De EU lijkt meer op de USSR dan bestuurders willen

Beleidsmakers aan de top willen niets weten van de kritiek van burgers die op hen vloeken en niet willen meewerken.

Alles draait om geld, zeggen ze. Maar iedere gevorderde relatietherapeut of scheidingsadvocaat kan vertellen dat er bij ruzies over geld meestal meer in het geding is. Zo zijn daar zaken als eigenwaarde, macht, eer, trots, rancune, wantrouwen. Geld is vaak aanleiding voor ruzie, het is niet altijd de echte of de enige oorzaak. Onder geldproblemen gaan andere schuil.


Wie weet kunnen de landen van de Europese Unie zich nog bij een relatietherapeut melden om achter de diepere oorzaken van de eurocrisis te komen - voor het te laat is en ze de gang naar de scheidingsadvocaat kunnen maken.


Wie naar financieel-economische experts luistert, kan denken dat deze crisis louter gaat over staatsschuld en begrotingstekorten. Als diepere verklaring bestaat het 'verschil in economische cultuur'. Commentatoren uit noordwest-Europa lijken die term te munten als synoniem voor het onderscheid tussen 'ons', de gedisciplineerde verantwoordelijke landen in het noorden die hun zaakjes op orde hebben, en 'hen', de luie knoflooklanden in het zuiden die onverantwoord met geld smijten.


Je hoeft niet aan dieptepsychologie te doen om achter de constatering van dit 'verschil' wantrouwen te ontwaren. 'Wij' vertrouwen 'hen' voor geen eurocent. Aan 'hen' willen we zo min mogelijk spenderen. 'Zij' op hun beurt koesteren wantrouwen tegen 'ons' - in ieder geval die Griekse demonstranten die in de Bondsrepubliek de reïncarnatie van het Derde Rijk ontwaren.


Wantrouwen: inwoners van natiestaten lijkt het bijna per definitie eigen. Ten opzichte van de eigen natiestaat en - soms - de omringende regio, leggen zij een loyaliteit aan de dag die geheel ontbreekt als het om andere landen gaat, vooral die verder weg.


Onderschat

De natiestaat is ooit ontstaan in Europa en doet het er nog steeds goed, hoe graag we dat ook anders zouden willen zien. Het is een taai product. Dat lijkt te maken te hebben met een succesformule waarmee het lastig concurreren is. De natiestaat combineert iets wat evident is - er ís verschil tussen Nederland en Griekenland - met onderbuikgevoelens: wij moeten die anderen niet omdat ze er een potje van maken.


Gemeenschappen bestaan bij gratie van uitsluiting. Het beste krik je het beeld van je eigen natie op met een weinig vleiend beeld van een andere. Saamhorigheidsgevoel bestaat bij gratie van het gemeenschappelijk afkeuren van praktijken van onbetrouwbare landen met wie we nooit in één unie hadden moeten gaan zitten, zeker geen monetaire.


Het Europese product natiestaat hebben ze later in Afrika en Azië met twijfelachtig succes proberen te kopiëren. Op zijn geboortegrond blijkt de natiestaat wel stevig. De opkomst in de 19de eeuw liep parallel met de tanende invloed van de godsdienst en traditionele gemeenschapsvormen. Lange tijd had de natiestaat concurrentie van het internationalistische communisme ('arbeiders aller landen, verenigt u'). Op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog ontstond een ander en verstandiger alternatief: Europeanen aller landen, verenigt u, dan raken we nooit meer met elkaar in oorlog.


Met de oorlog vers in het geheugen werden in de tweede helft van de 20ste eeuw op het gebied van de Europese eenwording aanzienlijke successen geboekt. De dagen van de natiestaat waren geteld, werd steeds vaker voorspeld. Maar als het erop aankomt, en dat komt het in de eurocrisis, blijkt dit product weerbarstig. Landen mogen de afgelopen decennia bevoegdheden hebben overgedragen aan Brussel, economieën zijn steeds verder met elkaar vervlochten geraakt - dat geldt niet voor de identiteitsbeleving van hun inwoners. Inwoners van de Verennigde Staten noemen zich eerst Amerikanen en dan pas inwoners van Florida of Ohio. Inwoners van Europa noemen zich meer dan een halve eeuw na het begin van de eenwording nog steeds Nederlanders, Fransen of Grieken en dan, misschien, een beetje Europeaan.


Op de grond is de natiestaat springlevend gebleven, en politici voelen dat aan hun water. Hun beleid is nog altijd gericht op het electoraat in eigen land, de collectieve Europese financiën zijn een zorg voor later. De beschimpte Griekse premier Papandreou deed deze week niets anders dan wat elke beetje sluwe politicus in zijn plaats ook had gedaan.


Nationaal denken brak de EU in haar geschiedenis vaak voor korte of langere tijd op. De eurocrisis is ernstiger: daarin kan de EU haar tanden op natiestaten kapot bijten. Conservatieven en sceptici die tien, vijftien jaar geleden voorspelden dat een muntunie voor 'het reëel bestaande Europa der natiestaten' een brug te ver is, mogen dan hun grimmige gelijk incasseren.


Heel verschillende eurofielen hebben de natiestaat onderschat. Je hebt eurofielen à la Daniel Cohn-Bendit met een marxistisch verleden die een internationalistische visie op Europa projecteren. Een andere groep vormen de snelle, rationele, liberale denkers à la Guy Verhofstadt die een broertje dood hebben aan nostalgie en een huisje-boompje-beestje-sentiment. Zij betogen, niet onterecht, dat de natiestaat in feite een raar irrationeel ding is.


Met harde feiten hebben de meeste natiestaten weinig van doen. 'Van mensen die beweren altijd in 'ons' land te hebben gewoond, kan vaak worden aangetoond dat ze in een niet al te ver verleden ergens anders woonden', schreef de Britse historicus Neal Ascherson. 'Zelfs het beeld van een gemeenschappelijke culturele traditie vervaagt maar al te vaak zodra het met de strenge feiten wordt geconfronteerd.'


Een natiestaat kan zelden zonder mythevorming waarin de eigen natie mooier wordt gemaakt en de buitenwereld lelijker. We kunnen dat afkeuren - tegen het zelfbeeld van een gewortelde natie is het lastig opboksen. Ascherson zegt dat zo: 'Het gevoel te behoren tot een afzonderlijke culturele traditie, het idee van 'etnische identiteit', kan subjectief zozeer waar zijn dat het verandert in een objectief sociaal-politiek feit, ongeacht de leugentjes die ter versiering worden gebezigd.'


De natiestaat is, leuk of niet, een ding om rekening mee te houden. Wie de natiestaat in zijn beleid wegdenkt, loopt het risico vroeg of laat op een van zijn muren stuk te lopen. De eurosceptische Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger zet dit overtuigend uiteen in zijn onlangs verschenen essay Het zachte monster of Europa in de klem.


Enzensberger luisterde naar eurocoryfeeën die zich ergeren aan nationale politici en burgers die het verdommen rationeel te denken. Maar eurocoryfeeën zijn deel van een verstrengeling die de EU in toenemende mate is gaan opbreken, en waarvan de eurocrisis in laatste instantie gewoon een volgende fase is: die van Europees eenwordingsidealisme aan de top en onveranderd nationaal denken op de grond.


Veel waar de EU impopulair mee is geworden, vloeit voort uit deze combinatie en de compromissen die zij oplevert. Neem rare of overgecompliceerde regelgeving. Die ontstaat vaak doordat (meestal grote) lidstaten net zolang aan wetten beitelen en peuteren tot ze hun nationale belangen voldoende gedekt achten. Of neem die steeds onoverzichtelijkere en wijder vertakte Europese organisaties. Die ontstaan doordat Europese bevoegdheden zich uitbreiden terwijl de lidstaten nationaal blijven denken. Tot de vruchten behoren de ACER, de CEDEFOP, de CVCA, de CPVO, de EACEA, de EAHC, de EASA, de EAWI, de ECDC, de ECHA, de EDA, de EEA, de EFR, de EFSA, de EIGE, de EIT, de EMCDDA, de EMEA, de EMSA en de ENISA en nog een stel andere. Enzensberger kende ze ook niet voor hij zich verdiepte in uitvoerende Europese agentschappen die 'zogezegd als spruitjesplanten uit de grond schieten'. Of dit Europa der natiestaten een monetaire unie aankan, is iets waarover gerespecteerde deskundigen verschillend denken. Zeker is dat de eurocrisis voor een aardig deel is terug te voeren op het feit dat het natiestaten zijn die de muntunie vormen.


Idealisten en visionairen van alle tijden hebben gemeen dat ze ongeduldig zijn, concludeert Enzensberger. Ze moeten altijd vooruit. Maar wie in zijn voortvarendheid voorbijgaat aan tegenwerking op de grond, hoe onterecht of irrationeel ook, bouwt wankele constructies.


Nog geen twintig jaar geleden was het vergelijken van de Europese Unie met de Sovjet-Unie een vorm van heiligschennis. Nu gebeurt dat te pas en te onpas. Op veel gebieden waren deze unies elkaars tegenpolen. De Sovjet-Unie kwam tot stand met oorlog en geweld. De Europese Unie ontstond als een reactie op oorlog en geweld. De Sovjet-Unie ruïneerde de oorspronkelijke economieën van de republieken die werden ingelijfd. Toetreding tot de Europese Unie geschiedde vrijwillig en bracht oude en nieuwe lidstaten in mum van tijd economisch voordeel.


Bureaucratische uitputtingsslag

De Sovjet-Unie compliceerde het leven van haar burgers, de EU versimpelde het. De tijd dat het moeilijk was een Europese grens te overschrijden ligt nog niet zolang achter ons. 'Zonder een bureaucratische uitputtingsslag was een buitenlandse reis onmogelijk', herinnert Enzensberger, van 1929, zich nog goed.


Eén overeenkomst tussen EU en USSR dringt zich helaas op. De beleidsmakers aan de top die alsmaar doorgaan en met ergernis of wegkijken reageren op een situatie op de grond waar op hen wordt gevloekt en slecht wordt meegewerkt. Een uitweg die Enzensberger suggereert - Bolkestein en andere sceptici die de Unie niet willen opdoeken gingen hem reeds voor - is die van de voorlopige taakbeperking. Het is beter op een paar vlakken goed te integreren dan op veel vlakken te zwalken van crisis naar crisis. Less is more. Dat is een breuk met een geschiedenis waarin meer ook méér was.


Olaf Tempelman is verslaggever van de Volkskrant

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden