacht, die gedurende de jaren 1945-1962 tijdens de militaire acties in het toenmalige Nederlands-Indie en Nieuw-Guinea het leven lieten. Twee veteranen op zoek naar bekende namen op het monument. Beeld null
Jaarlijkse dodenherdenking bij het Nationaal Indië monument. Er worden meer dan 6200 jonge soldaten herdacht, die gedurende de jaren 1945-1962 tijdens de militaire acties in het toenmalige Nederlands-Indie en Nieuw-Guinea het leven lieten. Twee veteranen op zoek naar bekende namen op het monument.

De foto's van een executie van Indonesische vrijheidsstrijders zijn een momentopname. Op een andere wijze is dat ook de aangekondigde televisie-reconstructie van de (eerste) dag van de 'eerste politionele actie' van 21 juli 1947, nu 65 jaar geleden. Nederlandse troepen vielen toen het guerrilla-leger van de Republiek Indonesië aan vanuit hun enclaves op Java en Sumatra, die eerder in het Javaanse kuuroord Linggadjati in een akkoord tussen het koloniale bewind en de republiek waren vastgelegd.

Beide momentopnames, hoe indringend ook, hebben een bredere tekst en uitleg nodig. Die is er niet gekomen op de manier zoals Nederland met zijn de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is omgegaan.
De behoefte aan tekst en uitleg nam toe na onthullingen door de oorlogsveteraan J.E. Hueting in 1969 over geweldsexcessen van Nederlandse kant. Een parlementaire enquête - zoals die over Nederland in 1940-1945 - werd toen afgewezen. Een boekenreeks zoals die van dr. L. de Jong over Nederland in oorlogstijd kwam evenmin tot stand. De controverses waren (nog) te groot voor een staatsopdracht. Men beperkte zich tot de Excessennota van de hand van de historicus en jurist C. Fasseur en tot een publicatie van historische bronnen: een ware schat aan gegevens in twintig boekdelen. Maar nota en boeken zijn alleen de grondstof voor een geschiedschrijving.

De gangbare Nederlandse opvatting over de dekolonisatie van Indonesië luidt: het begon verkeerd in augustus 1945. De Republik Indonesia droeg een Japans stempel, de onafhankelijkheid was met goedkeuring van de Japanse bezetter uitgeroepen. Toen Britse legereenheden op Java aankwamen, ontbrandde er een furie van jonge revolutionairen, die de dood van grote aantallen burgers tot gevolg had; ook, maar niet uitsluitend, van Nederlandse kolonisten. Om deze furie in te dammen, is in november 1945 de slag om Soerabaja uitgevochten tussen Indonesische strijders en Britse, vooral Brits-Indische troepen. In het officiële historische bewustzijn van Indonesië is deze dagenlange strijd het bloedige - en heldhaftige - moment van de revolutie, niet de 'eerste politionele actie' in juli 1947.

De eerste uitzendingen van troepen vanuit Nederland dateren uit deze periode. De vrijwilligers, die zich hadden opgegeven voor de bevrijding van Indië, moesten onder leiding van Britse troepen de uitwassen van de revolutie temmen. De opbouw van een Nederlandse legermacht ging in twee etappes: eerst vrijwilligers en beroepsmilitairen, vanaf 1946 ook dienstplichtigen. Want om hen uit te zenden moest de grondwet worden gewijzigd. De diplomatie kreeg eveneens een kans. In dezelfde twee fasen werden conferenties tussen Nederland en de Republiek georganiseerd. In het eerder genoemde Linggadjati kwam het eind 1946 tot een akkoord.

Wie een legermacht opbouwt, slaat op een gegeven moment toe. Het aanzwellen van het Nederlandse leger was op zichzelf een factor in het bevel tot de 'eerste politionele actie' in juli 1947. De politieke doelstelling daarvan was een reductie van het gebied van de Republiek. Dat wil zeggen van het politieke hart van de onafhankelijkheid. Daar stond van Nederlandse kant tegenover een bevordering van deelstaten, die samen het nieuwe Indonesische eilandenrijk moesten vormen.

Deze politiek kan men interpreteren als een nieuwe vorm van 'verdeel en heers'. Dat was in tal van kolonies de sleutel tot het Europese bestuur, niet alleen de Nederlandse. Men had de gehoorzaamheid van plaatselijke vorsten afgedwongen door hen in hun aanzien te laten. Nu werd dat aloude afdwingen vervangen door een machtsrelatie van Nederland met nieuwe deelstaten en nieuwe elites. Dat is wat er na juli 1947 bij voorbeeld op West-Java en in Oost-Sumatra ook is gebeurd.

Tegen deze 'verdeel en heers'-politiek had de Republiek zich gewapend in een nadrukkelijk streven naar de eenheidsstaat. Omgekeerd kon Nederland dat beleid juist realiseren door de opmerkelijke verscheidenheid van de Indonesische archipel. De weerklank daarvan zou tot ver na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 te horen zijn; in de Molukken en in westelijk Nieuw-Guinea. Het koloniale bestuur en de Nederlandse politiek heeft zich tot loyaliteit verplicht aan regionale leiders, welke later zowel Den Haag maar vaker bestuurders in diverse landstreken van de Indonesische archipel duur te staan is gekomen.

Een factor van (binnenlands) belang is de naoorlogse politieke vernieuwing geweest. De rooms-rode coalitie van KVP en PvdA was een nieuw fenomeen en de beide dragende partijen waren dat tot op zekere hoogte ook. De PvdA was een fusie van diverse partijen en groepen, die in 1946 hun eenheid nog moesten vinden en ook in de Indonesische politiek niet steeds hetzelfde dachten. De KVP kende een interne oppositie tegen de rooms-rode coalitie en daar hoorde ook de Indonesische politiek bij. In 1948 zou de Indischman zich met geestverwanten en enig succes afscheiden in een eigen katholieke partij.

Maar er was ook een voordeel aan de nieuwe formule. Want beide partijen kenden niet een verleden van koloniaal bestuur en koloniale betrokkenheid. De bestuurlijke elite in Indië en ook de koloniale ondernemers waren voor de Tweede Wereldoorlog verbonden met liberale en protestantse partijen. Die vormden nu juist in 1946 - en deels in 1948 - de oppositie en wilden van enige concessie aan de Republiek Indonesië niets of nauwelijks weten.

Van de andere kant: in de PvdA werd het beleid in hoge mate bepaald door progressief georiënteerde kolonialen van de groep De Stuw. En de confessionele partijen hadden deze kunnen vinden in de (protestantse) zending maar ook de (katholieke) missie, de religieuze dimensie van het Nederlandse kolonialisme. Daar zijn al vroeg stemmen opgegaan voor een erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië.

Waarom hebben KVP en PvdA, in hun geschiedenis redelijk vrij van koloniale betrokkenheid, de stap naar de tijdige erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië niet kunnen zetten? Bij de PvdA lagen de prioriteiten anders na decennia van oppositie: de opbouw van een staat die werkgelegenheid en sociale voorzieningen zou bieden. In de KVP was de ondergrond van het Indonesische beleid een besef, dat men in de nieuwe machtspositie het koloniale bezit niet roekeloos mocht verspelen op straffe van voor onvaderlands te worden gehouden.

Jan Bank is emeritus-hoogleraar vaderlandse geschiedenis.
Hij schreef in 1983 een proefschrift over Katholieken en de Indonesische Revolutie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden