DE ERFENIS VAN OME JAN

In de negentiende eeuw zetten de turfpioniers Van der Griendt in de Peel Helenaveen en Griendtsveen op de kaart. Nog steeds zijn het enclaves in een geïsoleerde uithoek....

Zo gauw de wind aanzwelt, gaat de Peel rond Helenaveen en Griendtsveen geluid maken. Dan kreunt en murmelt het landschap, en brengt een onheilspellende mengeling van hei, water, riet en bos de oerkrachten voort waarin de mens ongezien schijnt op te lossen en een Nederlands equivalent van The Hound of the Baskervilles uitstekend had gedijd.

Zo'n omgeving vráágt om sterke verhalen. Zo bestaat nog altijd de hardnekkige mythe dat in de oorlogsjaren menige patrouillerende Duitse soldaat na spertijd het verraderlijke veen werd binnen gelokt om daarna door het zuigende moeras te worden verzwolgen of te verzinken in vennen, kreken en kanaaltjes waaruit ontsnappen onmogelijk was.

Geen waarheid zo groot of de overlevering slaat haar dood. Want de Peel is geen Bermuda-driehoek, noch een Verdun of Ieper waar boeren met hun tractoren nog regelmatig een voor van granaathulzen, skeletresten en helmen trekken. Een souvenirjager komt gegarandeerd van een koude kermis thuis wanneer hij het zompige Peelveen doorkruist op zoek naar materiële getuigen uit de bezettingstijd. Na een ochtend wroeten, peuteren en schatgraven in de Mariapeel heb ik nog niet eens een kopnagel van een legerlaars gevonden. Slechts een geplet blikje fris, een half vergane krant, het gescheurde omhulsel van een isoleerkan en nog wat andere relicten van het modern bestaan gaan verscholen in de brei van mos, gebladerte en dennennaalden, die het lopen tot een oefening in traagheid maakt.

De hobbelige weg tussen de twee Peelkolonies, parallel aan de Helenavaart, volgt de provinciegrens tussen Brabant en Limburg. Helenaveen ligt nog net in Brabant; Griendtsveen ligt acht kilometer noordelijker op Limburgs grondgebied. Beide enclaves danken hun ontstaan aan de Van der Griendts, een Bossch geslacht van steenfabrikanten. Rond 1850 kocht Jan van der Griendt ('Ouwe Jan', zoals hij tot op de dag van vandaag in de streek wordt genoemd) enkele honderden hectaren veen, stampte er een fabrieksnederzetting uit de grond, en noemde die naar zijn vrouw Helena.

Eduard en Jozef, de twee zoons van deze turfbaron, traden in 1885 in de voetsporen van hun vader. Zij zochten hun heil aan gene zijde van de provinciale grens en zetten Griendtsveen op de landkaart. De dorpen vormen nog altijd een geïsoleerde uithoek, net als in de tijd dat turfstekers van heinde en verre er neerstreken om de armetierige bodem leeg te lepelen. Er moest door dit proletariaat van de Peel onder vaak bittere omstandigheden worden gezwoegd. Een bekwame turfsteker haalde in een week 1300 kruiwagens uit de grond: bijna twintig in het uur.

In de zomer voerde de zon, niet gehinderd door enige begroeiing, een schrikbewind; in de winter deden kou en nattigheid de gewrichten knarsen en de borstkas piepen. Toon Kortooms kon in zijn streekromans idealiseren wat hij wilde, streekgenoot Antoon Coolen sloeg de spijker op zijn kop toen hij in een van zijn boeken stelde: 'Men make zich geen illusie over het sober en hard bestaan van de turfgraver. Van het lot van de Peelwerker is geen idylle te maken.'

Nu ik de afstand tussen de twee kolonies langs de inktzwarte Helenavaart te voet afleg, zie ik pas goed dat deze verzuurde, geschonden en uitgestorven streek nog duidelijk de sporen draagt van die tijd. Links en rechts zijn de uitgebeende percelen met haast mathematische precisie als rechthoeken in het landschap neergelegd; het gevolg van de stereotiepe manier waarop de ontginning ter hand genomen werd. Voordat een nieuw stuk veengrond aan de beurt kwam om van zijn brandbare 'goud' te worden ontdaan, werden eerst kleine kanalen gegraven om de turf over water af te voeren.

Nadat de turf het had moeten afleggen tegen de steenkool, vormde zich stilaan een lagune met vele gezichten. Op sommige plekken won de civilisatie het pleit en waan ik me in Giethoorn. Een ordelijk, gekanaliseerd labyrint waarin alleen de puntertjes ontbreken. Maar wanneer ik dieper het nevelige gebied intrek, stuit ik ook met enige regelmaat op een ondoordringbaar en sinister vlechtwerk van takken, riet en roerloze waterlopen, dat doet denken aan de bayou bij New Orleans. De vochtige schemer overwoekert het daglicht en slaat klam neer. Een wandelpad dat nergens eindigt, is er gauw ingeslagen.

Van Helenaveen heeft de beschaving zich meester gemaakt. Dat is niet goed uitgepakt. Tot aan de rand van het dorp zijn de tuinbouwkassen opgerukt; de oude veenkolonie is ommuurd met een spiegel van glas. Een nieuw noodlot tekent zich af in deze grenscorridor. Na de turf kwam de intensieve veehouderij met haar ammoniakuitstoot en verzuring. Nu de Peel deze aanslag heeft overleefd, dreigt het met een tweede Westland te worden opgezadeld.

Aan alles is nog te zien dat het de ouwe Jan van der Griendt vooral om de centen te doen was. Hij wilde met Helenaveen beslist geen ode aan de vooruitgang achterlaten. Het dorp heeft de frivoliteit van een Centuriontank; zelfs de katholieke kerk in de kom mist elke overdaad en verfijning die de roomse bouwstijl elders in het zuiden kenmerkt. Daar waar de Helenavaart een scherpe kromming maakt, roepen uitgerekend de 125 jaar oude gereformeerde kerk en de daarnaast gelegen predikantenwoning nog iets van de sfeer van weleer op.

De vroegste enclave van de familie Van der Griendt was al multi-cultureel voordat dat woord was uitgevonden. Brabantse keuterboertjes, Drenten, Groningers en vooral veel Duitsers lieten zich door Jan van der Griendt verlokken om voor minder dan een tientje per week dagelijks het veen in te trekken en met hun gezin in haastig opgetrokken keten te wonen.

Nee, dan hadden zijn nazaten de sociale tekenen des tijds beter verstaan. Een contente arbeider was geen oproerkraaier, zoveel hadden Jozef en Eduard wel van Marx begrepen. Dus werd Griendtsveen een ruime, park-achtige nederzetting tussen het groen met stalen ophaalbruggen over de kanalen, op ouderwetse postbussen gelijkende openbare waterpompen en gebouwen en woningen in Engelse landschapsstijl. Deze uiterlijke schijn ten spijt was het geen Arcadië. De twee broers waren in de eerste plaats feodale ondernemers. Hun humane inborst mocht dan van tijd tot tijd opspelen, de gemeenschap lag wel aan de leiband van de Van der Griendts. Ieder moest zijn plaats kennen, de onderlinge maatschappelijke verhoudingen waren gemodelleerd naar de tijd van toen.

De structuur van de nederzetting weerspiegelt deze hiërarchie. Dus ligt tot op de dag van vandaag midden in deze kleine kosmos de fraaie Villa Spagnum, residentie van de kapitaalkrachtige turfpioniers. Op geringe afstand daarvan de Villa Erica, ook in Hollandse renaissance stijl gebouwd, en bedoeld voor het topkader van de briketten- en turfstrooiselfabriek. De woningen voor 'de twaalf apostelen' liggen op weer grotere afstand. Hier huisden de witte boorden met hun gezinnen: boekhouders, opzichters en technici. Als slaafse volgelingen van Van der Griendt verdienden zij deze sarcastische bijnaam.

Aan de rand van de bebouwing, ver buiten het gezichtsveld van de fabrikant, ligt een rij arbeiderswoningen, de Nieuwe Kazerne, zoals het complex in Griendtsveen werd genoemd. Een kerk, een school, een boerderij met melkfabriek, een café en winkels completeerden deze autarkie. Even voorbij de Sint Barbarakerk, grenzend aan de hoofdvaart, stuit je aan de rand van het dorp op drie identieke huizen die in een U-vorm tegen elkaar zijn gebouwd. In 1895 vormde deze Siamese drieling een marechausseekazerne. Eén keer, twee jaar eerder, klonken voor het eerst en het laatst socialistische strijdtonen tussen het veen. Voor de Van der Griendts reden om meteen het gewapend gezag in het dorp te installeren.

Toen Jan van der Griendt ('Jonge Jan' dus) in 1958 zijn privédorp aan de gemeente Horst verkocht, was hij van een molensteen om zijn nek verlost. De turfwinning was geschiedenis, de grond bracht te weinig op, en de kolonie was toe aan een grondige, kostbare renovatie. De Van der Griendts hebben daarna beschaamd de plaats verlaten. Hun almachtige status was verdwenen, en ze kregen voor de voeten geworpen dat ze de gemeenschap een bouwval hadden nagelaten. Lange tijd durfden ze hun gezicht in de omgeving niet meer te laten zien, maar bij het honderdjarig bestaan van Griendtsveen in 1985 doken ze toch weer op omdat er ook aandacht was voor de verdiensten die ze hebben gehad.

Van de authentieke ambiance van vorige eeuw is veel bewaard gebleven, want er is een stolp over het dorp geplaatst. Griendtsveen wordt gezien als een unieke stijlfiguur uit een voorbije tijd; elke ingreep die de structuur van de fabrieksnederzetting aantast, is daarom uit den boze. Alle gebouwen uit die periode zijn in hun oorspronkelijke staat gehouden, en de bouwkundige samenhang is in stand gebleven. Op het moment wordt een van de tien overgebleven apostelwoningen onder handen genomen. Na de opknapbeurt zal het pand er, net als de andere, opnieuw uitzien als een spoorwegstationnetje uit de begintijd van het treinverkeer. Zelfs de straten zijn als op oude foto's: onverhard, met vergruisd puin als wegbedekking

Ondanks zijn museale karakter is Griendtsveen geen dode gemeenschap. De ruim vijfhonderd bewoners kennen een levendig verenigingsleven en in de laatste kwarteeuw streek er heel wat creativiteit neer. Beeldhouwers, schilders en ontwerpers voelden zich aangetrokken tot dit dorpse rudiment met zijn bijzondere uitstraling en afgezonderde ligging. Vooral de turfstrooisel-fabriek in de bocht van de weg langs het spoor was lange tijd in trek als werkplaats voor kunstenaars. Nu biedt het onderdak aan een collectief van architecten, dat zich heeft gespecialiseerd in ecologische bouw.

Jan Althuizen is zo'n kunstenaar die in de jaren zeventig een klein landwerkershuisje in Griendtsveen kocht. Vanuit zijn tuin kijkt hij uit over de nederzetting. Wat opvalt, is de openheid van het landschap. Bijna alle markante visuele ijkpunten van de kolonie vallen in ons blikveld. Recht onder het zenit de villa waar de Van der Griendts fortuin maakten, linksvoor de boerenhoeve met de melkerij, nog meer naar links het bedrijfskantoor waar het paternalisme wekelijks zijn hoogtepunt vond als onder een houten afdak op vrijdag de lonen werden uitbetaald.

Het verstilde uitzicht brengt Althuizen in een filosofische bui: 'Vroeger was dit een woestenij. Toen kwam de turf. Nu is men zover om de Peel weer aan de natuur prijs te geven. Als de vernatting van het veen weer op gang is, komen de planten terug die hier horen. Dan is de cirkel weer rond.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden