AchtergrondEU-landbouwbeleid

De Europese landbouw moest groener worden. Daar is niets van terechtgekomen

Beeld Marcel van den Bergh

In de nieuwe begroting van de Europese Unie, waarvoor de regeringsleiders donderdag bijeenkomen, staan ambitieuze plannen voor een groenere landbouw. Maar ook de vorige Europese Commissie zette in op vergroening. En daar kwam niets van terecht. Wat ging er mis en hoe moet het anders? 

Ben Koks weet nog hoe enthousiast hij was zes jaar geleden. In Brussel was een nieuwe Europese Commissie aangetreden met een verse Roemeense landbouwcommissaris die gloedvolle woorden sprak over groene landbouw. Die dingen zei als: de legitimiteit van de landbouw staat op het spel, vergroening is een noodzaak.

Nu gaat het gebeuren, dacht Koks, een bekende naam in de wereld van de vogelbescherming. De Europese landbouw slaat een nieuwe weg in. Minder intensieve productie en turboboeren. Meer natuur en biodiversiteit. Eindelijk. ‘Er woei een wind de goede kant op.’

Anno 2020 is Koks een bos grijze haren rijker en een illusie armer. Want het vergroeningsbeleid is een ­fiasco geworden, zucht hij. ‘Het is nu zelfs slechter dan tien jaar geleden.’

Koks is de uitvinder van de ‘vogelakkers’ en de man die de grauwe kiekendief, de sierlijkste aller roofvogels, terugbracht naar Nederland. Daarnaast was hij betrokken bij de oprichting van boerencollectieven voor agrarisch natuurbeheer.

Hij voelt zich bedonderd, vertelt hij in zijn huis, diep weggestopt op de Sallandse Heuvelrug. Aan de muur van de woonkamer hangt een foto van een grauwe kiekendief in volle vlucht, zijn lievelingsvogel. Op een andere wand prijkt een spotprent van voormalig CDA-minister van landbouw Henk Bleker, zijn lievelingsvijand. Onder Bleker, vriend van de boeren, begon het mis te gaan, zegt Koks. ‘Toen ging de wind de andere kant op waaien.’

GROENE PIJLER 1 PREMIES VOOR NATUURBEHOUD

Het EU-landbouwbeleid is een oerwoud waar alleen ingewijden de weg weten in het welig tierende jargon van regelingen en richtlijnen, marktregulering, garantiefondsen en hectarepremies. Weinig sexy allemaal. Dat is jammer, want het gáát wel ergens over. Jaarlijks geeft Europa 59 miljard euro uit aan landbouwsubsidies, de grootste hap (36 procent) uit het EU-budget. Dat is 115 euro per EU-burger, jong en oud.

De net aangetreden Europese Commissie onder de Duitse voorzitter Ursula von der Leyen heeft ambitieuze plannen aangekondigd voor de komende meerjarenbegroting, waarover de Europese regeringsleiders donderdag in gesprek gaan: 40 procent van het landbouwbudget moet ten dienste staan van het klimaat. Maar als de resultaten van het verleden een indicatie geven voor de toekomst, dan ziet het er niet goed uit.

Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid is al een pijler van de Europese Unie sinds haar ontstaan. Het werd na de oorlog ingesteld om de voedselproductie te verhogen. Dat gebeurde met een stelsel van garantieprijzen, importheffingen en exportpremies.

Toen dat beleid aan zijn eigen succes ten onder dreigde te gaan in wijnplassen en boterbergen, werd productiesteun ingeruild voor een stelsel van inkomenssteun, gebaseerd op grondbezit. Voortaan kregen boeren een bedrag per hectare uitgekeerd.

Bij haar start in 2014 voegde de vorige EU-commissie in 2014 een nieuwe doelstelling toe: vergroening. Eenderde van het budget voor inkomenssteun aan boeren (75 procent van de totale landbouwuitgaven) werd daarvoor gereserveerd. Bovenop hun hectaresubsidie (in Nederland 260 euro per hectare) konden boeren die een bijdrage leverden aan natuurbehoud een extra vergroeningspremie krijgen (115 euro per hectare in Nederland).

Om daarvoor in aanmerking te komen, moesten boeren aan drie voorwaarden voldoen: gewasrotatie, het onderhouden van permanent grasland en het inrichten van zogenoemde Ecologische Focusgebieden (EFA’s) waar wilde flora en fauna kunnen gedijen.

…maar de lidstaten ontmantelden de groene ambities 

De eerste twee voorwaarden stelden niet zo veel voor, daar doen de meeste boeren vanzelf al aan. Maar de EFA’s hielden een belofte in: die moesten leiden tot een ecologische agrarische hoofdstructuur van bloemrijke akkerranden, houtwallen en faunarijke slootkanten op het boerenland.

Daarvoor moesten boeren een deel van hun land (5 procent volgens de laatste plannen) opofferen. Toen dat duidelijk werd, brak de pleuris uit, zegt Koks. ‘Zo gauw je aan de verdiensten van de landbouw komt, raakt iedereen in paniek.’ Er kwam een boerenlobby op gang om de opzet van EFA’s te saboteren.

Koks was erbij toen op een avond in het Groningse Midwolda boze boeren rekenschap vroegen aan ambtenaren uit Den Haag, bij een copieuze maaltijd. ‘Maak je niet druk, zei een van de ambtenaren. Dit gaat echt niet gebeuren.’

Aldus geschiedde. Met een motie van ChristenUnie-Kamerlid Carla Dik-Faber, gesteund door CDA en VVD, werd het groene bommetje onschadelijk gemaakt. Volgens de aangenomen motie volstond het als boeren na de oogst vanggewassen of groenbemesters op hun land zouden inzaaien. Die zorgen voor verbetering van de bodem en nemen nitraat (stikstof) op.

Een loze maatregel, aldus Koks. Want veel boeren doen dat al en voor de natuur heeft het geen enkele zin. ‘Het werd er op een vrijdagmiddag doorheen gejast. Vlak voor het reces. De meeste Kamerleden hadden geen idee waarvoor ze stemden.’

…aan de subsidies zijn geen controleerbare doelen verbonden

Koks staat in die kritiek niet alleen. De Europese Rekenkamer waarschuwde in 2017 al dat Europa zijn groene doelen niet zou halen. Drie jaar later kun je constateren dat die vrees is bewaarheid, zegt Alex Brenninkmeijer, het Nederlandse lid van de Europese Rekenkamer. ‘Terugkijkend kun je zeggen dat het vergroeningsbeleid zeker niet succesvol was.’

Een fundamenteel probleem, zegt Brenninkmeijer, is dat de EU geen controleerbare doelen verbindt aan het geven van subsidie. ‘Dan kun je als Europese Commissie wel mooi beleid bedenken, maar ben je uiteindelijk afhankelijk van de vraag of lidstaten voldoende drang voelen om die goede doelen te verwezenlijken.’

Daar schort het aan, schrijft de Rekenkamer: ‘Lidstaten maken gebruik van de flexibiliteit in vergroeningsvoorschriften om de belasting voor landbouwers en zichzelf te beperken in plaats van het verwachte milieu- en klimaatvoordeel zo groot mogelijk te maken.’ Op de vraag of de miljarden aan vergroeningssubsidies weggegooid geld zijn geweest, antwoordt Brenninkmeijer: ‘Ja. Al is dat wel wat sterk uitgedrukt.’

...voor de boer is geld belangrijker dan de grutto

Dat de vergroening is mislukt staat als een paal boven water, zegt David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbeheer aan Wageningen Universiteit. ‘Daar is iedereen het wel over eens. Inclusief de boeren.’

Kleijn deed jarenlang onderzoek naar de effecten van het groene landbouwbeleid van de EU. Dat is op zich al bijzonder: de EU subsidieert wel veel maatregelen, maar in het resultaat is niemand bovenmatig geïnteresseerd. Een politicus kan er niets mee, zegt Kleijn. ‘Is het resultaat positief, dan zegt iedereen: ja, duh! Pakt het negatief uit, heb je een probleem.’ Dan is het beter niets te weten.

De hoogleraar werd moedeloos van zijn uitkomsten: ondanks de miljarden euro’s die in groen landbouwbeleid zijn geïnvesteerd, is de natuur er geen snars mee opgeschoten. Het patroon is steeds hetzelfde, zegt Kleijn: de Europese Commissie komt met ambitieuze plannen. ‘Vervolgens gaan de lidstaten zich ermee bemoeien en verwatert alles. Uiteindelijk hou je iets over dat niets oplevert.’

Die EFA’s waren volgens hem best een goed idee. Wat ervoor in de plaats kwam met groenbemesters en vanggewassen stelde niets voor. ‘Daar heeft de biodiversiteit op het platteland niets aan.’

Kleijn kan wel begrip opbrengen voor de boeren. ‘Je vraagt ze een deel van hun land op te offeren. Terwijl de grondprijzen in Nederland belachelijk hoog zijn. Dat kun je van een boer niet verwachten.’ Koks is cynischer: ‘Boeren zijn vooral geïnteresseerd in geld. Niet in grutto’s of patrijzen.’

Met die twee vogelsoorten gaat het al jaren slecht. En niet alleen daarmee. In een halve eeuw is het aantal boerenlandvogels zoals kieviten, scholeksters en veldleeuweriken met 60 procent of meer gekelderd. Driekwart van de vlinders, bijen, wespen, kevers en pieren zijn verdwenen door het gebruik van pesticiden.

In haar kamer op Wageningen Universiteit laat onderzoeker Anne van Doorn een kaart zien van Nederland. Daarop is ingekleurd welke regio’s in 2017 de meeste EU-subsidies per hectare kregen en waar de biodiversiteit van het boerenland het laagst is.

Grote delen van Noordoost-Brabant, de Gelderse Vallei, Noord- en Oost-Nederland, gebieden waar veel intensieve (melk)veehouderij zit, kleuren rood: veel subsidie, weinig bio­diversiteit.

‘Dat is geen toeval’, zegt Van Doorn: van oudsher subsidieerde de EU vooral intensief producerende bedrijven. ‘In gebieden waar die zitten is de milieudruk het hoogst.’ Als je dat afzet tegen de ‘groene’ doelen, dan is er sprake van een ‘mismatch’, beaamt Van Doorn.

...en de grootste boeren krijgen het meeste geld

Vergroeningspremies zijn maar één onderdeel van de inkomenssteun die bedoeld is om boeren een ‘redelijke levensstandaard’ te bezorgen. Het grootste deel, 70 procent, krijgen boeren sowieso. Omdat die per hectare wordt berekend, profiteren de grootste boeren het meest.

In Nederland zijn dat de koeienboeren, die slepen meer dan de helft (406 miljoen) van de pot in de wacht. Akkerbouwers volgen op geruime afstand, met ‘slechts’ 177 miljoen. Varkens- en kippenhouders krijgen met 23 miljoen een schijntje.

Het zijn niet de zwakste schouders die de meeste steun ontvangen. De (Nederlandse) Algemene Rekenkamer rekende vorig jaar uit dat eenderde van de EU-steun in Nederland terechtkomt bij boeren met inkomens van twee keer modaal of hoger.

De omschakeling van productie­steun naar uitbetaling per hectare had tot gevolg dat ook grondbezittende niet-boeren landbouwsubsidie incasseren.  In de toptien van grootste ontvangers van inkomenssteun staan het Limburgs Landschap en de stichting Taurus, die oerrunderen laat grazen in natuurgebieden. Zij ontvangen ieder ongeveer drie ton. Het Drents landschap krijgt ruim tweeënhalve ton. 

Juridisch zal dat vast kloppen, zegt Petra Berkhout, als onderzoeker land- en tuinbouw een kenner van het Europese subsidiesysteem. ‘Maar toen de landbouwministers deze wetgeving maakten, zullen ze deze constructie vast niet voor ogen hebben gehad. De steun is bedoeld voor boeren.’

Beeld Marcel van den Bergh

GROENE PIJLER 2 AGRARISCH NATUURBEHEER 

‘Kijk’, zegt Harm Kossen. Hij wijst naar een bosje tussen de akkers in Zuid-Limburg waar een paar patrijzen scharrelen. Een buitenkansje. Patrijzen, ooit algemene broedvogels van het boerenland, zijn zeldzaam geworden. Maar we zijn niet uit op patrijzen, we zoeken de korenwolf.

Behalve met vergroeningspremies is er nog een tweede manier waarop de EU de groene landbouw ondersteunt: via het Programma voor Plattelandsontwikkeling (POP). In Nederland werd hieraan vorig jaar 260 miljoen euro gespendeerd, voor de helft gefinancierd door de EU, de andere helft door Nederland. Een deel is bedoeld voor natuurbeheer door boeren.

Kossen, een jongensachtige veertiger, is coördinator en spreekbuis van Natuurrijk Limburg, een collectief van dertienhonderd boeren en burgers dat in 2019 6 miljoen POP-subsidie in de wacht sleepte. Het is daarmee een van de grootontvangers uit de landbouwsubsidiepot.

Agrarisch natuurbeheer werd oorspronkelijk uitgevoerd door verenigingen van natuurminnende boeren. Zij dienden hun plannen in bij de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Keurde die ze goed, dan kregen boeren het geld om aan de slag te gaan.

Onder Henk Bleker, minister van 2010 tot 2012, veranderde dat. ‘Bleker had een hekel aan natuurbeschermers’, zegt Koks. ‘Hij vond dat de boeren het zelf beter konden.’ Dat leidde tot de oprichting van regionaal georganiseerde agrarische collectieven die sinds 2016 verantwoordelijk zijn voor de opzet en uitvoering van natuurbeheerplannen.

Maar toezicht daarop ontbreekt, zegt Koks. De DLG is ontmanteld, de controle is gedecentraliseerd naar de provincies. ‘Een blunder.’ Er wordt niet afgerekend op resultaten. De paar goede niet te na gesproken, zegt Koks: ‘Agrarische natuurcollectieven zijn geldmachines geworden.’

…maar het geld komt niet daar waar het effect het grootst is

De Wageningse hoogleraar Kleijn is daar genuanceerder over. Hij vindt boerencollectieven geen slecht idee. Het probleem is dat deelname vrijwillig is. Daardoor loop je het risico dat projectgeld vooral terechtkomt bij boeren die mee willen doen en niet in gebieden die de meeste kansen bieden voor natuurontwikkeling.

Stel, legt Kleijn uit, er is een gebied aangewezen dat gunstig is voor de patrijs. Als boeren in dat gebied niet meedoen, dan worden de grenzen opgerekt zodat boeren in de wijdere omgeving wel kunnen deelnemen. Ook al heeft het geld daar veel minder effect. ‘Dat gebeurt’, aldus Kleijn.

In Limburg wordt daar streng op gelet, verzekert Kossen in het hoofdkwartier van Natuurrijk Limburg in Roermond. ‘We steken geen geld in iets wat niet werkt.’ Natuurrijk Limburg geeft ook ‘stoplichten’ aan boeren die hun opdracht niet vervullen. Die worden uit het programma gezet. ‘Tot nu toe hebben we tien tot vijftien stoplichten uitgedeeld.’

Het paradepaardje van zijn collectief is de korenwolf, ‘de panda van Limburg’. Alles bij elkaar is er bijna anderhalf miljoen euro gestoken in plannen om deze met uitsterven bedreigde hamstersoort te redden.

Hoe dat in zijn werk gaat, laat Kossen zien op een paar akkers aan de rand van Maastricht, waarop agrarisch natuurbeheer wordt toegepast. Voor een buitenstaander is het verschil nauwelijks te zien. Maar Kossen wijst op een akker waar het gewas, bladrammenas in dit geval, op het veld is blijven liggen en zo beschutting biedt aan de hamsterburchten onder de grond. ‘En tevens voedsel oplevert voor vogels.’

Op het veld ernaast is wintertarwe ingezaaid, die de korenwolf voedsel en beschutting moet bieden in het voorjaar. Vijfhonderd hectare worden op die manier in Limburg beheerd. Dat lijkt heel wat, maar desondanks  gaat het niet goed met de korenwolf. Het beestje is voorlopig voor uitsterven behoed, zegt Kossen, ‘maar hij neemt in aantal niet toe.’

Zonde van het geld, vond het CDA in Provinciale Staten van Limburg, dat vorig jaar een voorstel deed om de stekker te trekken uit het korenwolfproject. Tot bleek dat Nederland daarmee een torenhoge boete van de EU riskeerde. Het ging ze alleen maar om de centen, zegt Kossen. ‘Terwijl je ook trots kan zijn dat zo’n bijzonder diertje hebt.’

Uit een bosje tussen de velden vliegt een zwerm kneutjes op, een torenvalk hangt biddend in de lucht, een leeuwerik komt voorbij. In een boomgaard verderop zit een havik te plukken aan een prooi. ‘Volgens mij heeft hij een duif geslagen’, zegt Kossen, turend door zijn verrekijker.

Het zijn tekenen dat hun inspanningen wél effect sorteren, benadrukt hij. ‘Op een gewoon stuk boerenland kom je niet zoveel vogels tegen.’ De korenwolf laat zich niet zien. Daar had Kossen ook niet op gerekend. Deze schuwe hamster is alleen ’s nachts actief, overdag zit hij diep onder de grond in zijn burcht. ‘Ik heb zelf nog nooit een korenwolf gezien.’

…en dus zijn er lessen te leren uit het verhaal van de korenwolf

Uit de moeizame strijd om het behoud van de korenwolf kunnen lessen worden getrokken voor het hele agrarische natuurbeheer, benadrukt Kossen. ‘Wat wij doen is de neergang vertragen. Je redt wat gered moet worden.’ Maar als de landbouw als geheel niet verandert, blijven het eilandjes in een leeg landschap.

‘Je moet een landbouw hebben die ruimte biedt aan soorten. Agrarisch natuurbeheer zou de kers op de taart moeten zijn. Nu is de taart niet te vreten.’ Wat dat betreft was de afgelopen vergroeningsronde een gemiste kans, vindt Kossen. ‘Als je het anders had aangepakt, had je veel meer kunnen doen voor de natuur.’

In de plannen van de nieuwe Commissie worden de vergroenings­eisen aangescherpt. Hoogleraar Kleijn moet het nog zien. In de voorstellen krijgen lidstaten meer vrijheid eigen plannen op te stellen. ‘Ik ben bang dat je een race naar de bottom krijgt van landen die hun boeren zo min mogelijk verplichtingen opleggen. Als grote landen daarmee beginnen, moeten andere landen wel mee.’

Onderzoeker Van Doorn blijft optimistisch. Het is volgens haar al winst dat het idee om boeren te betalen voor groene diensten gemeengoed is geworden. ‘Jammer dat het nog niet uit de verf is gekomen, maar dat is toch een historische ommekeer als je ziet waar we vandaan komen.’ Dan moet er de komende periode wel worden geleverd, benadrukt ze. ‘Je komt er niet mee weg om nog eens te zeggen: oeps, mislukt.’

Reportages: Hoe een natuurbeheerder en een waterschap landbouwsubsidie kunnen ontvangen

Opvallende organisaties prijken tussen de grootontvangers van geld uit de twee gigantische potten met Europese landbouwsubsidies. Waarom krijgen waterschappen grote bedragen voor vergroening en natuurorganisaties inkomenssteun op basis van hectaren landbouwgrond?

Beeld Harry Cock

Waarom krijgt een Drentse natuurorganisatie inkomenssteun voor boeren
Bij het Drentse Landschap hebben ze er moeite mee als ze worden weggezet als profiteurs. ‘Terwijl de overheid steeds het beleid verandert, houden wij ons iedere keer met de beste intenties aan de regels’, zegt Sonja van der Meer, directeur van de stichting. ‘En nu staan we ineens in een lijstje waar we niet in zouden horen.’

Van der Meer doelt op de lijst met grootontvangers van Europese landbouwsubsidie. Om precies te zijn de pot die wordt verdeeld op basis van het aantal hectaren. de zogeheten ‘pijler 1’-gelden. Iedere boer heeft er recht op, want bedoeld als basisinkomenssteun. Maar het Drents Landschap staat er ook op, op plaats 14 (264 duizend euro). Waarom zouden natuurorganisaties er ook voor in aanmerking komen?

Het doel van de Drentse beheerder is het behouden van het cultuurhistorisch landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Op de landbouwgronden tussen de natuur werd al decennia met pachtboeren samengewerkt, maar in een tijd van intensivering wilden steeds minder veehouders meedoen. Dus besloot de Drentse stichting in de jaren tachtig zelf boeren in dienst te nemen.

Drie veehouders staan op de loonlijst van een daarvoor speciaal opgezette bv vanuit de stichting. Te midden van de natuur beheren zij samen ruim 600 hectare landbouwgrond. Met boeren op de loonlijst heeft Het Drentse Landschap recht op Europese inkomenssteun, terwijl hun runderen in feite niet meer zijn dan grasmaaiers en mestproducenten – het duurzame vlees (dat aan leden wordt verkocht) is bijzaak.

In hun kantoor in Assen begrijpen ze niet waarom Europees landbouwgeld alleen naar boeren zou mogen gaan die primair voedsel produceren, zoals critici van het Brusselse landbouwbeleid menen. ‘Ja, we profiteren van de grote hoeveelheden grond die we hebben’, erkent Van der Meer over de toekenning op basis van hectares. Ze benadrukt dat de gelden die ze krijgen niet ingezet hoeven worden voor vergroening. ‘Maar zo gebruiken we het wel. Dat lijkt me alleen maar goed in een tijd waarin de natuur schreeuwt om een manier van landbouw bedrijven zoals wij dat doen.’

Weinig dieren op veel land is een dure vorm van landschapsbeheer, maar het resultaat van eigen onderzoek door het Drentse Landschap is dat vogels, insecten en planten die elders al zijn verdwenen in hun weides nog wel voorkomen. ‘Ondanks de Europese subsidie leggen we toe op onze boeren’, zegt Van der Meer. ‘De winst is voor de natuur.’

Gerard Helder haalt de deksel van een water- en perssappengoot van een grassilo af. Beeld Marcel van den Bergh

Hoe een waterschap de grootste Nederlandse ontvanger van Europese landbouwsubsidies werd

Zelf noemen ze het de U-bocht, het trucje waarmee het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier – een waterschap – de grootste Nederlandse ontvanger van Europese landbouwsubsidie werd. De architect van die U-bocht, Jan Willem Huizinga, probeert het uit te leggen in het hoofdkantoor in Heerhugowaard. Het begon in 2016 met het inzicht dat het waterschap in zijn gebied, van Noordzeekanaal tot en met Texel, het water onmogelijk schoon kon houden zonder boeren erbij te betrekken. Zij waren nodig om bijvoorbeeld het wegspoelen van meststoffen in sloten te voorkomen, het gebruik van gewasbescherming te verminderen en verzilting tegen te gaan.

Maar hoe krijg je boeren zover dat ze meer maatregelen nemen op hun erf dan ze wettelijk verplicht zijn?

Het antwoord: geld. Dat vonden ze in Europa. Ruim 15 miljoen euro kregen ze in 2018 toegewezen uit de pot voor plattelandsontwikkeling – de zogenoemde ‘pijler twee’-gelden. Onder meer te gebruiken ter verbetering van bodem- en waterkwaliteit.

Het waterschap zegt al vroeg te hebben voorzien dat het vanaf 2014 voor individuele boeren te ingewikkeld werd om geld voor plattelandsontwikkeling te bemachtigen. Zo bleek: voortaan liep het via collectieven. Hoe het waterschap een van die collectieven werd, de U-bocht, blijkt een complex samenspel van Europese regelgeving, afspraken met de provincie en een belofte van de Unie van Waterschappen ook een bijdrage te leveren. Het resultaat was nog eens 6,4 miljoen euro, te verdelen onder boeren in het eigen gebied.

Daarvoor zette het waterschap het Landbouwportaal Noord-Holland op. Boeren kunnen daar een kwart van een duurzame waterinvestering (tot 20 duizend euro) gefinancierd krijgen. Eenderde van de agrariërs in het waterschapsgebied maakte er de afgelopen anderhalf jaar gebruik van.

Via deze met de provincie bedachte constructie verantwoordt het waterschap aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) alleen wat het met de 15 miljoen euro doet voor hun eigen werk. Een ‘boekhoudkundige slimmigheid’ is dat de controle over de besteding van die 6,4 miljoen euro voor de boeren bij het waterschap ligt. Bij het tonen van de factuur krijgen agrariërs de subsidie voor bijvoorbeeld een systeem dat alleen regenwater en geen meststoffen vanaf hun erf naar de sloten laat stromen. ‘Deze regionale subsidieregeling gaat helemaal buiten de EU en de RVO om’, zegt Huizinga. ‘Daar worden boeren heel blij van.’

Lees hier meer over de staat van de natuur in Nederland

Het gaat slecht met de natuur in Nederland, zo blijkt uit deze stand van zaken. Het allerslechtst gaat het op het boerenland. ‘De bodem is dood.’

Je moet er met een vergrootglas naar zoeken, maar hier en daar leeft de natuur op bij de achteruitgang. Het zijn lichtpuntjes in een verder oersomber beeld dat hetLiving Planet Report (LPR) schetst over de stand van de natuur sinds 1990.

De komst van de grutto dreigt in gevaar te komen. De kleinschalige boerderijen in Nederland verdwijnen, en daar bevinden zich nu juist de gruttowalhalla’s. Maar wie het dier een warm hart toedraagt, kan een stukje weide adopteren in het Friese Wommels. 

Hoe het anders kan, laten Wageningse wetenschappers zien in hun toekomstvisie op 2120. In het Nederland van 2120 hebben we twee keer zoveel bossen en tweederde minder vee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden